202202778/1/R3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 2], wonend in Eastrum, gemeente Noardeast-Fryslân, en anderen, ook wel genoemd "Bezwaargroep Fietspad Súd Ie",
2. [appellant sub 2], wonend in Eastrum, gemeente Noardeast-Fryslân,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Noardeast-Fryslân,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 10 februari 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Fietspad Súd Ie" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben de bezwaargroep en [appellant sub 2] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Fietsersbond, afdeling Fryslân, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De bezwaargroep, [appellant sub 2] en de raad hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 december 2025, waar zijn verschenen:
- de bezwaargroep, bij monde van [appellant sub 2], bijgestaan door mr. P.J.J. Oosterling;
- [appellant sub 2], bijgestaan door mr. F. Krol-Postma, advocaat in Heerenveen;
- de raad, vertegenwoordigd door D. Keegstra, M. Moerman, R. de Groot en W. Hoeksma, bijgestaan door mr. T.D. Polak, advocaat in Groningen.
Daarnaast is op de zitting als partij gehoord de Fietsersbond, afdeling Fryslân, vertegenwoordigd door [gemachtigden].
Overwegingen
Omschrijving van het bestemmingsplan
1. De gemeente Noardeast-Fryslân werkt sinds 2013 samen met de provincie Fryslân en het Wetterskip Fryslân aan het uitvoeringsprogramma "Súd Ie en Wetterfront Dokkum". In de plantoelichting staat dat het doel van dit uitvoeringsprogramma is om de recreatieve verbindingen in het stroomgebied van de oude zeeslenk Súd Ie op te waarderen om recreatie en toerisme te bevorderen en ecologische en landschappelijke waarden te versterken. Het programma bestaat uit drie verschillende uitvoeringsfases. De eerste en tweede fasen zijn inmiddels afgerond en bestonden uit het op diepte brengen van het vaarwater van de Súd Ie, het op hoogte brengen van de bruggen over de Súd Ie ten behoeve van de bevaarbaarheid van de Súd Ie, de aanleg van vispassages en het ecologisch verrijken van de oevers. De derde en laatste fase bestaat uit het realiseren van een fietspad langs de vaarroute Súd Ie tussen Dokkum en Oostmahorn (Lauwersmeer). Het bestemmingsplan maakt de realisatie van dit fietspad mogelijk, inclusief twee recreatieve overstappunten en twee waterbelevingsstekjes, zijnde toeristisch-recreatieve rustpunten aan het water. De fietsverbinding is in totaal ongeveer 12 km. Hiervan wordt ongeveer 8 km nieuw fietspad gerealiseerd. De overige 4 km bestaat uit bestaande wegen.
De partijen in deze procedure
2. [appellant sub 2] heeft een individueel beroepschrift ingediend. Zij woont aan de [locatie] in Eastrum. De woning bevindt zich aan een doodlopende weg in het buitengebied. De woning van [appellant sub 2] ligt op dit moment solitair in de weilanden. Het nieuwe fietspad is aan de oostzijde rondom de woning voorzien. Aan de westzijde van de woning bevindt zich een watergang.
[appellant sub 2] betoogt dat het fietspad leidt tot een aantasting van haar woon- en leefklimaat. Zij wijst daarbij in het bijzonder op de solitaire ligging van haar woning midden in de polder. In de huidige situatie is volgens [appellant sub 2] sprake van een prikkelarme woonomgeving zonder enige voorbijgangers, afgezien van de gebruikers van de watergang aan de westzijde van haar perceel. Het nieuwe fietspad dat direct aangrenzend en rondom haar woonperceel is voorzien, heeft volgens [appellant sub 2] een enorme impact op haar woon- en leefklimaat en dan in het bijzonder op haar rust en privacy. Daarnaast wijst zij onder meer ook op de aspecten (verkeers-)veiligheid en de bescherming van de natuur, in het bijzonder de weidevogels.
3. [appellant sub 2] heeft daarnaast een tweede beroepschrift ingediend mede namens in totaal vijftien andere natuurlijke personen of agrarische bedrijven. Deze groep noemt zichzelf "Bezwaargroep Fietspad Súd Ie" en wordt in deze uitspraak aangeduid met "de bezwaargroep".
Van de personen en agrarische bedrijven die onderdeel zijn van de bezwaargroep, gaat het om verschillende belangen die in het geding zijn. Zo gaat het onder meer om de belangen om landbouwgronden te behouden, meestal voor de agrarisch bedrijfsvoering, en dus geen gronden te verliezen voor de aanleg van het fietspad.
Ook gaat het om de belangen dat het woon- en leefklimaat, in het bijzonder de privacy, en de verkeersveiligheid niet worden aangetast. Daarbij merkt de Afdeling op dat voor het merendeel van de deelnemers van de bezwaargroep geldt dat langs de woningen van deze deelnemers geen nieuw fietspad is voorzien, maar uitsluitend dat de al bestaande weg langs de woningen onderdeel wordt van de nieuwe fietsroute, waardoor zij meer wandelaars en fietsers langs de woning zullen ervaren. Van de deelnemers van de bezwaargroep geldt met name voor [appellant sub 2] dat langs een groot deel van haar woonperceel wel een nieuw fietspad is voorzien. Zij heeft, zoals hiervoor onder 2 is overwogen, ook zelfstandig beroep ingesteld en is de penvoerder van de bezwaargroep. Op de effecten van het fietspad op haar woonsituatie, gaat de Afdeling in deze uitspraak afzonderlijk in in overweging 38 en verder.
Tot slot geldt dat alle deelnemers van de bezwaargroep opkomen voor de negatieve gevolgen van het fietspad voor de weidevogels, zo heeft [appellant sub 2] namens de bezwaargroep op de zitting toegelicht.
4. Een groot deel van de beroepsgronden in het individuele beroepschrift van [appellant sub 2] komt overeen met wat de bezwaargroep, waarvan [appellant sub 2] penvoerder en ook onderdeel is, heeft aangevoerd. Wanneer in deze uitspraak wordt gesproken over de bezwaargroep, wordt daarmee ook het individuele beroepschrift van [appellant sub 2] bedoeld.
5. In deze procedure hebben zowel de Fietsersbond, afdeling Fryslân, als ook de Vereniging Dorpsbelang Anjum en omstreken zich als partij gemeld. Zij stellen dat er naast de tegenstanders die beroep hebben ingesteld tegen het bestemmingsplan, ook veel voorstanders zijn die graag zien dat het nieuwe fietspad wordt aangelegd. Volgens de Fietsersbond zijn de mogelijkheden voor fiets- en wandelrecreatie in de gemeente Noardeast-Fryslân beperkt en vormt de aanleg van het nieuwe fietspad langs de Súd Ie een van de weinige mogelijkheden om de toenemende recreatieve fietsers en wandelaars in de gemeente te faciliteren. Het fietspad geeft volgens de Fietsersbond invulling aan belangrijke ontbrekende schakels in het regionale fietsnetwerk. Op de zitting heeft de Fietsersbond benadrukt dat ook het deel van de nieuwe fietsroute dat langs de woning van [appellant sub 2] loopt, een belangrijk onderdeel vormt van de nieuwe fietsroute. Dat is zo, omdat dit deel van de fietsroute de bewoners van het dorp Eastrum de mogelijkheid geeft om met de fiets of te voet verkeersveilig te kunnen aansluiten op het nieuwe fietspad langs de Súd Ie.
De Vereniging Dorpsbelang Anjum en omstreken heeft in haar schriftelijke stukken benadrukt dat het fietspad de leefbaarheid in de regio en de lokale economie zal versterken.
Het toetsingskader, toepasselijk recht en de wijze van toetsing
6. De Afdeling zal in deze uitspraak de beroepsgronden beoordelen die de bezwaargroep en [appellant sub 2] naar voren hebben gebracht. Zoals hiervoor onder 4 al is overwogen, wordt in het vervolg van deze uitspraak met de bezwaargroep mede [appellant sub 2] bedoeld.
De beoordeling van de beroepsgronden vindt plaats aan de hand van het toetsingskader, zoals dat hierna onder 8 is weergegeven.
7. Wat betreft het toepasselijk recht, wijst de Afdeling erop dat op 1 januari 2024 de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking zijn getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 21 oktober 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
8. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
9. Over de wijze van toetsing door de Afdeling, overweegt de Afdeling verder het volgende.
9.1. De Afdeling stelt vast dat de bezwaargroep in de bestuurlijke fase voorafgaand aan de planvaststelling al veelvuldig contact heeft gehad met de raad en het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân, onder meer via het indienen van een zienswijze. Daarbij heeft (een deel van) de bezwaargroep op bestuurlijk niveau meerdere stukken ingediend, waaronder een feitenrelaas over het alternatievenonderzoek voor het tracé van het fietspad. Dat stuk is als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. Dit feitenrelaas is door de opsteller van het alternatievenonderzoek van een reactie voorzien, welke reactie ook als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. De Afdeling gaat in deze uitspraak niet in op de stukken die (een deel van) de bezwaargroep in eerdere bestuurlijke fasen voorafgaand aan de planvaststelling heeft ingediend, zoals de zienswijze met de daarbij behorende stukken en het feitenrelaas. De reden hiervoor is dat die stukken van een reactie zijn voorzien in onder meer de zienswijzennota, de plantoelichting en de bijlagen bij de plantoelichting. De Afdeling bespreekt in deze uitspraak uitsluitend de beroepsgronden zoals die door de bezwaargroep in het beroepschrift en de bij de Afdeling ingediende nadere stukken van de bezwaargroep naar voren zijn gebracht. De Afdeling zal daarbij ook ingaan op stukken uit eerdere bestuurlijke fasen, maar uitsluitend voor zover in het beroepschrift van de bezwaargroep of in nadien ingediende nadere stukken van de bezwaargroep concreet is aangegeven op welke punten de weerlegging daarvan in bijvoorbeeld de zienswijzennota onjuist is.
9.2. De Afdeling plaatst in dit verband vooraf ook een kanttekening. De Afdeling zal in deze uitspraak de beroepsgronden van de bezwaargroep uitsluitend inhoudelijk beoordelen als ten aanzien van die beroepsgronden belangen van de deelnemers van de bezwaargroep in het geding zijn. De Afdeling verwijst hierbij naar artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit artikel is bepaald dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Dat wordt ook wel het relativiteitsvereiste genoemd.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
De Afdeling zal dus de beroepsgronden van de bezwaargroep niet inhoudelijk bespreken, als die beroepsgronden geen verband houden met de belangen van de deelnemers van de bezwaargroep. Wanneer dat aan de orde is, dan zal de Afdeling dat in de uitspraak vermelden.
Planvoorbereiding en communicatie
10. De bezwaargroep betoogt dat de voorbereiding van het bestemmingsplan onzorgvuldig is geweest. Volgens de bezwaargroep hebben in de voorbereidingsfase geen openbaar toegankelijke informatieavonden plaatsgevonden, maar alleen presentaties bij ledenvergaderingen van dorpsbelangen van een aantal dorpen in de omgeving. Hierdoor hebben omwonenden die geen lid zijn van een dorpsbelang, niet de benodigde informatie ontvangen. Daarnaast was het aantal voorlichtingsmomenten volgens de bezwaargroep te beperkt. Al vanaf het begin van het proces hadden alle aanwonenden, eigenaren en pachters van gronden in de omgeving van het nieuwe fietspad in de gelegenheid moeten worden gesteld mee te denken over de plannen voor het nieuwe fietspad, onder meer over het conceptverslag van de tracéstudie. Na afronding van de tracéstudie heeft weliswaar een informatiebijeenkomst plaatsgevonden, maar daarbij was volgens de bezwaargroep uitsluitend sprake van eenrichtingsverkeer. De schriftelijke beantwoording van de gestelde vragen na afloop van de bijeenkomst was inhoudelijk te beperkt.
De bezwaargroep betoogt in dit verband ook dat de raad op 4 juni 2020 al heeft besloten akkoord te gaan met het voorkeurstracé voor het fietspad, zonder dat tegen dit besluit bezwaar of beroep openstond. Al vanaf dat moment zijn belanghebbenden buitenspel gezet en bestond geen mogelijkheid meer om alternatieven aan te dragen, zo stelt de bezwaargroep. Volgens de bezwaargroep was er ook sprake van slechte en ontbrekende communicatie, bijvoorbeeld een ontbrekende terugkoppeling na gevoerde gesprekken en geen bereidheid om mee te denken over alternatieven.
10.1. De Afdeling stelt voorop dat deze betogen van de bezwaargroep voor een deel betrekking hebben op de fase voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Het bieden van inspraak voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geregelde bestemmingsplanprocedure. Het wel of niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Dit kan anders zijn, wanneer een gemeentelijke inspraakverordening tot inspraakmogelijkheden verplicht. In dit geval geldt in de gemeente Noardeast-Fryslân een inspraakverordening, maar de Afdeling ziet in wat is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat in strijd met deze inspraakverordening is gehandeld. Daarbij wijst de Afdeling erop dat - daargelaten of de inspraakverordening daartoe verplicht - in dit geval ook een voorontwerp voor het bestemmingsplan ter inzage is gelegd.
Omdat de voorbereiding van het bestemmingsplan volgens de in de Wro en het Bro geregelde bestemmingsplanprocedure is verlopen, wat de bezwaargroep ook niet heeft bestreden, en daarnaast niet is gebleken dat zich strijd voordoet met de gemeentelijke inspraakverordening, ziet de Afdeling in de betogen van de bezwaargroep over de slechte en ontbrekende communicatie geen grond om tot vernietiging van het bestemmingsplan over te gaan. Dat de bezwaargroep zich in de procedure tot vaststelling van het bestemmingsplan niet gehoord heeft gevoeld, is geen omstandigheid die in algemene zin tot vernietiging van het bestemmingsplan kan leiden. Wel kan het gevoel van de bezwaargroep dat bijvoorbeeld geen bereidheid bestond om mee te denken over alternatieven, bij de inhoudelijke beoordeling van de overige beroepsgronden verder aan de orde komen. Zo zal de Afdeling in deze uitspraak de gemaakte tracékeuzes voor het fietspad beoordelen. Dit toetst de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden en het hiervoor onder 8 vermelde toetsingskader.
10.2. Wat betreft het besluit van de raad van 4 juni 2020, waarnaar de bezwaargroep specifiek verwijst, overweegt de Afdeling dat de raad in dit besluit weliswaar heeft ingestemd met het voorkeurstracé voor het fietspad Súd Ie, maar dat dit niet betekent dat de bezwaargroep over de tracékeuze niets naar voren heeft kunnen brengen. Dat heeft de bezwaargroep wel kunnen doen door bijvoorbeeld in te spreken in de raadsvergadering van 4 juni 2020. Ook heeft de bezwaargroep een inspraakreactie naar voren kunnen brengen over het voorontwerp voor het bestemmingsplan en een zienswijze naar voren kunnen brengen over het ontwerpbestemmingsplan. In de periode tussen 2020 en de planvaststelling hebben ook meerdere informatieavonden plaatsgevonden en is contact is geweest met onder meer verschillende grondeigenaren en pachters in de omgeving van het tracé, zo blijkt uit het verweerschrift. Bovendien laat het feit dat de raad in 4 juni 2020 heeft ingestemd met het voorkeurstracé onverlet dat in deze beroepsprocedure bij de Afdeling de gemaakte tracékeuzes in het bestemmingsplan nog steeds aan de orde kunnen komen en ook door de Afdeling zullen worden beoordeeld, als de beroepsgronden daartoe aanleiding geven.
