ECLI:NL:RVS:2026:1044

ECLI:NL:RVS:2026:1044

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 25-02-2026
Zaaknummer 202204300/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 6 januari 2021 heeft het college geweigerd om handhavend op te treden tegen activiteiten op het perceel [locatie] in Berkenwoude. Op het perceel was in het verleden een melkrundvee- en varkenshouderij gevestigd. In 1995 is het bedrijf beëindigd en is de boerderij in gebruik genomen als burgerwoning. [partij] is sinds 2015 eigenaar en woont daar. [appellant] woont aan de Groene Zoom, ten noordoosten van het perceel van [partij]. Tussen zijn perceel en dat van [partij] ligt een watergang. [appellant] is het niet eens met de ontwikkelingen op het perceel van [partij]. In deze procedure gaat het over een verzoek om handhaving in verband met de hoeveelheid bebouwing op het perceel en het gebruik daarvan. Het college heeft geweigerd om handhavend op te treden. [appellant] is het daar niet mee eens.

Uitspraak

202204300/1/R3.

Datum uitspraak: 25 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellant], wonend in Berkenwoude, gemeente Krimpenerwaard,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 juni 2022 in zaak nr. 21/6497 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard.

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2021 heeft het college geweigerd om handhavend op te treden tegen activiteiten op het perceel [locatie] in Berkenwoude.

Bij besluit van 31 augustus 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juni 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[partij] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een zienswijze op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep gegeven.

[partij] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak samen met de hoger beroepen in zaken nrs. 202204301/1/R3 en 202204302/1/R3 op zitting behandeld op 20 januari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Scholten, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn, en het college vertegenwoordigd door mr. A.D. Bouwman-van Blarkom en K. Brandwijk, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door mr. S.F. Knoop en mr. B. Pieterz, beiden advocaat in Amsterdam, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.

Inleiding

2. Op het perceel was in het verleden een melkrundvee- en varkenshouderij gevestigd. In 1995 is het bedrijf beëindigd en is de boerderij in gebruik genomen als burgerwoning. [partij] is sinds 2015 eigenaar en woont daar.

3. [appellant] woont aan de Groene Zoom, ten noordoosten van het perceel van [partij]. Tussen zijn perceel en dat van [partij] ligt een watergang. [appellant] is het niet eens met de ontwikkelingen op het perceel van [partij]. In deze procedure gaat het over een verzoek om handhaving in verband met de hoeveelheid bebouwing op het perceel en het gebruik daarvan. Het college heeft geweigerd om handhavend op te treden. [appellant] is het daar niet mee eens.

4. Het gaat in hoger beroep om een kaasmakerij, een varkensstal/pinkenstal, een paardenstal en een mestsilo. De paardenstal staat op gronden waarop ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" de bestemming "Agrarisch met waarden" rust. De kaasmakerij, de varkensstal en mestsilo staan op gronden waarop de bestemming "Wonen" rust. Vrijstaande bijgebouwen alsmede aan- en uitbouwen op de gronden met een woonbestemming mogen niet worden gebruikt voor zelfstandige bewoning.

Relevante regelgeving

5. De relevante regels uit het bestemmingsplan zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling van het hoger beroep

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorbij is gegaan aan de schending van de hoorplicht in de bezwaarfase.

6.1. Niet in geschil is dat [appellant] ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. De rechtbank heeft dit gebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Zij heeft overwogen dat [appellant] in de beroepsprocedure voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt naar voren te brengen en dat het college in verband met een groot aantal handhavingsverzoeken van [appellant], waarbij ook gedeeltelijk sprake was een overlap met eerdere verzoeken, reeds op de hoogte was van het standpunt van [appellant] over de door hem aan de orde gestelde onderwerpen.

[appellant] voert in hoger beroep niet aan waarom de rechtbank niet tot dit oordeel heeft kunnen komen. Het betoog slaagt daarom niet.

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich met betrekking tot de in het handhavingsverzoek genoemde bouwwerken, met uitzondering van de paardenstal, terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van een overtreding, omdat voor die bouwwerken in het verleden een vergunning is verleend.

