ECLI:NL:RVS:2026:1043

ECLI:NL:RVS:2026:1043

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 25-02-2026
Zaaknummer 202408088/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 31 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beekdaelen een parkeerverbod ingesteld in een zijstraat ter hoogte van Thull 32, 32a en 32b in Schinnen. [wederpartijen] zijn eigenaren van bedrijfsruimtes aan een zijstraat van de weg Thull in Schinnen. De zijstraat is 3,5 tot 3 m breed en is de enige toegang tot de bedrijfsruimtes voor (landbouw)voertuigen. [wederpartijen] hebben meldingen gedaan van parkeeroverlast in de zijstraat bij het college. Door omwonenden wordt geparkeerd in de zijstraat, waardoor volgens [wederpartijen] andere voertuigen geen doorgang kunnen vinden.

Uitspraak

202408088/1/A2.

Datum uitspraak: 25 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Beekdaelen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 november 2024 in zaken nrs. 22/169 en 22/173 in het geding tussen:

het college

en

[wederpartij A] en [wederpartij B].

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2021 heeft het college een parkeerverbod ingesteld in een zijstraat ter hoogte van Thull 32, 32a en 32b in Schinnen.

Bij besluit van 22 juni 2021 heeft het college het besluit van 31 maart 2021 ingetrokken (intrekkingsbesluit).

Bij besluit van 7 december 2021 heeft het college de door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 november 2024 heeft de rechtbank de door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 7 december 2021 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartijen] hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven en een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.J. Pieters-Janssen en L. Elbertsen-le Doux, en [wederpartij B], vertegenwoordigd door mr. M.R.A. Arntz, rechtsbijstandsverlener, en [wederpartij A] zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [wederpartijen] zijn eigenaren van bedrijfsruimtes aan een zijstraat van de weg Thull in Schinnen. De zijstraat is 3,5 tot 3 m breed en is de enige toegang tot de bedrijfsruimtes voor (landbouw)voertuigen. [wederpartijen] hebben meldingen gedaan van parkeeroverlast in de zijstraat bij het college. Door omwonenden wordt geparkeerd in de zijstraat, waardoor volgens [wederpartijen] andere voertuigen geen doorgang kunnen vinden.

Besluitvorming

2. Bij besluit van 31 maart 2021 heeft het college een parkeerverbod ingesteld en twee verkeersborden E1 geplaatst, als bedoeld in Bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Het college heeft geconcludeerd dat er geen ruimte is om te parkeren en het de zijstraat bereikbaar wil houden. Omwonenden van [wederpartijen] hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het dossier van de Afdeling zijn deze bezwaren gedeeltelijk opgenomen en geanonimiseerd.

3. Bij besluit van 22 juni 2021 heeft het college het parkeerverbod ingetrokken onder verwijzing naar artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994), waarin staat dat het eenieder is verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Hieruit volgt dat hinderlijk parkeren verboden is. Als deze bepaling wordt nageleefd, kan volgens het college een parkeerverbod in de zijstraat achterwege blijven. [wederpartijen] hebben bezwaar gemaakt tegen het intrekkingsbesluit.

4. Bij besluit van 7 december 2021 heeft het college de bezwaren van [wederpartijen] ongegrond verklaard. Het college heeft geconcludeerd dat voor zover omwonenden hinderlijk parkeren in de zijstraat, niet is in te zien hoe een parkeerverbod daar verandering in brengt.

Uitspraak van de rechtbank

Bezwaren van omwonenden

5. De rechtbank heeft overwogen dat het intrekkingsbesluit is genomen, nadat omwonenden bezwaar hebben gemaakt tegen het bij besluit van 31 maart 2021 door het college ingestelde parkeerverbod. Het intrekkingsbesluit is echter niet als een beslissing op bezwaar genomen. De rechtbank heeft het intrekkingsbesluit daarom aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat het college geen beslissing op de bezwaren tegen het verkeerverbod heeft genomen, zijn de bezwaren van de omwonenden volgens de rechtbank ten onrechte niet betrokken in de bezwaarprocedure en liggen deze nog open.