10.3. De betogen van de bezwaargroep slagen niet.
De reden voor de aanleg van een nieuw fietspad
11. De bezwaargroep betoogt dat de begrippen "wens", "behoefte" en "noodzaak" in de onderbouwing voor de keuze van de aanleg van een nieuw fietspad langs de Súd Ie, ten onrechte door elkaar worden gebruikt. Volgens de bezwaargroep is er wellicht een "wens" om langs de Súd Ie te kunnen fietsen en wandelen, maar dat betekent volgens de bezwaargroep nog niet dat er ook een behoefte bestaat aan dit nieuwe fietspad. Van een noodzaak om dit nieuwe fietspad te realiseren is volgens de bezwaargroep in ieder geval geen sprake. Ter onderbouwing voert de bezwaargroep het volgende aan.
In de planstukken wordt weliswaar gesproken over een ontbrekende schakel in het regionale fietsroutenetwerk, maar volgens de bezwaargroep is daarvan geen sprake. Zo zijn er volgens de bezwaargroep al goede fietsverbindingen beschikbaar tussen Dokkum en Oostmahorn en zal de nieuwe fietsroute langs de Súd Ie geen ontbrekende verbindingen leggen, maar alleen parallellen van al bestaande verbindingen. Het fietsroutenetwerk rondom de Súd Ie heeft volgens de bezwaargroep al voldoende dekkingsgraad. De bezwaargroep heeft ter onderbouwing een overzicht overgelegd van de bestaande fiets- en wandelroutes in de omgeving van het plangebied.
De toegevoegde waarde van het nieuwe fietspad wordt volgens de bezwaargroep ook alleen verondersteld, maar is niet vastgesteld. Zo wordt in de stukken onder meer gesteld dat zonder de aanleg van het nieuwe fietspad een bepaalde recreatieve potentie niet zou worden behaald, maar dat is volgens de bezwaargroep niet onderbouwd. Dat geldt ook voor het veronderstelde gebruik van het fietspad. Het mogelijk maken van een extra schakel in het fietsroutenetwerk als aanvulling op de al bestaande fietsroutes, betekent niet dat het nieuwe fietspad ook daadwerkelijk een grote recreatieve meerwaarde heeft, zo betoogt de bezwaargroep. De bezwaargroep stelt in dit verband dat het nieuwe fietspad niet, of alleen beperkt, langs cultuurhistorisch waardevolle locaties is gesitueerd en bovendien "slechts" 12 km lang is en daarmee al binnen een uur met de fiets bereden is. Er is dan ook geen sprake van een belangwekkende belevingsroute, zo stelt de bezwaargroep.
Dat de gebruikers van het fietspad de Súd Ie beter kunnen beleven, vormt volgens de bezwaargroep ook een flinterdunne onderbouwing voor het nut en de noodzaak van het nieuwe fietspad. Zo is de nieuwe fietsroute langs de Súd Ie niet van invloed op de mogelijkheden voor het wisselen tussen varen en fiets en is de Súd Ie als vaarroute voor fietsers nauwelijks te beleven, omdat de watergang vanwege begroeiing, zoals hoog riet, grotendeels aan het zicht is onttrokken. Het landschap is met de nieuwe fietsroute dan ook niet beter te beleven, zo betoogt de bezwaargroep. Daarbij wijst de bezwaargroep er bovendien op dat de nieuwe fietsroute ook niet overal langs de Súd Ie loopt.
Alleen de "wens" voor een extra fietsroute langs de Súd Ie afgezet tegen de nadelige gevolgen van het fietspad voor het landschap, de landbouwgronden, weidevogelgebieden, verkeersveiligheid en het woon- en leefklimaat van omwonenden, dient volgens de bezwaargroep tot de conclusie te leiden dat van de aanleg van het fietspad moet worden afgezien. De bezwaargroep betoogt in dit verband ook dat de nieuwe fietsroute langs de Súd Ie juist nadelig kan zijn voor lokale (horeca-)ondernemers, omdat de bestaande fietsroutes wel langs deze ondernemingen zijn gelegen, maar de nieuwe fietsroute langs de Súd Ie niet. Daarnaast zal de nieuwe fietsroute volgens de bezwaargroep ook geen nieuwe bezoekers naar de regio trekken en daarmee geen extra inkomsten weten te genereren. De nieuwe fietsroute dient, anders dan wordt gesteld in de planstukken, dan ook geen economisch belang, zo betoogt de bezwaargroep.
Als de gemeente het fietsroutenetwerk had willen verbeteren, dan had volgens de bezwaargroep ook gekozen kunnen worden voor het opwaarderen van het bestaande fietsroutenetwerk door bestaande onverharde of semiverharde wegen in het gebied rondom de Súd Ie te verbeteren/asfalteren. De bezwaargroep heeft hier ook enkele voorstellen voor gedaan.
11.1. De Afdeling stelt vast dat de bezwaargroep zowel in de zienswijzefase als ook in beroep bij de Afdeling veel heeft aangevoerd over de volgens de bezwaargroep ontbrekende toegevoegde waarde van het nieuwe fietspad. De Afdeling stelt op dit punt echter voorop dat het niet aan de Afdeling is om over de toegevoegde waarde van het nieuwe fietspad haar oordeel in de plaats te stellen van dat van de raad, aan wie bij de te maken afwegingen bij de planvaststelling beleids- en beoordelingsruimte toekomt. Daarbij wijst de Afdeling erop dat voorafgaand aan de planvaststelling ten overstaan van de leden van de democratisch gelegitimeerde raad politieke discussies konden worden gevoerd over de gemaakte keuzes in het plan. Voor het voeren van deze politieke discussies is bij de Afdeling geen plaats. De Afdeling stelt in deze procedure ook niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden uitsluitend of de keuze van de raad om het nieuwe fietspad mogelijk te maken berust op voldoende kennis over de relevante feiten en belangen, of die keuze deugdelijk is gemotiveerd en of de nadelige gevolgen van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
In acht nemende de hiervoor beschreven wijze van toetsing door de Afdeling, is de Afdeling van oordeel dat de raad de keuze om tot de aanleg van een nieuw fietspad langs de Súd Ie over te gaan van een deugdelijke motivering heeft voorzien. Ter onderbouwing overweegt de Afdeling het volgende.
11.2. De aanleg van het nieuwe fietspad langs de Súd Ie heeft een tweeledige doelstelling, zo blijkt uit de dossierstukken, zoals de plantoelichting, en ook uit wat is besproken op de zitting.
11.3. Allereerst is er een toeristisch recreatieve doelstelling. De aanleg van het nieuwe fietspad is onderdeel van een breder ingestoken programma om het Lauwersmeersgebied in zowel toeristisch als sociaal economisch opzicht te versterken. Een uitgebreid netwerk aan fiets- en wandelpaden zal namelijk een impuls geven aan de landrecreatie in Fryslân, zo staat er in de planstukken. Volgens de raad vormt de nieuwe fietsroute langs de Súd Ie een belangrijk onderdeel van het versterken van het recreatieve fiets- en wandelroutenetwerk in het Lauwersmeersgebied, omdat deze nieuwe fietsroute twee recreatiekernen met elkaar verbindt, namelijk Dokkum en Oostmahorn. Met de fietsroute langs de Súd Ie ontstaat volgens de raad een aantrekkelijke fiets- en wandelverbinding tussen beide recreatiekernen, omdat het fietsen langs de Súd Ie als oude zeeslenk zorgt voor een unieke beleving van het open Waddenlandschap met (oorspronkelijke) kwelderwal en polders en ook zorgt voor een aantrekkelijke interactie tussen varen en fietsen.
De Afdeling acht dit recreatieve belang op zichzelf voldoende onderbouwd. Zo kan de Afdeling de raad volgen in zijn toelichting dat door de nieuwe fietsroute langs de Súd Ie te laten lopen, een vanuit landschappelijk oogpunt aantrekkelijke recreatieve fiets- en wandelroute ontstaat die van toegevoegde waarde is voor de recreatieve ontwikkeling in het Lauwersmeersgebied. De nieuwe fietsroute ligt weliswaar niet overal direct langs de Súd Ie, maar het merendeel van de fietsroute ligt wel langs of in de nabijheid van de Súd Ie. Dat de Súd Ie vanaf het fietspad, bijvoorbeeld door riet, wellicht niet overal direct zichtbaar zal zijn, laat onverlet dat de Afdeling de raad kan volgens in zijn standpunt dat een nieuw fietspad langs of in de omgeving van de historische zeeslenk de Súd Ie, een mogelijkheid biedt de kenmerkende elementen van het landschap van het Lauwersmeergebied beter te beleven en daarmee het gebied aantrekkelijker te maken voor de fiets- en wandeltoerist.
De Afdeling volgt de raad ook in zijn standpunt dat het huidige fiets- en wandelroutenetwerk op dit punt nog niet voldoende mogelijkheden biedt. In onder meer het rapport van Arcadis "Verkenning fietspad Súd Ie" uit april 2020, dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd, is onderzoek gedaan naar het huidige fiets- en wandelroutenetwerk in de omgeving van de Súd Ie. In de verkenning staat dat in het huidige fiets- en wandelroutenetwerk in de omgeving van de Súd Ie ontbrekende schakels zijn te ontdekken. Zo zijn er in de huidige situatie relatief veel fietsroutes met noord-zuidverbindingen haaks op de Súd Ie, maar ontbreekt een belevingsroute langs de Súd Ie. Dit is ook afgebeeld op de afbeelding op pagina 22 van de verkenning en op pagina 2 van het bij de plantoelichting gevoegde rapport van Sweco "Analyse gebruik fietspad Súd Ie" (de gebruiksanalyse). Zo is op deze twee afbeeldingen te zien dat ten noorden van het natuurgebied Eanjumer Kolken er geen oost-westfietsverbinding loopt langs de Súd Ie. Dit leidt er ook toe dat in de huidige situatie in dit deel van het gebied een fietsverbinding ontbreekt tussen de fietsknooppunten 47 en 13. Daarnaast ontbreekt ook een fietsverbinding langs de Súd Ie in de Jouswierpolder tussen Jouswier en Eastrum, met als gevolg dat om moet worden gefietst via onder andere de N358 richting Eastrum. De Afdeling kan de raad dan ook volgen in zijn standpunt dat met de aanleg van het nieuwe fietspad langs de Súd Ie een kortere, rechtstreekse verbinding mogelijk wordt gemaakt tussen de recreatiekernen Dokkum en Oostmahorn, waarbij deze nieuwe directe verbinding, vanwege de ligging langs de Súd Ie, vanuit landschappelijk en recreatief oogpunt een meerwaarde heeft.
11.4. De tweede doelstelling is een lokale doelstelling gericht op het verbeteren van de recreatiemogelijkheden van de lokale bewoners in de omliggende dorpen. In de dossierstukken staat dat het nieuwe fietspad een impuls geeft aan de leefbaarheid in de streek, doordat het fietspad ook veelvuldig zal worden gebruikt door lokale inwoners. Het nieuwe fietspad biedt volgens de raad voor de lokale inwoners namelijk meer mogelijkheden voor (kortere) fiets- en wandelrondjes in de omgeving over meer rustige wegen, onder meer omdat veel paden rond bijvoorbeeld het dorp Eastrum tijdens de laatste ruiverkaveling zijn verdwenen.
11.5. De Afdeling begrijpt uit de stukken van de bezwaargroep dat zij de toegevoegde waarde van een fietspad langs de Súd Ie, ondanks de hiervoor besproken tweeledige doelstelling van het fietspad, anders waardeert. Dit blijkt onder meer uit de door de bezwaargroep opgenomen afbeeldingen van bestaande fietsroutes in de omgeving, waarmee de bezwaargroep beoogt aan te tonen dat er geen sprake is van een gebrek in het huidige fietsroutenetwerk. Maar dit betekent niet dat de raad geen nieuw fietspad langs de Súd Ie heeft kunnen mogelijk maken. Er hoeft, anders dan de bezwaargroep betoogt, geen sprake te zijn van een gebrek in het huidige fietsroutenetwerk om dit bestemmingsplan te kunnen en mogen vaststellen. Ook het realiseren van een dichter en aantrekkelijker fietsnetwerk tussen de recreatieve hotspots Dokkum en Oostmahorn, waarmee de recreatieve en toeristische potenties van het Lauwersmeergebied beter worden benut en ook de recreatiemogelijkheden voor de lokale inwoners worden verbeterd, zijn belangen die de raad aan het bestemmingsplan ten grondslag heeft mogen leggen. Hiervoor is bijvoorbeeld niet vereist dat het plan ook aantoonbaar leidt tot meer cultuur- en natuurtoerisme en daarmee mogelijk tot meer inkomsten in de regio, zoals de bezwaargroep betoogt.
11.6. De betogen slagen niet.
11.7. Het voorgaande laat onverlet dat de raad de effecten van het nieuwe fietspad op de omgeving, zoals omwonenden en omliggende agrarische bedrijven, als ook op de natuur en de verkeersveiligheid bij de planvaststelling moet onderzoeken en in de afweging van de belangen moet te betrekken. Daar zal de Afdeling hierna aan de hand van de betogen van de bezwaargroep nader op ingaan. Daaraan voorafgaand zal de Afdeling eerst de betogen bespreken, die betrekking hebben op mogelijke alternatieve tracéliggingen van het fietspad.
De tracéligging en alternatieven
12. In het onderstaande zal de Afdeling nader ingegaan op beroepsgronden van de bezwaargroep over de alternatieve tracéliggingen voor het nieuwe fietspad. Daarbij gaat de Afdeling eerst in op het zoekgebied in het geheel (overwegingen 13 tot en met 13.4), om vervolgens nader in te gaan op de verschillende deelgebieden van het tracé (overwegingen 14 tot en met 23.5). De Afdeling merkt hierbij vooraf op dat zij, zoals hiervoor onder 9.1 is overwogen, niet ingaat op stukken uit de inspraak- en zienswijzenfase, zoals het feitenrelaas van (een deel van) de bezwaargroep, dat ook als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. De Afdeling beperkt zich tot wat in het beroepschrift en de bij de Afdeling ingediende nadere stukken van de bezwaargroep concreet over de alternatieven naar voren is gebracht.