Hij betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in geen van de gebouwen (illegale) bewoning is geconstateerd en er daarom geen sprake is van overtredingen waartegen handhavend dient te worden opgetreden.

- kaasmakerij

7.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen reden is om handhavend op te treden tegen de kaasmakerij. Het heeft daarbij van belang geacht dat voor de bouw van de kaasmakerij in 1978 een bouwvergunning is verleend en dat de kaasmakerij ingevolge de ter plaatse geldende bestemming mag worden gebruikt ten behoeve van wonen. De Afdeling ziet met de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op dit standpunt heeft kunnen stellen. [appellant] heeft aangegeven dat het college desondanks handhavend had moeten optreden, omdat de kaasmakerij op een slooplijst uit 1995 staat, maar ten onrechte niet is gesloopt. De Afdeling volgt [appellant] hierin niet. Uit de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder de door [appellant] genoemde bouwvergunning die in 1995 is verleend voor het bouwen van een woning op het perceel, blijkt niet dat er een verplichting bestond om, als onderdeel van de bouwvergunning, de kaasmakerij te slopen. Dat het, toen het in 1995 werd toegestaan op het perceel te wonen, de bedoeling was dat bepaalde gebouwen op het perceel, waaronder de kaasmakerij, zouden worden gesloopt, zoals [appellant] aanvoert, is niet voldoende om te concluderen dat er sprake is van een overtreding.

- varkensstal

7.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen reden is om handhavend op te treden tegen de varkensstal, omdat voor de bouw ervan in 1974 een bouwvergunning is verleend, en het huidige gebruik van de stal voor woondoeleinden, gelet op de ter plaatse geldende woonbestemming, is toegestaan. De Afdeling ziet met de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op dit standpunt heeft kunnen stellen. Voor het oordeel dat het college desondanks, gelet op de hiervoor onder 7.1 genoemde slooplijst waar volgens [appellant] ook de varkensstal op staat, handhavend had moeten optreden, bestaat geen grond.

- paardenstal

7.3. De rechtbank heeft uit het besluit op bezwaar afgeleid dat er vermoedelijk geen vergunning voor de huidige paardenstal is verleend. Zij is vervolgens tot het oordeel gekomen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat handhavend optreden tegen het zonder vergunning bouwen van de stal in dit geval onevenredig is. [appellant] heeft dit oordeel in hoger beroep niet bestreden. Dat er geen (illegale) bewoning is geconstateerd, zoals de rechtbank heeft overwogen, laat onverlet dat de stal, zoals tussen de partijen niet in geschil, wel wordt gebruikt voor wonen. Dat gebruik is in strijd met de agrarische bestemming die op de gronden rust. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college echter van handhavend optreden daartegen kunnen afzien. Daarvoor is van belang dat op 31 maart 2021 het ontwerpbestemmingsplan "[locatie], Berkenwoude" ter inzage is gelegd en de gronden waarop de paardenstal staat, daarin de bestemming "Wonen" hebben gekregen. Het gebruik van de stal ten behoeve van wonen past daarin. Ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar bestond er dus concreet zicht op legalisering. Over het betoog van [appellant] dat het bestemmingsplan nog steeds niet is vastgesteld en dus van concreet zicht op legalisering niet langer kan worden gesproken, overweegt de Afdeling dat in dit geval van belang is of ten tijde nemen van het nemen van het besluit op bezwaar concreet zicht op legalisering bestond. Niet is gebleken dat op dat moment op voorhand duidelijk was dat het ontwerpbestemmingsplan geen rechtskracht zou verkrijgen.