Motivering van de intrekking

6. De rechtbank heeft verder overwogen dat het besluit van 7 december 2021 onvoldoende is gemotiveerd. Met de enkele verwijzing naar artikel 5 van de Wvw 1994 heeft het college onvoldoende inzicht gegeven in zijn belangenafweging die is gemaakt bij het besluit tot de intrekking van het parkeerverbod. De feitelijke verkeerssituatie ten tijde van het intrekken van het parkeerverbod, is niet veranderd ten opzichte van de situatie ten tijde van het instellen daarvan. Het college moet deugdelijk motiveren waarom het een tegenovergesteld standpunt heeft ingenomen. Het college heeft verder niet het standpunt bestreden dat er regelmatig hinderlijk wordt geparkeerd in de zijstraat en daarop onvoldoende wordt gehandhaafd. Het college moet daarom een nieuw besluit nemen, waarin het beslist op de bezwaren van [wederpartijen] en de bezwaren van de omwonenden.

Hoger beroep

Intrekkingsbesluit

7. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte het intrekkingsbesluit heeft beschouwd als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Het besluit van 22 juni 2021 is een nieuw primair besluit, omdat iedereen de mogelijkheid heeft gekregen om daartegen bezwaar te maken. Voor zover het wel een besluit is als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, betoogt het college dat geen bezwaar van rechtswege van de omwonenden is ontstaan. Het college voert daartoe aan dat de omwonenden geen belang hebben bij bezwaar tegen de intrekking van het parkeerverbod. Met het intrekkingsbesluit is namelijk volledig tegemoetgekomen aan de bezwaren tegen het instellen van het parkeerverbod. Omwonenden hebben niet gereageerd op de brief van het college van 24 juni 2021, waarin het college de omwonenden heeft verzocht om te reageren indien niet volledig is tegemoetgekomen aan de bezwaren. Het college heeft verder in die brief opgenomen dat het veronderstelt dat de omwonenden geen belang hebben bij verdere behandeling van het bezwaarschrift en het intrekkingsbesluit dus geen besluit is als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb.

7.1. Op grond van artikel 6:19 van de Awb heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

7.2. In deze zaak staat vast dat de omwonenden belangen hebben die tegengesteld zijn aan de belangen van [wederpartijen]. De omwonenden hebben er dus belang bij dat hun bezwaren afgewogen worden tegen de bezwaren van [wederpartijen] in het besluit op bezwaar tegen het intrekkingsbesluit. In het kader van de rechtsbescherming en de efficiënte afdoening van het geschil, moest het college op grond van alle bezwaren de bestreden besluitvorming heroverwegen. Anders dan het college stelt, is het intrekkingsbesluit dus geen besluit dat buiten de bezwaarprocedure tegen het besluit van 31 maart 2021 mocht worden behandeld.

7.3. Het betoog van het college slaagt niet.

Motivering van het verkeersbesluit

8. Het college voert aan dat de rechtbank onvoldoende heeft onderkend dat het beslisruimte heeft bij het nemen van een verkeersbesluit. Het college betoogt dat het in zijn besluit van 22 juni 2021 heeft gemotiveerd dat een nadere beschouwing van de verkeerssituatie is verricht en dat is gekeken naar oplossingen met zo weinig mogelijk overlast voor omwonenden.