De omvang van het totale zoekgebied
13. De bezwaargroep betoogt dat een te beperkt zoekgebied is gehanteerd, waardoor alternatieven voor de ligging van de nieuwe fietsverbinding tussen Dokkum en Oostmahorn ten onrechte niet zijn onderzocht. In bijlage F bij het beroepschrift heeft de bezwaargroep het gekozen tracé vergeleken met alternatieven over bestaande wegen zowel ten noorden als ten zuiden van de Súd Ie. Uit de tracévergelijking opgenomen in bijlage F blijkt volgens de bezwaargroep dat de alternatieven over de bestaande wegen beter voldoen aan het in de tracéstudie gehanteerde afwegingskader dan het gekozen tracé langs de Súd Ie. Zo betoogt de bezwaargroep onder meer dat het gekozen tracé langs de Súd Ie dwars door een weidevogelkansgebied loopt en daarmee grote nadelige effecten heeft voor weidevogels. Met het verleggen van het tracé naar de bestaande wegen kunnen deze nadelige effecten worden weggenomen, zo stelt de bezwaargroep.
In een nader stuk betoogt de bezwaargroep in dit verband dat de raad weliswaar stelt dat bij het gekozen tracé de ligging langs de Súd Ie centraal staat, maar dit mist volgens de bezwaargroep feitelijke grondslag. Ter onderbouwing betoogt de bezwaargroep dat, gezien vanuit Lauwersmeer richting Dokkum, het laatste deel van het tracé nabij Dokkum, ook wel genoemd deeltracé 5, geen enkel raakvlak heeft met de Súd Ie. Het gaat dan om het deel dat op de afbeelding op pagina 22 van de verkenning als de "missing link Dokkum" wordt aangeduid. Hetzelfde geldt volgens de bezwaargroep voor de deeltracés 3 en 4. Ook bij die deelgebieden ligt het gekozen tracé niet geheel langs de Súd Ie, zo stelt de bezwaargroep. Bovendien blijkt volgens de bezwaargroep uit de wijze waarop de verschillende tracévarianten in de verkenning zijn gewaardeerd niet dat aan de ligging langs de Súd Ie een zwaarder gewicht toekomt dan aan andere beoordelingscriteria.
13.1. De door de bezwaargroep aangedragen alternatieven over de bestaande wegen langs het gehele tracé, ook wel genoemd de "route over bestaande wegen noord" en de "route over bestaande wegen zuid", liggen blijkens de door de bezwaargroep overgelegde afbeelding van deze alternatieven op ruime afstand van de Súd Ie. Het gaat op sommige delen om een afstand van ruim 1 km vanaf de Súd Ie. De Afdeling volgt de raad in zijn standpunt dat met zo’n ruime afstand van een relatie met de Súd Ie geen sprake meer is, waarmee deze alternatieven niet beantwoorden aan de doelstelling van het project. De doelstelling van het project is namelijk, zoals hiervoor onder 11.3 ook is overwogen, om een recreatieve fietsverbinding langs de Súd Ie te realiseren tussen Dokkum en Oostmahorn om zo een in de visie van de raad unieke fietsbeleving langs het water te realiseren, waarmee ook de kenmerkende elementen van het landschap van het Lauwersmeergebied beter kunnen worden beleefd. In de zienswijzennota staat in dit verband onder meer: "Het fietspad creëert langs de Súd Ie samenhang tussen land en water. Deze samenhang, het kunnen beleven van het landschap, in relatie tot de recreatievaart, was een belangrijk afwegingscriterium bij het bepalen van het voorkeurstracé van het fietspad. Het pad biedt de mogelijkheid de kenmerkende elementen van het unieke landschap beter te beleven." Deze recreatieve betekenis van het nieuwe fietspad wordt wellicht door de bezwaargroep van andere betekenis gezien, maar dat laat onverlet dat de raad de keuze voor de ligging van het fietspad langs de Súd Ie naar het oordeel van de Afdeling van een deugdelijke motivering heeft voorzien en daarmee ook voldoende heeft onderbouwd waarom de alternatieven "route over bestaande wegen noord" en "route over bestaande wegen zuid" geen in aanmerking te nemen alternatieven zijn.
Dat het nieuwe fietspad een weidevogelkansgebied doorsnijdt, is op zichzelf juist, maar ook dat betekent niet dat daarom het bestemmingsplan niet kon worden vastgesteld. De effecten van het nieuwe tracé op het weidevogelkansgebied komen in het vervolg van deze uitspraak onder 24 en verder aan de orde. Of de doorsnijding van het weidevogelkansgebied voor de raad aanleiding had moeten vormen om andere alternatieven te onderzoeken of van de vaststelling van het bestemmingsplan af te zien, komt onder 24 en verder van de uitspraak, en dan in het bijzonder onder 27.2, aan de orde.
13.2. Dat delen van het tracé niet geheel direct langs de Súd Ie zijn gelegen, betekent ook niet dat de doelstelling van het project feitelijke grondslag mist, zoals de bezwaargroep betoogt. De raad stelt terecht dat het merendeel van het tracé wel langs of op korte afstand van de Súd Ie ligt. Uit de verkenning blijkt, anders dan de bezwaargroep betoogt, ook niet dat aan de relatie met de Súd Ie geen zwaar gewicht zou zijn toegekend. In de verkenning zijn varianten onderzocht die steeds zoveel mogelijk recht doen aan de gewenste koppeling met de Súd Ie en daar ook op korte afstand van liggen. De Afdeling verwijst op dit punt ook naar de reactie van Arcadis op de kritiek van de bezwaargroep op de verkenning, welke reactie als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd.
Voor zover de betogen daartoe aanleiding geven, zal de Afdeling hierna nog nader ingaan op de gemaakte keuzes voor verschillende delen van het tracé. Dat geldt onder meer voor de gemaakte tracékeuzes in het laatste deel richting Dokkum, ook wel de tracévarianten 5a en 5b genoemd en de daarbij genoemde "missing link Dokkum". Daar wordt hierna bij overweging 20 en verder op ingegaan.
13.3. Om dezelfde reden als hiervoor onder 13.1 is weergegeven, ziet de Afdeling ook geen grond om in te gaan op de door de bezwaargroep aangedragen alternatieven "Y" en "Z" en de vergelijkbare alternatieven "a" en "b" ten noorden en ten zuiden van de N361, zoals die zijn weergegeven in het nadere stuk van de bezwaargroep. Ook die alternatieven liggen op ruime afstand van de Súd Ie.
13.4. De betogen slagen niet.
Varianten deeltracés 1 en 2
14. Deeltracé 1 van het fietspad is de verbinding van Ezumazijl naar Saatsenwei. Deeltracé 2 van het fietspad is de verbinding van Saatsenwei naar Kriensenswei.
Voor deeltracé 1 zijn in de verkenning geen varianten onderzocht. De fietsroute volgt op dit deeltracé de zuidoever van Súd Ie.
Voor deeltracé 2 zijn in de verkenning drie varianten onderzocht. Een variant via de noordoever van de Súd Ie (variant 2), een variant via de zuidoever van de Súd Ie (variant 2a) en een variant over bestaande wegen (variant 2b). In het vastgestelde bestemmingsplan is gekozen voor variant 2 via de noordoever van de Súd Ie.
15. De bezwaargroep betoogt primair dat zowel voor zowel deeltracé 1 als deeltracé 2 de variant over de bestaande wegen verreweg de beste score oplevert. De route kan dan zowel bij deeltracé 1 als bij deeltracé 2 over de bestaande Monnikhústerwei worden geleid. De Monnikhústerwei is volgens de bezwaargroep geschikt te maken als onderdeel van de nieuwe fietsroute. Dit voorkomt niet alleen een aantasting van de landbouwgronden, maar ook dat een ingewikkelde landschapontsierende constructie nodig is, zoals nu in het bestemmingsplan is voorzien om deeltracé 1 aan te sluiten op deeltracé 2, zo stelt de bezwaargroep.
15.1. Op dit punt stelt de Afdeling voorop dat zij de betogen van de bezwaargroep over de landschapontsierende constructie om deeltracé 1 te kunnen aansluiten op deeltracé 2 niet inhoudelijk zal bespreken. Niet gebleken is namelijk dat op dit punt belangen van de deelnemers van de bezwaargroep in het geding zijn. Zo heeft de bezwaargroep desgevraagd op de zitting niet kunnen concretiseren of een van de deelnemers van de bezwaargroep daadwerkelijk zicht zal hebben op deze volgens hen landschapontsierende constructie, of welke andere eigen belangen van de bezwaargroep op dit punt in het geding zijn. De Afdeling verwijst in dit verband naar wat hiervoor onder 9.2 over het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste is overwogen.
15.2. Wat betreft de belangen van de bezwaargroep die zijn gelegen in het voorkomen van een aantasting van de landbouwgronden, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat deze belangen voor de raad reden hadden moeten vormen de deeltracés 1 en 2 van nieuwe fietspad over de bestaande wegen te leggen. De variant via de bestaande wegen is voor deeltracé 2 onderzocht in de verkenning (variant 2b). In de verkenning staat dat variant 2b een minder logische fietsroute vormt, geen toegevoegde waarde oplevert voor de beleving van het landschap en de cultuurhistorische waarden en ook geen meerwaarde oplevert voor de voorzieningen van de waterrecreatie. Dit is zo, omdat de variant verder van de Súd Ie ligt. Ook op verkeersveiligheid scoort variant 2b volgens de verkenning zeer negatief, omdat de bestaande wegen waarover deze variant loopt gemiddeld maar 3 m breed zijn met weinig uitwijkmogelijkheden.
De bezwaargroep stelt weliswaar dat aanpassingen aan de bestaande wegen mogelijk zijn, waardoor de verkeersveiligheid kan worden gegarandeerd, maar dat laat onverlet dat het aan de raad is om op dit punt een afweging te maken. De hiervoor beschreven landschappelijke en cultuurhistorische belangen die zijn verbonden met een ligging van het fietspad op korte afstand van de Súd Ie, hebben voor de raad de reden mogen vormen om niet te kiezen voor een ligging van de deeltracés 1 en 2 over de bestaande wegen. Een vrijliggend fietspad nabij de Súd Ie heeft bovendien ook vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid een meerwaarde in vergelijking met het gebruiken van bestaande wegen. De Afdeling begrijpt dat de bezwaargroep graag de voorkeur geeft aan een variant waarbij landbouwgronden onaangetast blijven, maar het is aan de raad om op dit punt een belangenafweging te maken en die belangenafweging acht de Afdeling niet onevenredig. Daarbij verwijst de Afdeling ook naar wat hierna onder 36 en verder over de belangen van de agrariërs is overwogen.
15.3. Het betoog slaagt niet.
16. Wanneer de variant over de bestaande wegen voor de deeltracés 1 en 2 niet mogelijk is, wenst de bezwaargroep dat wat betreft deeltracé 2 zou zijn gekozen voor variant 2a, waarbij het fietspad over de zuidoever van de Súd Ie was gelegd, in plaats van de gekozen variant 2, waarbij het fietspad over de noordoever van de Súd Ie loopt. De bezwaargroep betoogt dit met het oog op het voorkomen van doorsnijding van landbouwgrond van deelnemers van de bezwaargroep.
De bezwaargroep betoogt in dit verband dat bij de afweging om niet te kiezen voor variant 2a ten onrechte een zwaar gewicht is toegekend aan behoud van het rustgebied rondom de eendenkooien in het ten zuiden van deeltracé 2a gelegen natuurgebied Eanjumer Kolken. Van een rustgebied rondom de eendenkooien is volgens de bezwaargroep geen sprake, onder meer vanwege de in de huidige situatie al aanwezige predatoren in de omgeving van de eendenkooien.
16.1. In de verkenning staat dat variant 2a als zeer negatief is beoordeeld op met name de gevolgen voor de natuurwaarden. Het tracé valt namelijk binnen het natuurgebied Eanjumer Kolken. Het aantal broedvogels dat in de omgeving is geteld is hoog, waardoor de verstoring van de natuurwaarden in de Eanjumer Kolken ook hoog zal zijn, zo staat in de verkenning. Met name deze negatieve effecten op de natuurwaarden hebben voor de raad de reden gevormd om niet te kiezen voor variant 2a, zo heeft de raad op de zitting toegelicht. Het is weliswaar juist, zoals de bezwaargroep betoogt, dat in de verkenning bij de nadelige effecten van variant 2a ook is gewezen op het rustgebied rondom de eendenkooien in het natuurgebied Eanjumer Kolken, maar daargelaten de vraag of rondom die eendenkooien daadwerkelijk sprake is van een rustgebied - wat de bezwaargroep bestrijdt - blijft het feit dat variant 2a dichter in het natuurgebied Eanjumer Kolken ligt. Hiermee heeft variant 2a volgens de raad meer negatieve effecten op de natuurwaarden in dit gebied dan variant 2.
Daarnaast heeft de raad op de zitting toegelicht dat de keuze voor variant 2 ook meer voor de hand ligt, omdat het fietspad dan de route van een al langere tijd bestaand wandelpad kan volgen dat ten noorden van de Súd Ie ligt. Bovendien biedt het gebruikmaken van dit wandelpad gelijktijdig de mogelijkheid de dijk waarop zich het wandelpad bevindt, te verbreden en te versterken. Dat heeft volgens de raad ook voordelen uit een oogpunt van waterhuishoudkundige belangen. De dijk moet volgens de raad namelijk worden versterkt als gevolg van de bodemdaling door de gaswinning.
Zowel de natuurbelangen als ook de voordelen om het bestaande wandelpad te volgen ten noorden van de Súd Ie, hebben voor de raad de doorslaggevende redenen gevormd om te kiezen voor variant 2 in plaats van variant 2a. De negatieve effecten voor de natuur zijn ook de reden waarom er geen draagvlak is voor variant 2a bij It Fryske Gea, de beheerder van het natuurgebied Eanjumer Kolken, zo staat in de verkenning. De bezwaargroep betoogt weliswaar dat voor variant 2 via de noordoever van de Súd Ie daarentegen ook geen draagvlak bestaat bij de agrarische grondeigenaren en dat ten onrechte meer gewicht wordt toegekend aan het belang van It Fryske Gea, maar dat betekent niet dat de belangenafweging van de raad onevenredig is. De raad heeft op dit punt meer gewicht mogen toekennen aan onder meer het voorkomen van verdere natuurverstoring afgezet tegen de belangen van agrariërs om doorsnijden van hun landbouwgronden te voorkomen. De Afdeling verwijst in dit verband ook naar onderstaande overweging 36 en verder waar de Afdeling nader de belangen van de agrariërs zal ingaan.