- mestsilo

7.4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen reden is om handhavend op te treden tegen de mestsilo. In het besluit op bezwaar staat dat in 1985 een bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een mestsilo en dat in 2010 een bouwvergunning is verleend voor het aanpassen van de mestsilo tot atelier en tuinkamer. Er staat verder in het besluit dat geen essentiële woonvoorzieningen en bewoning zijn geconstateerd. [partij] heeft op de zitting verklaard dat de voormalige mestsilo door de gezinnen die op het perceel wonen, wordt gebruikt als centrale woonkamer en dat er geen keuken aanwezig is. Het college heeft op de zitting toegelicht dat zelfstandige bewoning van de mestsilo ingevolge het bestemmingsplan niet is toegestaan, maar dat, gelet op de geldende woonbestemming, het gebruik ten behoeve van wonen, waarvan hier sprake is, wel is toegestaan. Volgens [appellant] heeft het college zich niet op het standpunt kunnen stellen dat er geen illegale bewoning is geconstateerd, omdat de toezichthouders geen toegang tot de silo hebben gekregen. [appellant] wijst er terecht op dat tijdens de in het besluit op bezwaar genoemde controle op het perceel op 5 april 2018 geen toegang tot de mestsilo is verkregen. Dat betekent dat het college zich in het besluit op bezwaar niet op basis van die controle op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen essentiële woonvoorzieningen en bewoning zijn geconstateerd. In het dossier zitten echter ook foto's van het interieur van de mestsilo die zijn gemaakt tijdens een controle in oktober 2021. Zoals ook op de zitting is besproken, bevestigen die foto's het standpunt van het college dat de mestsilo niet voor zelfstandige bewoning wordt gebruikt en van een overtreding dus geen sprake is. Gelet op het feit dat de foto's zijn genomen kort na het besluit op bezwaar, is er geen reden om aan te nemen dat de situatie ten tijde van het besluit op bezwaar anders was. Dat heeft [appellant] ook niet aangevoerd en aannemelijk gemaakt.

- tussenconclusie

7.5. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is er wat betreft (het gebruik van) de kaasmakerij, de varkensstal en de mestsilo geen sprake van een overtreding, zodat het college niet bevoegd was handhavend op te treden. Het gebruik van de paardenstal is wel in strijd met het bestemmingsplan, maar het college heeft van handhavend optreden daartegen kunnen afzien. Dat betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college terecht geen aanleiding heeft gezien om handhavend op te treden. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. [partij] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellant] gegrond is. Nu het hoger beroep van [appellant] ongegrond is, is deze voorwaarde niet vervuld en is het voorwaardelijke incidenteel hoger beroep vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan kan derhalve niet worden toegekomen.

9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Van Gastel

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pieters

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026

473

BIJLAGE

Bestemmingsplan "Buitengebied 2011"

Artikel 3.1.1

De voor Agrarisch met waarden aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. reële grondgebonden graasdierbedrijven met inachtneming van het bepaalde onder c;

b. agrarisch aanverwant gebruik zoals het beweiden van dieren, al dan niet in het kader van de agrarische bedrijfsvoering met inachtneming van het bepaalde onder c;

c. het behoud van de landschappelijke en cultuurhistorische waarde bestaande uit de openheid, het verkavelingspatroon c.q. slotenpatroon en graslandvegetaties;

d. water;

e. kleinschalige landschapselementen;

f. extensief recreatief medegebruik;

met de daarbij behorende voorzieningen, een en ander voor zover de doelen zoals genoemd onder e en f zijn afgestemd op de doelen zoals genoemd onder a tot en met d.

Artikel 3.1.2

Ter plaatse van de bestaande bebouwing zijn tevens de volgende ondergeschikte nevenactiviteiten toegestaan:

a. ambachtelijke bewerking en opslag van agrarische producten;

b. opslag en stalling van niet-milieugevaarlijke, niet agrarische goederen, alsmede opslag voor internetverkoop;

c. bed & breakfast in het hoofdgebouw;

d. agrarische dagrecreatie;

e. theeschenkerij, tot een oppervlakte van 50 m2 bvo;

f. hoveniersbedrijf;

g. veehandelsbedrijf;

h. hoefsmederij tot een oppervlakte 100 m2 bvo;

i. kano-, roeiboot-, fluisterboot- of fietsenverhuur;

j. met dien verstande dat:

[…].

Artikel 16.1.1

De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen;

[…].

Artikel 16.4.4

Vrijstaande bijgebouwen alsmede aan- en uitbouwen mogen niet worden gebruikt voor zelfstandige bewoning.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N.D.T. Pieters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?