202204302/1/R3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
[appellant A], wonend in Berkenwoude, gemeente Krimpenerwaard,
[appellant B] en [appellant C], beiden wonend in Berkenwoude, gemeente Krimpenerwaard,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 juni 2022 in zaken nrs. 19/5441 en 19/5477 in het geding tussen, voor zover van belang:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard.
Procesverloop
Bij besluit van 27 maart 2018 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van natuurvriendelijke oevers en het planten van 14 knotwilgen op het perceel [locatie] in Berkenwoude (hierna: het perceel).
Bij besluit van 11 juli 2019 heeft het college, voor zover van belang, het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 27 maart 2018 herroepen en opnieuw omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van natuurvriendelijke oevers en het planten van 14 knotwilgen op het perceel.
Bij uitspraak van 9 juni 2022 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[partij] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak samen met de hoger beroepen in zaken nrs. 202204300/1/R3 en 202204301/1/R3 op zitting behandeld op 20 januari 2026, waar [appellant A], bijgestaan door mr. R. Scholten, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn, en het college vertegenwoordigd door mr. A.D. Bouwman-van Blarkom en K. Brandwijk, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door mr. S.F. Knoop en mr. B. Pieterz, beiden advocaat in Amsterdam, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2. Op het perceel was in het verleden een melkrundvee- en varkenshouderij gevestigd. In 1995 is het bedrijf beëindigd en is de boerderij in gebruik genomen als burgerwoning. [partij] is sinds 2015 eigenaar en woont daar. Op 31 december 2017 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever en het planten van 14 knotwilgen aan de rand van zijn perceel.
Het college heeft hiervoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verleend.
3. [appellanten] wonen aan de Groene Zoom, ten noordoosten van het perceel van [partij]. De knotwilgen zullen worden geplant langs een watergang aan de rand van het perceel van [partij]. Daar zal ook de natuurvriendelijke oever worden aangelegd. De watergang vormt de grens tussen de percelen van [appellanten] enerzijds en het perceel van [partij] anderzijds.
[appellanten] zijn het niet eens met de verlening van de vergunning. Zij vrezen voor een aantasting van het kenmerkende veenweidelandschap en in het bijzonder de openheid daarvan.
Relevante regelgeving
4. Op het gedeelte van het perceel waar de knotwilgen en de natuurlijke oever zijn voorzien, rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" de bestemming "Agrarisch met waarden". De relevante regels uit het bestemmingsplan zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
5. [appellant B] en [appellant C] en [appellant A] betogen dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar het advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) van 28 juli 2021 heeft overwogen dat het college terecht geen aanleiding heeft gezien de omgevingsvergunning te weigeren op grond van artikel 3.6.3, aanhef en onder c, van de planregels. Zij voeren aan dat de STAB niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat de aangevraagde werkzaamheden geen onevenredige schade toebrengen aan de landschappelijke of cultuurhistorische waarden. Zij wijzen er daarbij op dat de STAB die beoordeling niet heeft gemaakt, maar heeft onderzocht of hun uitzicht onevenredig wordt benadeeld en dat de STAB van onjuiste feiten is uitgegaan. Ter onderbouwing van hun betoog dat de werkzaamheden onevenredige schade toebrengen aan de openheid van het landschap wijzen zij op een advies van 23 april 2020 van de door hen ingeschakelde deskundige, VS Landschapsarchitectuur.
5.1. In het advies van de STAB staat dat de kenmerkende en typerende landschapswaarden in dit geval zijn de openheid van het landschap en het slagenverkavelingspatroon. De STAB heeft, samengevat, geconcludeerd dat de plaatsing van de wilgen, in aansluiting op het erf, de slagenverkaveling en daarmee het verkavelingspatroon benadrukt. De openheid van het landschap wordt door de plaatsing van de wilgen aan de randen van het perceel niet ingeperkt. Omdat de vegetatie op de natuurvriendelijke oever overwegend laag zal blijven, zal deze geen invloed hebben op de openheid van het landschap en op de cultuurhistorische waarde.
5.2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de conclusies van de door haar ingeschakelde deskundige niet te volgen. In het advies 28 juli 2021 is volgens de rechtbank uitvoerig gemotiveerd waarom door de aanplant van de rij knotwilgen en de aanleg van de natuurvriendelijke oever geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de landschappelijke of cultuurhistorische waarde van het gebied.
De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat de STAB, overigens net zoals de door [appellant B] en [appellant C] en [appellant A] ingeschakelde deskundige, weliswaar is ingegaan op de invloed van de knotwilgen op het uitzicht van [appellant B] en [appellant C] en [appellant A], maar ook heeft onderzocht of het planten van de knotwilgen leidt tot een aantasting van de openheid en het verkavelingspatroon. Dat de STAB haar advies heeft gebaseerd op onjuiste feiten is de Afdeling niet gebleken.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pieters
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
473
BIJLAGE
Bestemmingsplan "Buitengebied 2011"
Artikel 3.1.1
De voor Agrarisch met waarden aangewezen gronden zijn bestemd voor:
[…];
c. het behoud van de landschappelijke en cultuurhistorische waarde bestaande uit de openheid, het verkavelingspatroon c.q. slotenpatroon en graslandvegetaties;
[…].
Artikel 3.6.1
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, buiten het bouwvlak de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren:
[…]
i. het beplanten van gronden met bomen of andere houtopstanden met meer dan één gebiedseigen boom per kavel en met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding "sierteelt", "bomenteelt" en "tuinbouw";
Artikel 3.6.3
"De werken en werkzaamheden als bedoeld in:
[…];
c. lid 3.6.1 sub b, c, e, f, h en i zijn slechts toelaatbaar, indien door de uit te voeren werkzaamheden geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de landschappelijke of cultuurhistorische waarde dan wel de waterstaatkundige belangen van de gronden;
[…];"