16.2. De betogen slagen niet.
Varianten deeltracé 3
17. Deeltracé 3 van het fietspad is de verbinding van Kriensenswei naar Reidswâl. Voor deeltracé 3 zijn wederom drie varianten onderzocht, namelijk via de noordoever van de Súd Ie (variant 3), via de zuidoever van de Súd Ie (variant 3a) en via de bestaande wegen Weardwei, Kleasterwei en Keechsdyk (variant 3b). In het vastgestelde bestemmingsplan is gekozen voor variant 3b via de bestaande wegen. Hierover zijn door de bezwaargroep geen kritiekpunten naar voren gebracht. De bezwaargroep heeft in het licht van deeltracé 3 uitsluitend naar voren gebracht dat gelet op de omstandigheid dat bij deeltracé 3 wel is gekozen voor een route via bestaande wegen op enige afstand van de Súd Ie, het onbegrijpelijk is dat niet ook bij anderé deeltracés, is gekozen voor een route via de bestaande wegen. Voor de deeltracés 1 en 2 is de Afdeling daar hiervoor onder 15 en verder al op ingegaan. Voor de andere deeltracés zal de Afdeling dat hierna in het licht van de betogen van de bezwaargroep nader bespreken.
Varianten deeltracé 4
18. Deeltracé 4 van het fietspad is de verbinding van de Reidswâl naar de Mellemawei/Tichelwei. Ook voor dit deeltracé zijn in de verkenning drie varianten onderscheiden, namelijk een variant langs de zuidoever van de Súd Ie (variant 4), een variant via de bestaande weg Bergsmawei door het dorp Jouswier (variant 4a), waarbij het tracé van variant 4a na het dorp Jouswier weer richting de Súd Ie gaat om vervolgens de zuidoever van de Súd Ie te volgen net als bij variant 4, en tot slot de derde variant langs natuurgebied Jouswierpolder (variant 4b). In het vastgestelde bestemmingsplan is gekozen voor variant 4a, waarbij het tracé via de bestaande weg Bergsmawei door het dorp Jouswier loopt en vervolgens weer langs de zuidoever van de Súd Ie. Het gekozen deeltracé loopt door het dorp Jouswier, omdat het volgens de verkenning als een fraaie recreatieve route wordt gezien om door dit dorp te fietsen, vanwege de cultuurhistorische waarden van het dorp en de landschappelijke waarden van het ook nabij het dorp gelegen natuurgebied Jouswierpolder. Na het dorp Jouswier volgt deeltracé 4 weer de route langs de Súd Ie.
19. Ten aanzien van deeltracé 4 wijst de bezwaargroep erop dat met de keuze voor variant 4a het tracé van het nieuwe fietspad niet geheel langs de Súd Ie loopt. De route loopt namelijk deels door het dorp Jouswier om pas daarna weer de route langs de Súd Ie te volgen. Ook dit toont volgens de bezwaargroep aan dat de ligging van het fietspad langs de Súd Ie, net als bij deeltracé 3, kennelijk toch niet van doorslaggevend belang wordt geacht. Daarvan uitgaande had er volgens de bezwaargroep net zo goed voor kunnen worden gekozen om ook deeltracé 4, net als deeltracé 3, geheel over de bestaande wegen te situeren via Mitselwier of via Eastrum. Dit heeft onder meer als voordelen dat geen landbouwgronden worden doorsneden en geen verstoring plaatsvindt van de weidevogels in het nabij deeltracé 4 gelegen natuurgebied Jouswierpolder, zo betoogt de bezwaargroep.
19.1. De Afdeling stelt voorop dat, anders dan de bezwaargroep betoogt, het niet zo is bij de keuze voor de ligging van het fietspad geen zwaarwegend belang is toegekend aan de ligging van het fietspad langs de Súd Ie. Dat is wel het geval, zoals hiervoor bij onder meer overweging 11.3 in het licht van de doelstelling van het fietspad is toegelicht. Zoals in die overweging ook is overwogen, loopt de nieuwe fietsroute weliswaar niet overal direct langs de Súd Ie, maar ligt het merendeel van de fietsroute wel degelijk langs of in de nabijheid van de Súd Ie. Zo liggen de deeltracés 1 en 2 direct langs of in de directe nabijheid van de Súd Ie. Dat geldt ook voor deeltracé 4, met uitzondering van het deel van het tracé ter hoogte van het dorp Jouswier, maar daar liggen cultuurhistorische redenen aan ten grondslag, zoals hiervoor onder 18 is toegelicht.
19.2. Wat betreft deeltracé 3, waar de bezwaargroep ter vergelijking naar verwijst, is hiervoor onder 17 overwogen dat dit deeltracé inderdaad de bestaande wegen volgt en dus niet langs de noord- of zuideroever van de Súd Ie loopt. In de verkenning staat dat varianten via de noord- en zuidoever van de Súd Ie bij deeltracé 3 negatief scoren wat betreft het effect op de natuur. Dit vanwege de ligging binnen weidevogelkansgebied en ganzenfoerageergebied. Ook scoren deze varianten volgens de verkenning negatief wat betreft de doorlooptijd en investeringskosten vanwege verschillende grondeigenaren en het grote aantal kunstwerken en duikers dat nodig is om sloten en opvaarten te kruisen. Verder is volgens de verkenning een complexere ingreep nodig vanwege een hogere ligging van de kwelderwal ter plaatse. Daarom is in de verkenning geconcludeerd dat de route over de bestaande wegen wat betreft deeltracé 3 duidelijk minder negatieve effecten heeft.
19.3. Het feit dat voor deeltracé 3 is gekozen voor een route over bestaande wegen betekent niet dat automatisch ook voor deeltracé 4 een route over bestaande wegen in plaats van langs de Súd Ie had moet worden gekozen. Daar is steeds een afweging per deeltracé voor nodig, ook in het licht van de doelstellingen van het nieuwe fietspad, welke doelstellingen hiervoor onder 11.3 en 11.4 zijn besproken.
De Afdeling ziet in wat de bezwaargroep naar voren heeft gebracht, geen aanleiding voor het oordeel dat de keuze van de raad voor de ligging van deeltracé 4 onevenredig is. Dat de gekozen route voor deeltracé 4 volgens de bezwaargroep negatieve effecten heeft op weidevogels en agrarische bedrijven vanwege doorsnijding van landbouwgrond, heeft voor de raad, mede gelet op de doelstellingen van het nieuwe fietspad, geen grond hoeven vormen af te zien van deze tracéligging. De Afdeling verwijst op deze punten naar wat hierna onder 24 en verder (weidevogels) en onder 36 en verder (doorsnijding landbouwgronden) is overwogen. Daarbij overweegt de Afdeling ook dat de raad terecht stelt dat het alternatieve voorstel van de bezwaargroep om deeltracé 4 geheel over de bestaande wegen te situeren via Mitselwier of via Eastrum tot gevolg heeft dat het fietspad op nog veel ruimere afstand van de Súd Ie komt te liggen dan bij deeltracé 3. De Afdeling verwijst in dit verband ook terug naar wat hiervoor onder 13.1 tot met 13.3 over alternatieve tracéligging op ruime afstand van de Súd Ie is overwogen.
19.4. De betogen slagen niet.
Varianten deeltracé 5
20. Deeltracé 5 van het fietspad is het laatste deel richting Dokkum. Voor dit deeltracé zijn in de verkenning twee onderdelen onderzocht, onderdeel 5a en onderdeel 5b.
Onderdeel 5a vormt een aftakking aan het einde van deeltracé 4, vanaf de zuidoever van de Súd Ie in zuidelijke richting. Bij onderdeel 5a gaat het voor een klein deel om een nieuw fietspad vanaf de Súd Ie in zuidelijke richting om vervolgens aan te sluiten op de bestaande Tichelwei. De bestaande Tichelwei is via fietsknooppunt 11 in oostelijke richting verbonden met Eastrum en in westelijke richting verbonden met Dokkum.
Onderdeel 5b vormt een aftakking halverwege deeltracé 4, ook vanaf de zuidoever van de Súd Ie in zuidelijke richting. Onderdeel 5b bestaat vanaf de Súd Ie eerst uit een nieuw fietspad om vervolgens langs de woning van onder meer [appellant sub 2] aan te sluiten op de bestaande Mellemawei, welke weg leidt naar het dorp Eastrum.
Onderdeel 5a en onderdeel 5b zijn beide opgenomen in het bestemmingsplan.
- Deeltracé 5a
21. Wat betreft deeltracé 5a betoogt de bezwaargroep dat het gezien de doelstellingen van het project, namelijk het realiseren van een fietsverbinding langs de Súd, onbegrijpelijk is dat aan het einde van deeltracé 4 het nieuwe fietspad niet verder langs de Súd Ie is geprojecteerd richting Dokkum, maar juist vanaf de Súd Ie in zuidelijke richting. Deeltracé 5a heeft hierdoor geen enkel raakvlak meer met de Súd Ie, zo betoogt de bezwaargroep. De bezwaargroep wijst er hierbij ook op dat in de verkenning wordt gesproken over de "missing link Dokkum". Deze missing link had kunnen worden opgelost door aan het einde van deeltracé 4 het fietspad verder langs de Súd Ie te situeren richting Dokkum. Het is volgens de bezwaargroep onduidelijk waarom hiernaar geen onderzoek is verricht. Daarbij wijst de bezwaargroep erop dat in het door (een deel van) de bezwaargroep opgestelde feitenrelaas al eerder de zogenoemde variant "S" is aangedragen. Dit is een variant waarbij het fietspad vanaf deeltracé 4 langs de Súd Ie via de zogenoemde "missing link Dokkum" Dokkum bereikt. In de reactie op dit feitenrelaas wordt volgens de bezwaargroep ten onrechte gesteld deze variant op voorhand niet realistisch is binnen het beschikbare budget. Een langer tracé hoeft niet te betekenen dat dit financieel niet haalbaar is, zo stelt de bezwaargroep.
Op de zitting heeft de bezwaargroep over de keuze voor deeltracé 5a verder toegelicht dat de effecten van dit deeltracé op zichzelf niet heel bezwaarlijk zijn, omdat het merendeel van dit tracé de bestaande weg, namelijk de Tichelwei, volgt. Kritiek wat betreft de effecten van dit tracé ziet volgens de bezwaargroep met name op de hinder voor de bedrijfsvoering van een aan de Tichelwei gevestigd agrarisch bedrijf, welk bedrijf ook onderdeel is van de bezwaargroep. Gevreesd wordt dat het fietsverkeer op deeltracé 5a zal conflicteren met het zware landbouwverkeer. Gelet hierop had er volgens de bezwaargroep voor moeten worden gekozen het landbouwverkeer te scheiden van de fietsers, namelijk door langs een deel van de Tichelwei een vrij liggend fietspad naast de weg aan te leggen en door voor een deel van de Tichelwei het landbouwverkeer via een apart betonnen pad het weiland in te leiden.
21.1. De Afdeling stelt vast dat in de reactienota over het fietspad Súd Ie van 6 mei 2020 staat dat het financieel niet haalbaar is om binnen de financiële kaders van de beschikbaar gestelde subsidie(s) voor de realisatie van het fietspad, een verbindingsroute voor fietsers ter hoogte van knooppunt 11 langs de Súd Ie door te trekken tot in Dokkum. Dit omdat er geen betaalbare voorziening mogelijk is om de Lauwersseewei (N361) ter hoogte van de verkeersbrug in de Centrale As over te steken. Bij de ontwikkeling van de Centrale As is toen namelijk geen rekening gehouden met een fietstunnel onder de N361. Hierdoor is deze variant op voorhand financieel gezien niet haalbaar, zo staat in de reactienota. Het is, anders dan de bezwaargroep betoogt, dus niet zo dat alleen de lengte van het tracé ten grondslag ligt aan de conclusie dat het financieel niet haalbaar is om het fietspad aan het einde van deeltracé 4 langs de Súd Ie tot aan Dokkum door te trekken. De financiële onhaalbaarheid van deze ligging van het fietspad houdt verband met de hoge kosten om de Lauwersseewei (N361) te kunnen kruisen. De Afdeling ziet geen grond om te twijfelen aan de conclusie van de raad dat de kosten hiervan, onder meer vanwege de benodigde fietstunnel, zo hoog zijn dat dit financieel niet haalbaar is. De Afdeling betrekt hierbij ook de omstandigheid dat de financiële haalbaarheid van het project afhankelijk is van subsidies. Daarbij merkt de Afdeling op dat ook wanneer het fietspad vanaf het einde van deeltracé 4 niet meer de Súd Ie volgt, het merendeel van het fietspad nog wel langs of in de nabijheid van de Súd Ie is gelegen, zoals hiervoor onder meer onder 19.1 is overwogen, en dat in zoverre van een afbreuk aan de doelstelling van het project geen sprake is.
21.2. Voor het oordeel dat de raad niet voor de ligging van deeltracé 5a had mogen kiezen, ziet de Afdeling bovendien ook geen grond gezien de omstandigheid dat de bezwaargroep zelf op de zitting heeft gemeld dat de effecten van dit deeltracé op zichzelf niet heel bezwaarlijk zijn. De bezwaargroep heeft wat betreft deze effecten gewezen op de verkeersveiligheidseffecten, vanwege de vermenging van landbouwverkeer met de fietsers op dit deeltracé. Deze effecten heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling voldoende in kaart gebracht en het besluit op dit punt van een deugdelijke motivering voorzien. De Afdeling verwijst naar wat hierna onder 33 en verder over het aspect verkeersveiligheid is overwogen. Gelet op wat daar is overwogen, ziet de Afdeling ook geen grond voor het oordeel dat de raad nader onderzoek had moeten doen naar de door de bezwaargroep aangedragen mogelijkheden in de vorm van een vrij liggend fietspad en een betonnen pad voor alleen landbouwverkeer om zo de verkeersveiligheid bij deeltracé 5a verder te verbeteren.
21.3. De betogen slagen niet.
- Deeltracé 5b
22. Op deeltracé 5b hebben naast de beroepsgronden van de bezwaargroep, in het bijzonder de individuele beroepsgronden van [appellant sub 2] betrekking. Deeltracé 5b is, afgezien van de westzijde van de woning van [appellant sub 2] waar zich een watergang bevindt, namelijk volledig om de woning van [appellant sub 2] gelegen. In met name het beroepschrift van [appellant sub 2] zijn alternatieven aangedragen voor de ligging van deeltracé 5b. Maar op de zitting heeft [appellant sub 2] verklaard dat deze alternatieven bij nader inzien niet haalbaar of wenselijk zijn, gelet op de belangen van andere omwonenden en de belangen om een aantasting van met name weidevogels te voorkomen. Daarom zal de Afdeling deze alternatieven niet in de uitspraak bespreken.
Op de zitting heeft [appellant sub 2] zich mede namens de bezwaargroep beperkt tot haar primaire beroepsgrond, namelijk dat deeltracé 5b volledig moet komen te vervallen. Hiervoor heeft zij verschillende argumenten aangedragen, die de Afdeling hierna zal beoordelen. De Afdeling gaat daarbij niet opnieuw in op de betogen dat in plaats van deeltracé 5b het fietspad, mede gezien de doelstellingen van het project, ook langs de Súd Ie kan worden gerealiseerd. Daar is de Afdeling hiervoor onder 21.1 bij deeltracé 5a al op ingegaan. Dat geldt ook voor de betogen dat in plaats van de deeltracés 5a en 5b het fietspad ook geheel over de bestaande wegen kan worden gesitueerd via Mitselwier of via Eastrum. Hiervoor verwijst de Afdeling terug naar de overwegingen 13.1 tot met 13.3 en 19.3.
