202404656/2/R4.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd in Velp, gemeente Rheden,
appellante,
en
de raad van de gemeente Rheden,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1718, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van de raad van 23 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied, locatie langs de spoorlijn tussen Biljoen en Zutphensestraatweg 5b" te herstellen, met inachtneming van wat over die gebreken in de tussenuitspraak is overwogen.
Bij besluit van 24 juni 2025 heeft de raad het bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd vastgesteld.
[appellante] en Prorail B.V. hebben daarover een zienswijze naar voren gebracht.
De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c en d, en derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, blijft op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Tussenuitspraak
2. De Afdeling heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat het bestemmingsplan niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, omdat de raad zich op de zitting, in reactie op het beroep van [appellante], op het standpunt heeft gesteld dat de artikelen 5.1, onder a, en 5.3.1 van de regels van het bestemmingsplan onjuist zijn. Op grond van die bepalingen mag de bestaande weg in het plangebied, direct ten zuiden van de spoorlijn Arnhem-Zutphen, die als ontsluitingsweg dient voor [appellante] (de weg), alleen half verhard zijn. Op de zitting heeft de raad te kennen gegeven het ook passend te vinden als de weg geheel wordt verhard.
Op verzoek van de raad en met instemming van de andere partijen heeft de Afdeling de raad in de gelegenheid gesteld om de artikelen 5.1, onder a, en 5.3.1 van de regels van het bestemmingsplan te wijzigen.
Het besluit van 24 juni 2025
3. Met het besluit van 24 juni 2025 heeft de raad het bestemmingsplan in zijn geheel opnieuw vastgesteld. De raad heeft daarbij de artikelen 5.1, onder a, en 5.3.1 van de regels van het bestemmingsplan zo gewijzigd dat de weg ook geheel mag worden verhard. Dit besluit is, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geen onderwerp van dit geding, omdat partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Daarvoor is bepalend dat [appellante] en Prorail in hun zienswijzen kenbaar hebben gemaakt dat zij instemmen met het besluit van 24 juni 2025. Ook neemt de Afdeling hierbij in aanmerking dat Stichting Het Geldersch Landschap op de zitting kenbaar heeft gemaakt dat zij het wenselijk acht dat de weg geheel kan worden verhard en dat zij, hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, geen zienswijze naar voren heeft gebracht over het besluit van 24 juni 2025.
Conclusie
4. Het beroep van [appellante] tegen het besluit van 23 april 2024 is gegrond. Dat besluit moet wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb worden vernietigd. Dit betekent dat alleen het door de raad bij het besluit van 24 juni 2025 vastgestelde bestemmingsplan geldig is.
5. De raad moet de proceskosten vergoeden.
6.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellante] tegen het besluit van de raad van de gemeente Rheden van 23 april 2024, waarbij het bestemmingsplan "Landelijk Gebied, locatie langs de spoorlijn tussen Biljoen en Zutphensestraatweg 5b" is vastgesteld, gegrond;
II. vernietigt het onder I genoemde besluit;
III. veroordeelt de raad van de gemeente Rheden tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. gelast dat de raad van de gemeente Rheden aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 371,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.
w.g.
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Robben
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
610