8.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college zijn besluit van 7 december 2021 onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college heeft op 31 maart 2021 besloten om een parkeerverbod in te stellen om de bedrijfsruimtes bereikbaar te houden, om vervolgens bij het besluit van 22 juni 2021 het tegenovergestelde standpunt in te nemen dat het intrekken van het parkeerverbod de bereikbaarheid niet zal veranderen. Ook motiveert het college niet op grond van welke belangen het parkeerverbod moet worden ingetrokken. Het is de Afdeling daarom niet duidelijk om welke redenen het college het parkeerverbod wenst in te trekken. Dat het college op grond van artikel 5 van de Wvw 1994 kan handhaven op hinderlijk parkeren, wat tot dezelfde uitkomst zou leiden als het instellen van een parkeerverbod, is geen concrete onderbouwing van het intrekkingsbesluit. Bovendien hebben [wederpartijen] terecht naar voren gebracht dat een geldend parkeerverbod in de zijstraat, aangeduid met verkeersborden, effectiever is dan een algemeen geldend verbod op hinderlijk parkeren zonder verkeersborden. Verder heeft het college niet onderbouwd weersproken dat zonder het parkeerverbod, hinderlijk parkeren in de zijstraat zich nog altijd geregeld voordoet en het bestaan van de mogelijkheid van handhaving daarop dat niet heeft veranderd. Dat [wederpartijen] daarvan inmiddels minder meldingen hebben gedaan, kan hen niet worden tegengeworpen. Het college heeft namelijk in een brief aan [wederpartijen] medegedeeld dat het niet meer reageert op hun berichten.

8.2. Het betoog van het college slaagt niet.

Advies van 27 januari 2025

9. Daarnaast betoogt het college dat het bij Royal HaskoningDHV ingewonnen advies van 27 januari 2025 zijn conclusie bevestigt. In het advies staat namelijk dat parkeren in de zijstraat per definitie hinderlijk parkeren is en dus een overtreding is van artikel 5 van de Wvw 1994. Daarom is een parkeerverbod niet nodig. Het college heeft geen aanleiding gezien om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

9.1. De Afdeling ziet in het advies van Royal HaskoningDHV van 27 januari 2025 geen aanknopingspunten om tot een andere conclusie over de motivering van het besluit van 7 december 2021 te komen. Het advies is namelijk hangende het hoger beroep opgemaakt en noch ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit, noch aan een nieuw besluit. Overigens blijkt uit het advies niet dat het college het parkeerverbod terecht heeft ingetrokken. In het advies wordt slechts geconcludeerd dat het college tegen verkeerd geparkeerde voertuigen handhavend kan optreden en dat is, zoals hiervoor overwogen, onvoldoende voor de motivering van zijn besluit van 22 juni 2021.

9.2. Het betoog van het college slaagt niet.

Gevolg van deze uitspraak

10. Anders dan het college stelt, schorst zijn hoger beroep niet de opdracht van de rechtbank om een nieuw besluit te nemen binnen twaalf weken na de dag van verzending van haar uitspraak. Op grond van artikel 6:16 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, heeft het instellen van hoger beroep namelijk geen schorsende werking. Dat betekent dat het college de opdracht van de rechtbank ten onrechte niet heeft uitgevoerd en nog altijd een nieuw besluit moet nemen. Ten overvloede wijst de Afdeling erop dat in het nieuwe besluit de bezwaren van de omwonenden tegen het parkeerverbod en de bezwaren van [wederpartijen] tegen de intrekking daarvan, inzichtelijk en niet anoniem moeten worden betrokken.

Conclusie

11. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

12. De rechtbank heeft het college opgedragen om opnieuw op de bezwaren te beslissen. Het college moet dit nog steeds doen, met inachtneming van het bepaalde in de uitspraak van de rechtbank en wat de Afdeling in deze uitspraak heeft overwogen. De Afdeling geeft het college hiervoor een termijn van zes weken. Omdat de uitspraak in hoger beroep ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, ziet de Afdeling met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

13. Het college moet de proceskosten vergoeden. Op grond van artikel 8:109, tweede lid, van de Awb wordt van het college griffierecht geheven.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. draagt het college op om binnen zes weken na deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

III. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Beekdaelen tot vergoeding van bij [wederpartij B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Beekdaelen een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. W. den Ouden, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.

w.g. Daalder

voorzitter

w.g. Tibold

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026

853-1100

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.J. Daalder
  • mr. N. Verheij
  • mr. W. den Ouden

Griffier

  • mr. N. Tibold

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?