23. Ter onderbouwing van het betoog dat deeltracé 5b volledig moet komen te vervallen, betoogt de bezwaargroep mede namens [appellant sub 2] primair dat met het al realiseren van deeltracé 5a, deeltracé 5b overbodig is. In dit verband betoogt de bezwaargroep dat de raad zich met het realiseren van zowel deeltracé 5a als deeltracé 5b niet houdt aan de opdracht dat moet worden gekozen voor één voorkeurstracé.
In de bij de plantoelichting gevoegde verkenning staat weliswaar staat dat deeltracé 5b een recreatieve meerwaarde heeft voor de lokale bewoners van het dorp Eastrum, maar dit is volgens de bezwaargroep een nieuw criterium dat geen relatie heeft met het doel van het project, namelijk het uit toeristisch oogpunt realiseren van een fietsverbinding langs de Súd Ie. Ook zal deeltracé 5b niet zorgen voor meer toeristen en daarmee geen economisch belang dienen. Dit is ook zo gezien de omstandigheid dat er geen bedrijven langs deeltracé 5b zijn gevestigd die belang hebben bij meer fietsers/wandelaars in de omgeving, zo betoogt de bezwaargroep. De twee deeltracés leiden alleen tot een verdeling van de gebruikers van de nieuwe fietsroute over de deeltracés 5a en 5b. Volgens de bezwaargroep had kunnen worden volstaan met het realiseren van deeltracé 5a.
Bovendien is volgens de bezwaargroep niet aangetoond dat de bewoners van het dorp Eastrum voorstander zijn van het realiseren van deeltracé 5b. Hiernaar is geen aantoonbaar onderzoek verricht. Daarbij betoogt de bezwaargroep ook dat de Vereniging voor Dorpsbelang Oostrum niet de belangen van het gehele dorp vertegenwoordigt, met name niet van de tegenstanders van het fietspad. Rondom het dorp Eastrum zijn er volgens de bezwaargroep al voldoende recreatiemogelijkheden en zal de nieuwe fietsroute via deeltracé 5b alleen de mogelijkheid geven voor een extra fiets- en wandelrondje. Dit beperkte voordeel van deeltracé 5b afgezet tegen de forse nadelen van dit deeltracé, in het bijzonder gelet op de forse impact op de rust en privacy van [appellant sub 2], maar ook gelet op de negatieve gevolgen voor de verkeersveiligheid, de aantasting van landbouwgronden en de verstoring van onder meer weidevogels, betekent volgens de bezwaargroep dat sprake is van een onevenredige belangenafweging.
23.1. De Afdeling stelt voorop dat niet is gebleken dat het realiseren van zowel deeltracé 5a als deeltracé 5b in strijd zou zijn met een aan de raad gegeven opdracht, zoals de bezwaargroep stelt. De raad heeft bij de tracékeuze beleids- en beoordelingsruimte.
23.2. In de verkenning staat dat de deeltracés 5a en 5b niet als varianten tegenover elkaar zijn te plaatsen, maar complementair zijn aan elkaar. Over deeltracé 5b staat in de verkenning dat het zeker loont dit tracé naast deeltracé 5a te realiseren, omdat deeltracé 5b in recreatieve zin iets extra’s toevoegt aan het dorp Eastrum en het totale fietsroutenetwerk. Deze toevoeging is tweeledig.
Allereerst gaat het om een toegevoegde waarde gelet op de hiervoor onder 11.3 besproken toeristisch recreatieve doelstelling van het project. Zo is het volgens de raad wenselijk de bestaande fietsroute door het dorp Eastrum via deeltracé 5b te koppelen aan de nieuwe fietsroute langs de Súd Ie, omdat Eastrum met onder andere een rustpunt voor fietsers in het dorpshuis, het dorpscafé en ook de monumentale dorpskerk een toegevoegde recreatieve waarde biedt voor de gebruikers van het nieuwe fietspad langs de Súd Ie.
Daarnaast biedt deeltracé 5b volgens de raad ook een toegevoegde waarde gelet op de hiervoor onder 11.4 besproken lokale doestelling van het project. Deze doelstelling is gericht op het verbeteren van de recreatiemogelijkheden van de lokale bewoners in de omliggende dorpen. Zo biedt deeltracé 5b volgens de raad voor de lokale inwoners van het dorp Eastrum de mogelijkheid om via een rustige en verkeersveilige fiets- en wandelroute te kunnen aasluiten op het nieuwe fiets- en wandelpad langs de Súd Ie, waarmee ook de recreatiemogelijkheden voor de inwoners van het dorp verbeteren. Volgens de raad is het merendeel van de inwoners van het dorp positief over deze nieuwe fiets- en wandelmogelijkheid, ook gezien de omstandigheid dat als gevolg van de laatste ruilverkaveling meerdere fiets- en wandelpaden rondom Eastrum zijn verdwenen.
23.3. Gelet op wat hiervoor onder 23.2 is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat de raad de redenen om te kiezen voor deeltracé 5b van een deugdelijke motivering heeft voorzien. Ook de recreatieve meerwaarde van deeltracé 5b voor de lokale inwoners van het dorp Eastrum houdt, anders dan de bezwaargroep betoogt, wel verband met de doelstellingen van het project. De Afdeling verwijst op dit punt naar wat hiervoor onder 11.4 en 23.2 is overwogen. De Afdeling acht ook aannemelijk dat het realiseren van deeltracé 5b een recreatieve meerwaarde heeft voor de lokale inwoners van het dorp Eastrum, zoals de raad heeft toegelicht. Dat is onder meer zo, omdat met deeltracé 5b zowel een rechtstreekse als ook een meer rustige en verkeersveilige aansluiting mogelijk wordt gemaakt vanaf het dorp Eastrum op het nieuwe fiets- en wandelpad langs de Súd Ie. Dit is niet het geval wanneer uitsluitend deeltracé 5a zou worden gerealiseerd. Niet is vereist dat deze lokale recreatieve meerwaarde ook was aangetoond met een onderzoek naar de aantallen voor- en tegenstanders van het project bij de inwoners van het dorp Eastrum.
23.4. De Afdeling begrijpt dat met name [appellant sub 2] de toegevoegde waarde van deeltracé 5b anders waardeert door de ligging van dit deeltracé rondom haar woning, maar de Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de gevolgen van dit deeltracé voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] onevenredig zijn. De Afdeling verwijst op dit punt naar wat hierna onder 38 en verder over de belangen van [appellant sub 2] is overwogen. Hetzelfde geldt voor de agrarische belangen in de vorm van het voorkomen van het verlies van landbouwgrond. Hiervoor verwijst de Afdeling naar wat hierna onder 36 en verder hierover is overwogen. Tot slot ziet de Afdeling ook in de genoemde verkeersveiligheidsbelangen en belangen gericht op het voorkomen van een aantasting van weidevogelgebied geen grond voor het oordeel dat de raad van de realisatie van deeltracé 5b had moeten afzien. Ook dit wordt nog hierna nog nader in deze uitspraak toegelicht onder 24 en verder (weidevogels) en onder 33 en verder (verkeersveiligheid).
23.5. De betogen slagen niet.
Verordening Romte Fryslân 2014: natuur- en weidevogelgebieden
24. De bezwaargroep betoogt dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met de artikelen 7.2.1 tot en met 7.2.4 van de Verordening Romte Fryslân 2014. Die artikelen hebben betrekking op natuur buiten de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en weidevogelgebieden. In deze artikelen is het volgende bepaald:
"7.2.1
Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op natuurgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur, zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaart Natuur, voorziet in een passende bestemming met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van natuurwaarden.
7.2.2
Een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op gronden die gelegen zijn in of grenzen aan gebieden die op de kaart Weidevogelbieden zijn aangewezen als weidevogelkansgebieden of weidevogelparels, voorziet in een regeling waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd, met dien verstande dat de agrarische productiefunctie inclusief de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan.
7.2.3
In de plantoelichting bij een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op agrarische gronden met bestaande natuurwaarden, wordt aangegeven op welke wijze met deze natuurwaarden in het ruimtelijk plan rekening is gehouden.
7.2.4
Van artikel 7.2.1 en artikel 7.2.2 kan worden afgeweken voor een noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
a. de natuurwaarden worden afgewogen ten opzichte van de ruimtelijke ingreep;
b. schade aan natuurwaarden door mitigerende maatregelen wordt zoveel beperkt als fysiek-ruimtelijk en wat betreft uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs mogelijk is;
c. indien sprake is van een natuurgebied als bedoeld in artikel 7.2.1, wordt resterende schade aan natuurwaarden zoveel gecompenseerd als fysiekruimtelijk en wat betreft uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs mogelijk is;
d. indien sprake is van het verloren gaan van gebied groter dan 0,5 ha dat vanwege rust en openheid voor weidevogels geschikt is als bedoeld in artikel 7.2.2, wordt dit financieel gecompenseerd door storting van een bedrag in een weidevogelfonds, volgens door Gedeputeerde Staten vast te stellen regels. De plantoelichting dient te verantwoorden op welke wijze financiële compensatie is geborgd."
Natuur buiten de EHS
25. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de EHS (nu: Natuurnetwerk Nederland). Wel ligt het plangebied deels in gebieden die op "Kaart 3 - Natuur" bij de Verordening zijn aangewezen als "Natuur buiten de EHS". Het gaat om een klein deel van deeltracé 1 bij de aansluiting op de Esonbuorren, als ook om een deel van deeltracé 2. Deeltracé 2 wordt aangelegd via de noordoever van de Súd Ie. Dit deel van de noordoever van de Súd Ie ligt nog deels in het natuurgebied Eanjumer Kolken, welk natuurgebied verder voor het merendeel ten zuiden van de Súd Ie ligt.
De Afdeling ziet geen reden om inhoudelijk in te gaan op de vraag of het bepaalde in de artikelen 7.2.1 en 7.2.4, welke artikelen betrekking hebben op "Natuur buiten de EHS", in de weg staat aan de vaststelling van het bestemmingsplan. Op de zitting is niet gebleken dat [appellant sub 2] en de deelnemers van de bezwaargroep gronden in eigendom hebben die overlappen met het deel van het nieuwe fietspad bij de deeltracés 1 en 2 dat is gelegen in het in de Verordening aangeduide gebied "Natuur buiten de EHS". Daarnaast woont geen van hen in de nabijheid van deze specifieke gronden en maken deze als "Natuur buiten de EHS" bestemde gronden daarmee geen deel uit van hun leefomgeving. Op de zitting is ook niet gebleken welke mogelijke andere eigen belangen van [appellant sub 2] en de deelnemers van de bezwaargroep ten aanzien van deze specifieke gronden bij de deeltracés 1 en 2 in het geding zijn. Gelet op het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste zal de Afdeling daarom de betogen die betrekking hebben op de delen van deeltracés 1 en 2 die deels zijn gelegen binnen de gronden "Natuur buiten de EHS", niet inhoudelijk bespreken. De Afdeling verwijst hierbij ook terug naar wat hiervoor onder 9.2 over het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste is overwogen.
26. De bezwaargroep heeft daarnaast ook gewezen op andere gronden die bij de deeltracés 4 en 5 op "Kaart 3 - Natuur" bij de Verordening zijn aangewezen als "Natuur buiten de EHS". Het gaat dan onder meer om het natuurgebied Jouswierpolder. Het nieuwe fietspad ligt wat betreft de deeltracés 4 en 5 weliswaar in de omgeving van de gronden die zijn aangewezen als "Natuur buiten de EHS", maar het nieuwe fietspad overlapt niet met deze gronden. De regels voor "Natuur buiten de EHS" die zijn opgenomen in artikel 7.2.1 van de Verordening hebben geen externe werking. Dat betekent in dit verband dat deze regels niet gelden wanneer de ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt, buiten de gronden ligt die zijn aangewezen als "Natuur buiten de EHS". Ook daarom ziet de Afdeling geen grond om in te gaan op de algemene betogen van de bezwaargroep dat het bestemmingsplan, voor zover het gaat om "Natuur buiten de EHS, is vastgesteld in strijd met artikel 7.2.1 en daarmee samenhangend artikel 7.2.4 van de Verordening.
Weidevogelkansgebieden
27. Het plangebied ligt voor een groot deel in een gebied dat op "Kaart 7 - Weidevogelgebieden" bij de Verordening is aangeduid als "Weidevogelkansgebieden".
De bezwaargroep wijst erop dat in artikel 7.2.2 van de Verordening is vereist dat het bestemmingsplan moet voorzien in een regeling waarmee voldoende openheid en rust van het weidevogelkansgebied wordt gehandhaafd. Daaraan wordt met de realisatie van een nieuwe fietspad in dit gebied volgens de bezwaargroep niet voldaan.
Artikel 7.2.4 van de Verordening biedt weliswaar de mogelijkheid om van artikel 7.2.2 van de Verordening af te wijken, maar dan is vereist dat het gaat om een noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang. Volgens de bezwaargroep is geen sprake van een noodzakelijke ruimtelijke ingreep. Het realiseren van het nieuwe fietspad bestaat vooral uit een wens om ook langs de Súd Ie te kunnen fietsen, maar dit betekent volgens de bezwaargroep niet dat dit nieuwe fietspad ook noodzakelijk is. Daarnaast is volgens de bezwaargroep ook geen sprake van een ingreep die het openbaar belang dient. De bezwaargroep voert in dit verband hoofdzakelijk dezelfde argumenten aan als die hiervoor onder 11 zijn vermeld.
[appellant sub 2] wijst in dit verband specifiek op deeltracé 5b langs haar woning. Dit deeltracé is volgens [appellant sub 2] in ieder geval niet noodzakelijk, gelet op wat zij hiervoor onder 23 heeft aangevoerd.
27.1. Aan het bestemmingsplan ligt het rapport "Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie" ten grondslag. Dit rapport is in 2021 in opdracht van de gemeente opgesteld door Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek B.V. In dit ecologisch rapport staat dat door fysieke aantasting en verstoring 12 ha aan weidevogelkansgebied wordt verstoord. Dit betekent dat in zoverre niet aan artikel 7.2.2 van de Verordening wordt voldaan, omdat het bestemmingsplan met het nieuwe fietspad niet voorziet in een bestemming waarmee voldoende openheid en rust van het weidevogelkansgebied worden gehandhaafd, zoals artikel 7.2.2 van de Verordening vereist.
Maar dit betekent niet dat het bestemmingsplan daarom niet kan worden vastgesteld. Artikel 7.2.4 van de Verordening biedt namelijk de mogelijkheid om van artikel 7.2.2 van de Verordening af te wijken. Hierna zal de Afdeling nader ingaan op de vereisten van artikel 7.2.4 van de Verordening om te kunnen afwijken van artikel 7.2.2 van de Verordening.
27.2. Allereerst is blijkens de aanhef van artikel 7.2.4 van de Verordening vereist dat sprake is van een noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang.
Op dit punt wijst de Afdeling erop dat in de toelichting bij de Verordening over het vereiste van "een noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang" het volgende is vermeld:
"In deze afwijkingsregeling is het criterium 'openbaar belang' ruimer dan het criterium 'groot openbaar belang' dat op ingrepen in de EHS van toepassing is. Onder 'openbaar belang' kunnen ook bovenlokaal of lokaal georiënteerde, kleinschaliger ontwikkelingen vallen op het gebied van woningbouw, (verblijfs-)recreatie, infrastructuur (zoals een rondweg of een (landbouw)ontsluitingsweg) en nutsvoorzieningen, mits de noodzaak daarvan redelijkerwijs aantoonbaar is. Het kan ook gaan om particuliere initiatieven waaraan een maatschappelijke betekenis kan worden toegekend. Een ingreep kan alleen als 'noodzakelijk' worden aangemerkt, indien buiten het natuurgebied of het weidevogelgebied redelijkerwijs geen geschikte alternatieve locatie gevonden kan worden. Dat is bijvoorbeeld het geval indien sprake is van een locatiegebonden ontwikkeling, zoals een uitbreiding van een bestaande functie."
Uit deze toelichting kan worden afgeleid dat in de Verordening een duidelijk onderscheid is gemaakt tussen het vereiste "groot openbaar belang" in geval van ingrepen in de EHS en het vereiste "openbaar belang" in geval van ingrepen in natuur buiten de EHS, zoals in dit geval bij ingrepen in een weidevogelkansgebied. Onder openbaar belang vallen ook kleinschaligere ontwikkelingen op het gebied van bijvoorbeeld infrastructuur en recreatie, mits de noodzaak daarvan redelijkerwijs aantoonbaar is. Daarbij kan het ook gaan om (particuliere) initiatieven waaraan een maatschappelijke betekenis kan worden toegekend, zo staat in de toelichting. De Afdeling volgt de raad in zijn standpunt dat aan dit vereiste van openbaar belang in dit geval wordt voldaan. Met wat hiervoor onder 11.3 en 11.4 is overwogen, is de maatschappelijke betekenis van het nieuwe fietspad en daarmee het openbare belang door de raad voldoende toegelicht. Daarbij verwijst de Afdeling ook naar de bij de plantoelichting gevoegde gebruiksanalyse. Volgens de gebruiksanalyse heeft het fietspad, gelet op het verwachte gebruik daarvan, een meerwaarde voor het recreatieve fietsverkeer in de omgeving tussen Dokkum en Oostmahorn. De Afdeling begrijpt dat de bezwaargroep de meerwaarde van het fietspad anders waardeert, maar het is - zoals hiervoor onder 11.1 is overwogen - niet aan de Afdeling om over de toegevoegde waarde van het nieuwe fietspad haar oordeel in de plaats te stellen van dat van de raad. Gelet op wat onder 11.3 en 11.4 is overwogen, acht de Afdeling het openbare belang van het fietspad, ook in het licht van het bepaalde in artikel 7.2.4 van de Verordening, van een voldoende motivering voorzien.
Ook is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een noodzakelijke ruimtelijke ingreep om het hiervoor toegelichte openbare belang te kunnen bereiken. Daarbij wijst de Afdeling erop dat blijkens de toelichting bij de Verordening om te voldoen aan het vereiste van noodzakelijkheid moet zijn onderbouwd dat buiten het weidevogelgebied redelijkerwijs geen geschikte alternatieve locatie gevonden kan worden. De Afdeling acht met wat in de bij de plantoelichting gevoegde verkenning is vermeld, voldoende onderbouwd dat aan dit vereiste is voldaan. Daarbij wijst de Afdeling erop dat, zoals hiervoor onder 11.3 is overwogen, een van de doelstellingen is een recreatieve fietsroute langs de Súd Ie te realiseren om zo een impuls te geven aan de landrecreatie in Fryslân. Omdat de Súd Ie grotendeels door weidevogelkansgebied loopt, is daarmee de ligging van het fietspad door weidevogelkansgebied een gegeven. In de verkenning is per deeltracé van het fietspad nog met verschillende varianten afgewogen of er alternatieven mogelijk zijn die enerzijds zo veel mogelijk recht doen aan het openbare belang dat is gericht op het realiseren van een fietsroute langs de Súd Ie, en anderzijds zo veel mogelijk de negatieve effecten op de natuurwaarden, zoals de weidevogels, voorkomen. Uit wat hiervoor onder 12 tot en met 23.5 is overwogen, volgt dat wat is aangevoerd geen grond geeft voor het oordeel dat de afwegingen uit de verkenning in zoverre niet van een deugdelijke motivering zijn voorzien en dat er redelijkerwijs nog andere alternatieve locaties beschikbaar zijn die enerzijds recht doen aan de doelstellingen van het project en anderzijds toch een aantasting van weidevogelkansgebied verder reduceren of voorkomen. De Afdeling concludeert dan ook dat de raad voldoende heeft toegelicht dat sprake is van een ruimtelijke ingreep die redelijkerwijs noodzakelijk is om het openbaar belang, zoals dat hiervoor onder 11.3 en 11.4 is toegelicht, te dienen.
Wat betreft deeltracé 5b, waarnaar [appellant sub 2] specifiek verwijst, ziet de Afdeling geen grond voor een ander oordeel. Ook wat betreft deeltracé 5b heeft de raad voldoende toegelicht dat het gaat om een ruimtelijke ingreep waaraan een maatschappelijke betekenis kan worden toegekend en waarvan gelet daarop het openbare belang redelijkerwijs aantoonbaar is. De Afdeling verwijst hiervoor terug naar wat hiervoor onder 23.2 en 23.3 over dit openbare belang is overwogen. Dit openbare belang is onder meer gelegen in het realiseren van een rechtstreekse, rustige en verkeersveilige aansluiting voor de lokale bewoners van het dorp Eastrum op het nieuwe fiets- en wandelpad langs de Súd Ie. Van alternatieven die dit openbare belang ook kunnen bereiken, is niet gebleken. Daarbij wijst de Afdeling erop dat, zoals hiervoor onder 22 is overwogen, [appellant sub 2] op de zitting ook heeft verklaard dat de door haar aangedragen alternatieven voor deeltracé 5b bij nader inzien niet haalbaar of niet wenselijk zijn en dat haar betoog er in de kern op neer komt dat zij van mening is dat volledig van deeltracé 5b moet worden afgezien. Maar hiervoor ziet de Afdeling gelet op wat hiervoor onder 23.2 en 23.3 is overwogen, geen grond. De Afdeling concludeert daarom dat vanwege het ontbreken van geschikte alternatieven om het specifieke maatschappelijke en openbare belang, zoals dat onder 23.2 en 23.3 is toegelicht, te dienen, de ruimtelijke ingreep ook wat betreft deeltracé 5b redelijkerwijs noodzakelijk is om dat openbare belang te dienen.
27.3. Met wat hiervoor onder 27.2 onder verwijzing naar de verkenning is overwogen, is naar het oordeel van de Afdeling ook onderbouwd dat bij de keuze om het fietspad in het weidevogelkansgebied mogelijk te maken, de natuurwaarden genoegzaam zijn afgewogen ten opzichte van de ruimtelijke ingreep, zoals in artikel 7.2.4, aanhef en onder a, van de Verordening is vereist.
27.4. De overige voorwaarden uit artikel 7.2.4 van de Verordening zien op de mitigerende en compenserende maatregelen die worden getroffen in geval van een aantasting van in dit geval het weidevogelkansgebied.
Artikel 7.2.4, onder b, van de Verordening vereist dat schade aan de natuurwaarden door mitigerende maatregelen zoveel wordt beperkt als fysiek-ruimtelijk en wat betreft uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs mogelijk is. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd, geen aanknopingspunten dat aan dit vereiste niet wordt voldaan. In de plantoelichting staat dat er geen brommers zullen worden toegestaan op het fietspad en ook geen openbare verlichting zal worden toegepast als maatregelen aan de bron om de invloedsfeer van het verstoringseffect te beperken. De bezwaargroep heeft over deze specifieke maatregelen geen beroepsgronden naar voren gebracht. Ook blijkt uit door de bezwaargroep ingediende stukken en wat is besproken op de zitting, niet dat nog andere mitigerende maatregelen mogelijk zijn.
Er resteert dan een verplichting tot het treffen van compenserende maatregelen op grond van artikel 7.2.4, onder d, van de Verordening. De bezwaargroep betoogt weliswaar dat financiële compensatie niet kan worden gezien als het rekening houden met natuurwaarden, maar artikel 7.2.4, onder d, van de Verordening vereist in geval van een aantasting van een weidevogelkansgebied als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Verordening alleen een financiële compensatie door storting van een bedrag in een weidevogelfonds, volgens door gedeputeerde staten vast te stellen regels. In de plantoelichting moet verantwoord worden op welke wijze financiële compensatie is geborgd, zo staat in artikel 7.2.4, onder d, van de Verordening. Die financiële verantwoording is opgenomen in de plantoelichting onder verwijzing naar de factuur "weidevogelcompensatie Fietspad Súd Ie" van de provincie Fryslân, die is opgenomen als bijlage 10 bij de plantoelichting.
Op deze factuur staat dat de verstoring is vastgesteld op 12,85 ha. Dit komt overeen met de 12 ha aan fysieke aantasting en verstoring van weidevogelkansgebied, zoals in het ecologisch rapport bij de plantoelichting is vermeld. De bezwaargroep heeft weliswaar betoogd dat deze oppervlakte is gebaseerd op de onjuiste aanname in het ecologisch rapport dat bij fietspaden sprake is van een verstoringscontour van 50 m, maar de Afdeling volgt de bezwaargroep niet in dit betoog. In de toelichting bij de Verordening staat onder verwijzing naar onderzoek van Bruinzeel & Schotman uit 2011, zijnde het rapport "Onderbouwing verstoringsafstanden werkplan weidevogels in Fryslân" uit 2011, dat voor een fietspad kan worden uitgegaan van een gemiddelde verstoringsafstand van 50 m. Dit komt overeen met de aanbevelingen uit het genoemde rapport uit 2011. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verstoringsafstand genoemd in dit rapport in dit geval ontoereikend zou zijn. Die aanknopingspunten ziet de Afdeling ook niet in het nadere stuk van [appellant sub 2], waarin zij verwijst naar een ecologisch onderzoek dat is verricht voor een fietspad op een andere locatie, namelijk in het Waddengebied.
27.5. De Afdeling concludeert dat zij in wat is aangevoerd geen grond ziet voor het oordeel dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met de artikelen 7.2.2 en 7.2.4 van de Verordening over weidevogelkansgebied. De betogen slagen niet.
Artikel 7.2.3 van de Verordening
28. De bezwaargroep betoogt dat het bestemmingsplan ook is vastgesteld in strijd met artikel 7.2.3 van de Verordening. Ter onderbouwing betoogt de bezwaargroep dat er ten onrechte alleen financiële compensatie plaatsvindt voor verstoring van natuurwaarden.
28.1. Zoals hiervoor onder 24 is weergegeven, is in artikel 7.2.3 van de Verordening vereist dat in de plantoelichting bij een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op agrarische gronden met bestaande natuurwaarden, wordt aangegeven op welke wijze met deze natuurwaarden in het ruimtelijk plan rekening is gehouden. In de toelichting bij de Verordening staat in dit verband:
"In de artikelen 7.2.1 t/m 7.2.3 staan beschermende regels voor natuurwaarden buiten de EHS. Het gaat om:
- Bestaande natuurgebieden buiten de EHS. Dit zijn in principe de gebieden die volgens het Streekplan al een hoofdfunctie natuur hebben, zoals bestaande bosgebieden en de belangrijke houtwallen en pingoruïnes die als onderdeel van het ecologisch netwerk functioneren. Deze gebieden zijn opgenomen op de verordeningskaart Natuur. Tegelijk met de herbegrenzing van de EHS zijn ook deze gebieden in overleg met gemeenten gecontroleerd op juistheid en actualiteit. De kaart is daaraan aangepast (artikel 7.2.1).
- De gebieden die door hun openheid en rust kansrijk zijn voor weidevogels (artikel 7.2.2).
- Natuurwaarden in agrarisch gebied; dit kunnen natuurelementen zijn zoals houtsingels en waterelementen (artikel 7.2.3)."
28.2. Uit de toelichting bij de Verordening volgt dat artikel 7.2.3 van de Verordening gaat over specifieke natuurelementen in agrarisch gebied. Dit zijn niet de natuurgebieden buiten de EHS en de weidevolgebieden, die daartoe zijn aangewezen op de kaarten 3 en 7 bij de Verordening en waarop de artikelen 7.2.1 en 7.2.2 van de Verordening al betrekking hebben. Het gaat bij artikel 7.2.3 van de Verordening om andere natuurelementen, zoals houtsingels en waterelementen. Ter onderbouwing van het betoog dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met artikel 7.2.3 van de Verordening, gaat de bezwaargroep in op de financiële compensatie van aangetaste natuurwaarden. Maar het gaat dan om compensatie van de weidevogelgebieden die daartoe zijn aangewezen op kaart 7 bij de Verordening en waarop de artikelen 7.2.2 en 7.2.4 van de Verordening specifiek betrekking hebben. Daar is de Afdeling hiervoor onder 27 tot en met 27.5 al op ingegaan. Dat zich daarnaast vanwege specifieke natuurwaarden, zoals houtsingels of waterelementen, nog specifiek strijd voordoet met artikel 7.2.3 van de Verordening, ziet de Afdeling in wat de bezwaargroep heeft aangevoerd geen aanknopingspunten. Het betoog hierover slaagt niet.
Verordening Romte Fryslân 2014: ruimtelijke kwaliteit
29. De bezwaargroep betoogt dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met artikel 2.1.1 van de Verordening. Dit artikel luidt als volgt:
"1. De plantoelichting van een ruimtelijk plan voor een uitbreidingslocatie of voor het landelijk gebied omvat een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf waarin, voor zover noodzakelijk, wordt aangegeven op welke wijze:
a. het plan rekening houdt met de draagkracht van het landschap voor de opvang en inpassing van nieuwe functies, op grond van een analyse van de samenhang van de ondergrond, netwerken en nederzettingspatronen;
b. het plan invulling geeft aan de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zijnde de structuren van provinciaal belang zoals die, met inbegrip van een richtinggevend advies, per deelgebied of gebiedsoverschrijdend zijn omschreven in de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte.
2. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op landelijk gebied stelt zo nodig regels die ertoe strekken dat de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid, sub b, herkenbaar blijven.
3. Een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied dient te voorzien in een zorgvuldige inpassing van:
a. een uitbreidingslocatie;
b. nieuwe infrastructuur of aanpassing van infrastructuur;
c. een nieuwe recreatieve voorziening of uitbreiding van een recreatieve voorziening;
d. agrarische bedrijven, inclusief glastuinbouwbedrijven;
e. overige nieuwe of uitbreiding van bestaande, al dan niet aan het landelijk gebied gebonden functies,
binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals bedoeld in het eerste lid, sub b."
30. De bezwaargroep wijst specifiek op artikel 2.1.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening. Daarin is bepaald dat een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied dient te voorzien in een zorgvuldige inpassing van nieuwe infrastructuur binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onder b, van de Verordening. Volgens de bezwaargroep is het bestemmingsplan hiermee in strijd. Ter onderbouwing betoogt de bezwaargroep dat door de fietsroute landschappelijke kernkwaliteiten verloren zullen gaan, namelijk doordat het areaal natuurgebied wordt verkleind, onverharde graswandelpaden verloren gaan, het kruinige karakter van het dijkje langs de Súd Ie bij deeltracé 2 verloren gaat en ook smalle, vaak doodlopende landwegen als onderdeel van de cultuurhistorische kernkwaliteiten van de omgeving zullen worden omgezet in doorgaande fietswegen. Het landschap zal volgens de bezwaargroep ontsierd worden door nieuwe betonpaden en ook door de landschapontsierende constructie bij de Saatsenwei.
30.1. De raad wijst er in het verweerschrift op dat het plangebied is gelegen in het deelgebied "Kleigebied Oostergo", zoals omschreven in de Structuurvisie Grutsk op é Romte!, waar in artikel 2.1.1, eerste lid, onder b, van de Verordening naar wordt verwezen. Volgens de raad is het fietspad ingepast met respect voor de in de Structuurvisie voor het plangebied omschreven landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Ter onderbouwing stelt de raad dat het fietspad zoveel als mogelijk langs bestaande landschappelijke lijnen en bestaande infrastructuur is gelegd om zo de openheid intact te laten. Zo volgt het fietspad of de kades van de Súd Ie of de al bestaande landschapslijnen, zoals kavelsloten en bestaande ontsluitingspaden en wegen. Het fietspad wordt aangelegd op de hoogte van de bestaande kade en/of op maaiveldniveau, volgt het bestaand reliëf en het bestaande bochtige karakter van het polderlandschap. De waterlopen en sloten blijven behouden en er wordt geen opgaande beplanting toegevoegd, zo staat in het verweerschrift. Het fietspad houdt het landschap volgens de raad herkenbaar en maakt het juist nog beter leesbaar.
30.2. De Afdeling ziet in wat de bezwaargroep heeft aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met artikel 2.1.1 van de Verordening. Ter onderbouwing overweegt de Afdeling het volgende.
Dat het areaal natuurgebied wordt verkleind, is al afgewogen in de voorgaande overwegingen 24 tot en met 28.2 met toepassing van de artikelen 7.2.1 tot en met 7.2.4 van de Verordening. De enkele omstandigheid dat areaal natuurgebied wordt verkleind, betekent niet dat zich automatisch ook strijd voordoet met artikel 2.1.1 van de Verordening, inhoudende dat het plan moet voorzien in een zorgvuldige inpassing van de ontwikkeling binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Dit is een zelfstandige toets aan de hand van wat onder meer in de Structuurvisie is vermeld over de waarden van het plangebied en omgeving.
De Afdeling is gelet op wat hiervoor onder 30.1 is overwogen, van oordeel dat bij de planvaststelling voldoende met de waarden van het plangebied en omgeving rekening is gehouden. Daarbij overweegt de Afdeling dat de betogen over het kruinige dijkje bij deeltracé 2, als ook de betogen over de landschapontsierende constructie bij de Saatsenwei (deeltracé 1 en 2), niet inhoudelijk besproken hoeven te worden gelet op het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste. Niet gebleken is namelijk dat op dit punt belangen van de bezwaargroep in het geding zijn. Zo is niet gebleken dat een van de deelnemers van bezwaargroep daadwerkelijk zicht heeft op deze landschapselementen bij de deeltracés 1 en 2. De Afdeling verwijst hierbij terug naar wat hiervoor onder 9.2 over het relativiteitsvereiste en onder 15.1 over de volgens de bezwaargroep landschapontsierende constructie bij de deeltracés 1 en 2 is overwogen. Dan resteren de betogen van de bezwaargroep dat het landschap zal worden ontsierd door nieuwe betonpaden, door onverharde graswandelpaden die verloren gaan en doordat smalle en vaak doodlopende landwegen als onderdeel van de cultuurhistorische kernkwaliteiten van de omgeving zullen worden omgezet in doorgaande fietswegen. De Afdeling volgt de raad in zijn standpunt dat dit niet betekent dat daarmee de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten is aangetast. Artikel 2.1.1 van de Verordening vereist een zorgvuldige inpassing van het tracé van het fietspad binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten van de omgeving, maar vereist niet dat al die kernkwaliteiten in stand worden gehouden en dat geen enkele mate van aantasting zou mogen plaatsvinden. De Afdeling is van oordeel dat de raad kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de aanleg van het verharde fietspad in dit geval een ontwikkeling is met een beperkt ruimtelijk effect op het landschap. Dit is onder meer zo gezien de omstandigheid dat het fietspad zoveel als mogelijk langs bestaande landschappelijke lijnen en bestaande infrastructuur wordt gelegd, zoals hiervoor onder 30.1 is toegelicht. Er bestaat op basis van wat is aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten van het plangebied en omgeving worden aangetast.
30.3. De betogen slagen niet.
31. [appellant sub 2] heeft daarnaast in haar individuele beroepschrift in het licht van artikel 2.1.1 van de Verordening aanvullend betoogd dat een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf in de plantoelichting ontbreekt als ook dat regels in het bestemmingsplan ontbreken die ervoor zorgen dat de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten behouden blijven.
Deze betogen slagen niet. In hoofdstuk 2 van de plantoelichting is ingegaan op de relatie van het fietspad tot de landschappelijke en cultuurhistorische omgeving. Dit acht de Afdeling toereikend in het licht van het bepaalde in artikel 2.1.1, eerste lid, van de Verordening. Het tweede lid vereist alleen voor zover nodig nadere regels in het bestemmingsplan die ertoe strekken dat de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten herkenbaar blijven. Gelet op wat hiervoor onder 30.1 en 30.2 is overwogen, acht de Afdeling deze nadere regels in het bestemmingsplan in dit geval niet vereist.
Omgevingsverordening Fryslân 2022
32. De bezwaargroep wijst ook op de Omgevingsverordening Fryslân 2022. Op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is ook de Omgevingsverordening Fryslân 2022 in werking getreden. De bezwaargroep doet in het beroepschrift een beroep op deze Omgevingsverordening, die op het moment van het opstellen van het beroepschrift nog niet was vastgesteld, maar in ontwerp beschikbaar was. Zoals hiervoor onder 7 is overwogen, toetst de Afdeling in deze uitspraak aan het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarom toetst de Afdeling ook niet aan de Omgevingsverordening Fryslân 2022, die pas in werking is getreden op het moment dat de Omgevingswet in werking trad. Dat de raad ten overvloede heeft beoordeeld of het plan ook voldoet aan de Omgevingsverordening Fryslân 2022, zoals die in ontwerp beschikbaar was op het moment van de planvaststelling, maakt dat niet anders. Ook dan geldt nog steeds dat de Omgevingsverordening Fryslân 2022 geen onderdeel vormt van de geldende regels die van toepassing zijn op dit bestemmingsplan. Wat de bezwaargroep over die Omgevingsverordening heeft aangevoerd, laat de Afdeling daarom buiten inhoudelijke bespreking.
Verkeersveiligheid
33. De bezwaargroep heeft betogen naar voren gebracht over het aspect verkeersveiligheid, die de Afdeling hierna zal bespreken.
34. In de plantoelichting staat over het aspect verkeersveiligheid dat met name de verkeersafwikkeling over de bestaande wegen en de kruisingen van de fietspaden met wegen belangrijk is. De situatie op de bestaande wegen en de kruisingen met wegen is verkeersveilig, maar er zijn wel maatregelen denkbaar om de verkeersveiligheid te bevorderen, zo staat in de plantoelichting. Die maatregelen zijn uitgewerkt in het bij de plantoelichting gevoegde rapport "Quick Scan fietsroute Súd Ie" dat in 2021 is opgesteld door adviesbureau Sweco. In een bij het verweerschrift gevoegde memo "Nadere toelichting verkeersveiligheid fietsroute Súd Ie" van Sweco uit 2023 zijn de maatregelen uit de Quick Scan voor verschillende wegvakken nader uitgewerkt.
35. De bezwaargroep heeft in het beroepschrift en in de nadere stukken verschillende beroepsgronden naar voren gebracht over het aspect verkeersveiligheid. Op de zitting heeft de bezwaargroep desgevraagd toegelicht dat beroepsgronden zich toespitsen op drie doodlopende wegen bij de deeltracés 4 en 5, welke doodlopende wegen onderdeel zijn van de nieuwe fietsroute langs de Súd Ie. Het gaat dan om de doodlopende wegen Bergsmawei, Mellemawei en Tichelwei. Deze wegen zijn volgens de bezwaargroep smal en worden regelmatig gebruikt door landbouwverkeer. Sweco heeft weliswaar voorgesteld langs deze wegen passeerstroken te realiseren, maar die zullen volgens de bezwaargroep op sommige delen langs de weg te smal en/of te kort zijn, onder meer vanwege onvoldoende bermbreedte. Daarnaast zijn de taluds langs de genoemde wegen volgens de bezwaargroep steil, waardoor bermgebruik door trekkers en/of ander gemotoriseerd verkeer en fietsers niet verkeersveilig mogelijk is. Sweco noemt weliswaar ook als mogelijkheid om gebruik te maken van dammen en/of perceelingangen langs de genoemde wegen, maar die liggen volgens de bezwaargroep regelmatig te ver uit elkaar. Bovendien kan het gebruiken van dammen en perceelingangen volgens de bezwaargroep leiden tot problemen wanneer het landbouwverkeer juist via die dammen of perceelingangen toegang wenst te krijgen tot de achterliggende percelen.
35.1. In de nadere memo van Sweco die bij het verweerschrift is gevoegd, staat dat de Bergsmawei, Mellemawei en Tichelwei erftoegangswegen zijn waar geen sprake is van een doorgaand karakter of een ontsluitingsfunctie. Er is op deze wegen in principe alleen sprake van beperkt bestemmingsverkeer. Dat kan het verkeer zijn naar enkele boerderijen/huizen en enkele landbouwpercelen, zo staat in de nadere memo. Op elk van deze wegen zal volgens de nadere memo sprake zijn van hooguit enkele tientallen verkeersbewegingen per etmaal, waarmee de verkeersintensiteit zeer beperkt is. De Afdeling volgt de raad in zijn standpunt dat met name gelet op de zeer beperkte verkeersintensiteit het fietsverkeer op de Bergsmawei, Mellemawei en Tichelwei naar verwachting verkeersveilig is af te wikkelen. Dat laat onverlet dat er wel maatregelen denkbaar zijn om de verkeersveiligheid te bevorderen, zoals ook in de plantoelichting staat. Die maatregelen zijn met name in de vorm van fietsuitwijkplaatsen in combinatie met bijvoorbeeld bebording, zoals blijkt uit de nadere memo van Sweco. De bezwaargroep heeft weliswaar verschillende betogen naar voren gebracht over bijvoorbeeld de exacte situering van deze uitwijkstegen en de breedte daarvan, maar de Afdeling ziet alleen al vanwege de beperkte verkeersintensiteit op de genoemde wegen, geen reden om te eisen dat uit een oogpunt van verkeersveiligheid al voor de planvaststelling nader was uitgewerkt en verzekerd hoe invulling wordt gegeven aan het realiseren van de fietsuitwijkplaatsen en eventuele andere fysieke maatregelen. De Afdeling concludeert dan ook dat zij in wat is aangevoerd, geen grond ziet voor het oordeel dat het aspect verkeersveiligheid zou moeten leiden tot een vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.
35.2. De betogen slagen niet.
Effecten op de agrarische bedrijven in de omgeving
Doorsnijding van landbouwgrond
36. De bezwaargroep wijst erop dat het nieuwe fietspad deels landbouwgronden zal doorsnijden. Van een serieuze afweging van de effecten die dit heeft op de agrarische bedrijven die deze landbouwgronden in gebruik hebben, is geen sprake geweest, zo betoogt de bezwaargroep. Het behoud van landbouwgrond en dan met name van de huiskavel is steeds belangrijker voor de agrarische sector, zo stelt de bezwaargroep. In de alternatievenafweging is volgens de bezwaargroep onvoldoende inzicht gegeven in de effecten op het verlies aan landbouwgrond, onder meer door de huiskavels van agrarische bedrijven niet aan te duiden en in de alternatievenafweging niet duidelijk aan te geven voor welke alternatieven landbouwgrond nodig is. Er zijn volgens de bezwaargroep voldoende alternatieven voor de tracéligging die een doorsnijding van landbouwgrond voorkomen. Ook betoogt de bezwaargroep dat onteigening een disproportioneel middel is gezien het geringe belang van het fietspad.
36.1. De Afdeling stelt voorop dat zij, anders dan de bezwaargroep betoogt, uit wat in de verkenning is vermeld, afleidt dat bij de tracékeuze wel degelijk de effecten op doorsnijding van en verlies aan landbouwgronden zijn meegenomen. Om van een zorgvuldige afweging bij de tracékeuze te kunnen spreken is, anders dan de bezwaargroep wenst, niet vereist dat in de verkenning expliciet op de kaarten alle huiskavels van de agrarische bedrijven waren aangeduid. Uit onder meer het inspraakverslag en de zienswijzennota blijkt dat de raad zich er van bewust is dat er concessies van de landbouw worden gevraagd om de aanleg van de nieuwe fietsroute langs de Súd Ie mogelijk te maken. De Afdeling heeft er begrip voor dat de agrarische bedrijven die onderdeel zijn van de bezwaargroep, hun landbouwgronden volledig wensen te behouden, maar het gaat per saldo om relatief smalle stroken grond die voor de aanleg van het fietspad nodig zijn. Dit leidt er niet toe dat de omliggende agrarische bedrijven hun bedrijfsvoering niet meer kunnen voortzetten. Dit wordt ook niet door de bezwaargroep gesteld en blijkt ook niet uit de dossierstukken. De raad heeft gelet op de relatief beperkte stroken grond die voor de aanleg van het nieuwe fietspad nodig zijn, afgezet tegen de hiervoor onder meer bij de overwegingen 11.3 en 11.4 vermelde redenen voor de aanleg van het nieuwe fietspad, een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de belangen die met de aanleg van het fietspad zijn gemoeid dan aan de belangen van de agrarische bedrijven om hun landbouwgronden onaangetast te laten. Van een onevenredige belangenafweging is op dit punt geen sprake.
Daarbij wijst de Afdeling er ook op dat realisatie van het fietspad alleen mogelijk zal zijn door minnelijke verwerving of onteigening van de hiervoor benodigde landbouwgronden. Op de zitting is gebleken dat het merendeel van de landbouwgronden inmiddels ook is verworven. Alleen van één agrarisch bedrijf zullen nog gronden in eigendom verkregen moeten worden. Ook daarbij is minnelijke verwerving het uitgangspunt, zo blijkt uit wat op de zitting is besproken. Als minnelijke verwerving niet mogelijk is en tot onteigening zou moeten worden overgegaan, dan zal het agrarisch bedrijf voor het verlies aan landbouwgrond schadeloos moeten worden gesteld in een afzonderlijke, met waarborgen omklede procedure. Hiermee zijn de belangen van dit agrarische bedrijf naar het oordeel van de Afdeling voldoende gewaarborgd. In de procedure over dit bestemmingsplan heeft de raad, mede gezien het feit dat het gaat om relatief smalle stroken grond die voor het fietspad nodig zijn, in het verlies aan landbouwgrond geen grond hoeven zien het bestemmingsplan niet vast te stellen.
36.2. De betogen slagen niet.
Overige effecten op de agrarische bedrijven
37. Naast de hinder voor het landbouwverkeer in het kader van de verkeersveiligheid, waar de Afdeling hiervoor onder 35 en verder al op is ingegaan, betoogt de bezwaargroep ook dat de nieuwe fietsroute meer bermoppervlak met zich zal brengen. Dit zal zorgen voor extra kosten voor agrariërs in verband met het bestrijden van verschillende onkruidsoorten die in de bermen zullen gaan gronden, zo stelt de bezwaargroep. Dit zijn naar het oordeel van de Afdeling echter geen nadelige gevolgen waaraan de raad in zijn belangenafweging, afgezet tegen die hiervoor onder 11.3 en 11.4 genoemde redenen voor het nieuwe fietspad, een zwaarder gewicht had moeten toekennen.
37.1. Dit betoog slaagt niet.
De belangen van [appellant sub 2]
38. Betogen over de effecten van het fietspad op het woon- en leefklimaat zijn met name naar voren gebracht door [appellant sub 2]. Zoals hiervoor onder 2 is overwogen, woont [appellant sub 2] aan de [locatie] in Eastrum en is het nieuwe fietspad rondom haar woning voorzien. Dit is zo met uitzondering van de westzijde van de woning, waar zich een watergang bevindt. Langs de woning van [appellant sub 2] wordt deeltracé 5b aangelegd. Hierna zal de Afdeling nader ingaan op de effecten hiervan op het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2].
Rust, privacy, vrij uitzicht en sociale veiligheid
39. [appellant sub 2] wijst op de unieke, rustige en vrije ligging van haar woning. De woning is achteraf gelegen aan een doodlopend deel van de Mellemawei. Afgezien van landbouwmachines op de agrarische gronden rondom haar woning, komt er in de omgeving van haar woning verder niemand, zo stelt [appellant sub 2]. De realisatie van het nieuwe fietspad heeft volgens [appellant sub 2] tot gevolg dat haar woning van alle zijden zal worden ingesloten. Door het steeds drukkere vaarverkeer aan de westzijde van haar woning en door de fietsers en wandelaars op het fietspad langs de andere delen van haar woning. Uit de planstukken leidt zij af dat het gaat om een substantieel aantal gebruikers van het fietspad, namelijk minimaal 250 gebruikers per dag, wat neerkomt op ongeveer iedere drie minuten een passant langs haar woning.
Het nieuwe fietspad heeft tot gevolg dat zij al haar privacy, waaronder bij de zitplekken in haar tuin, kwijt is, meent [appellant sub 2]. Zij zal zich niet meer vrij op haar erf kunnen bewegen. Naast haar privacy gaat het ook om een aantasting van de rust, zo betoogt [appellant sub 2]. Zij wijst daarbij op het geluid van pratende fietsers en wandelaars, als ook op de hinder van gebruikers van het fietspad die naar verwachting regelmatig abusievelijk niet de juiste route van het fietspad, maar het doodlopende pad richting haar woning zullen volgen. Dat de fietsers en wandelaars haar woning kunnen bereiken, leidt er volgens [appellant sub 2] ook toe daar haar veiligheid afneemt. Zij wijst daarbij op de afgelegen ligging van haar woning en het ontbreken van verlichting op het fietspad, waardoor (sociale) controle niet mogelijk is. Ook betoogt [appellant sub 2] dat zij hinder van de fietsers en wandelaars zal ondervinden om haar woning te kunnen bereiken, bijvoorbeeld doordat zij regelmatig achter de fietsers zal moeten blijven rijden, omdat passeren van de fietsers niet altijd mogelijk is.
Volgens [appellant sub 2] blijkt nergens uit de dossierstukken dat aandacht is besteed aan deze negatieve impact van het fietspad op haar woon- en leefklimaat en hoe deze negatieve impact is meegewogen in de belangenafweging. Zij wijst er daarbij op dat zij alternatieven voor het tracé heeft aangedragen. Daar is volgens haar niet op gereageerd. Maatwerk is niet geboden, zo stelt [appellant sub 2].
39.1. De Afdeling stelt voorop dat zij [appellant sub 2] niet volgt in haar betoog dat met de effecten van het nieuwe fietspad op haar woon- en leefklimaat bij de planvaststelling geen rekening is gehouden. Dat is wel het geval geweest, zo blijkt onder meer uit zowel het inspraakverslag als ook uit de zienswijzennota. De reden dat [appellant sub 2] van mening is dat de negatieve effecten op haar woon- en leefklimaat niet in de belangenafweging zijn meegenomen, is gelegen in het feit dat [appellant sub 2] aan deze negatieve effecten een aanzienlijk zwaarder gewicht toekent dan de raad in zijn belangenafweging heeft gedaan. Maar dat betekent niet dat de belangenafweging van de raad onevenredig is. De raad is van mening dat het woongenot van [appellant sub 2] niet zo afneemt dat geen sprake meer is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij stelt de raad dat een fietspad niet een zo’n grote ingreep is dat het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] onevenredig wordt aangetast. De Afdeling volgt de raad hierin. Het fietspad zal weliswaar voor een groot deel langs de woning van [appellant sub 2] komen te liggen, maar de Afdeling volgt [appellant sub 2] niet in haar betoog dat dit fietspad leidt tot zo’n aantasting van haar rust, privacy en uitzicht dat moet worden geoordeeld dat de nadelige gevolgen van het plan voor haar onevenredig zijn. Daarbij acht de Afdeling van belang dat het gaat om een extensief recreatief fietspad dat gebruikt wordt door wandelaars en fietsers, waarmee anders dan [appellant sub 2] stelt, de geluidhinder van dit fietspad beperkt is. De Afdeling verwijst in dit verband ook naar de memo van FUMO, die als bijlage bij het verweerschrift is gevoegd. Daarin staat dat voor een toeristisch fietspad de Wet geluidhinder niet van toepassing is en dat fietsers langs de woning van [appellant sub 2] geen noemenswaardige geluidsoverlast zullen veroorzaken en daarom het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] niet negatief zullen beïnvloeden. De Afdeling begrijpt dat dit voor [appellant sub 2] onverlet laat dat zij wel zicht heeft op de wandelaars en fietsers om haar woning, maar ook die effecten heeft de raad niet onevenredig hoeven achten, onder meer gelet op de tuin die zich nog tussen haar woning en het fietspad bevindt en ook gelet op de ruime groenvoorzieningen aan de randen van de tuin, waarmee enige afschermende werking wordt geboden wanneer [appellant sub 2] zich in de tuin bevindt. Ook volgt de Afdeling [appellant sub 2] niet in haar vrees dat het nieuwe fietspad leidt tot een onveilige situatie bij haar woning. De Afdeling deelt het standpunt van de raad dat het niet aannemelijk is dat de gebruikers van het fietspad regelmatig in plaats van het fietspad de doodlopende weg naar de woning van [appellant sub 2] zullen volgen. Als [appellant sub 2] volledig wenst te voorkomen dat de gebruikers van het fietspad haar woning kunnen bereiken, dan is het aan [appellant sub 2] om hiervoor de benodigde afscherming in de vorm van bijvoorbeeld een hekwerk te plaatsen.
De Afdeling concludeert dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de nadelige gevolgen van het bestemmingsplan voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het bestemmingsplan te dienen doelen.
39.2. De betogen van [appellant sub 2] slagen op dit punt niet.
39.3. Voor wat betreft de tracéalternatieven die [appellant sub 2] heeft aangedragen, verwijst de Afdeling terug naar voorgaande overweging 22. Daar heeft de Afdeling overwogen dat [appellant sub 2] op de zitting heeft gesteld dat die alternatieven bij nader inzien niet haalbaar of wenselijk zijn. De Afdeling ziet daarom geen grond daar in het kader van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] nader op in te gaan.
Zakelijke belangen
40. [appellant sub 2] wijst er ook op dat zij bij haar woning een bed & breakfast exploiteert. De bezoekers komen vooral voor de rust en het weidse uitzicht, wat met het nieuwe fietspad zal worden aangetast, zo stelt [appellant sub 2]. Dit leidt onder meer tot minder inkomsten. Zij wijst er daarbij op dat er onder meer naaktrecreatie plaatsvindt bij haar bed & breakfast. Deze vorm van recreatie zal na de realisatie van het fietspad niet meer mogelijk zijn, zo betoogt [appellant sub 2].
40.1. Op dit punt verwijst de Afdeling terug naar voorgaande overweging 39.1. De Afdeling ziet geen grond om ten aanzien van de effecten op de bed & breakfast tot een ander oordeel te komen, dan hiervoor onder 39.1 is overwogen over de effecten van het bestemmingsplan op het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2].
40.2. De betogen hierover slagen daarom ook niet.
Bereikbaarheid van de woning via het water
41. [appellant sub 2] wijst erop dat noordelijk van haar woning over de Eastrumer Opfeart een fietsbrug wordt gerealiseerd. Door deze fietsbrug is haar woning niet meer per boot te bereiken, voor zover het gaat om boten met een doorvaarhoogte van meer dan 1,5 m. Zowel zijzelf als de bezoekers van haar bed & breakfast worden hierdoor afgesloten van het openbare vaarwater, zo betoogt [appellant sub 2]. Zij is het hiermee niet eens en wijst ook op de negatieve gevolgen die de beperktere doorvaarhoogte heeft voor de waarde van haar woning.
Primair wenst [appellant sub 2] dat de Eastrumer Opfeart ten behoeve van het behoud van haar rust en de rust van de bezoekers van de bed & breakfast alleen toegankelijk is voor ongemotoriseerde boten. In haar nadere stuk stelt zij dat zij wenst dat de Eastrumer Opfeart wordt afgesloten voor alle recreatievaart, met uitzondering van kano’s. Voor zover dit niet mogelijk is, wenst zij de toegankelijkheid zo ruim wordt dat ook boten met een doorvaarhoogte van meer dan 1,5 m haar woning kunnen bereiken.
41.1. Blijkens het hiervoor weergegeven betoog wenst [appellant sub 2] primair dat de Eastrumer Opfeart wordt afgesloten voor het gemotoriseerde vaarverkeer en alle recreatievaart, met uitzondering van kano’s. De Afdeling wijst erop dat dit een gemeentelijke bevoegdheid is op basis van de Scheepvaartverkeerswet. Deze bevoegdheid staat los van dit bestemmingsplan en kan in deze procedure over het bestemmingsplan dan ook niet aan de orde komen. Het afsluiten van de Eastrumer Opfeart voor (gemotoriseerd) vaarverkeer heeft naar het oordeel van de Afdeling bovendien ook geen verband met het bestemmingsplan voor het fietspad dat in deze procedure aan de orde is.
41.2. Het betoog van [appellant sub 2] slaagt in zoverre dan ook niet.
41.3. Wat betreft de wens van [appellant sub 2] over de doorvaarhoogte onder een nieuw te realiseren fietsbrug, stelt de Afdeling vast dat het bestemmingsplan binnen de bestemming "Verkeer - Fiets- en voetpaden", binnen welke bestemming de fietsbrug gerealiseerd kan worden, bij de bouwregels geen regels bevat over de doorvaarhoogte onder de brug. Het bestemmingsplan staat er niet aan in de weg dat een doorvaarhoogte van 1,5 m wordt gerealiseerd, maar verplicht daar ook niet toe. De Afdeling ziet geen grond om van de raad te eisen dat hij op dit punt nadere regels in het bestemmingsplan had opgenomen. De belangen van [appellant sub 2] verplichten hiertoe naar het oordeel van de Afdeling niet.
41.4. Het betoog slaagt niet.
Soortenbescherming en stikstof
42. Met name [appellant sub 2] heeft in haar individuele beroepschrift gewezen op de effecten van het fietspad op beschermde diersoorten. Op dit punt wijst de Afdeling erop dat de toetsing wat betreft de effecten van de aanleg en ingebruikname van het fietspad op beschermde diersoorten in deze bestemmingsplanprocedure beperkt is. De reden hiervoor is dat de bescherming van diersoorten in afzonderlijke wetgeving is geregeld en dat deze wetgeving zowel bij de aanleg als bij de ingebruikname van het fietspad in acht moet worden genomen. Over het al dan niet voldoen aan deze wetgeving bestaan afzonderlijke procedures los van dit bestemmingsplan. In deze procedure over dit bestemmingsplan beoordeelt de Afdeling daarom uitsluitend of de raad op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Als dat het geval is, dan had de raad het bestemmingsplan namelijk niet mogen vaststellen.
Daarnaast geldt dat [appellant sub 2], maar ook de personen die onderdeel zijn van de bezwaargroep, zich niet in algemene zin kunnen beroepen op de effecten van het fietspad op soorten die in de omgeving van het fietspad voorkomen. Artikel 8:69a van de Awb bevat op dit punt een beperking. De Afdeling verwijst terug naar wat hiervoor onder 9.2 hierover is overwogen. Wat betreft het soortenbeschermingsregime geldt dat dit regime niet strekt ter bescherming van een appellant, als de afstand van de woning van de appellant tot de gronden waarop volgens de appellant beschermde diersoorten voorkomen meer dan 100 m bedraagt. Bij een grotere afstand dan 100 m, wordt in het algemeen door de Afdeling aangenomen dat de kwaliteit van de directe leefomgeving van appellant onvoldoende verband houdt met de bescherming van deze diersoorten.
42.1. [appellant sub 2] wijst in haar beroepschrift deels op beschermde diersoorten die voorkomen op een afstand van meer dan 100 m van haar woning. Op dit punt geldt dus dat het soortenbeschermingsregime voor die diersoorten niet strekt ter bescherming van haar belang. Voor het overige geldt dat de Afdeling het beroepschrift van [appellant sub 2] als ook de nadere stukken van [appellant sub 2] te algemeen acht om te kunnen concluderen dat het soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg zal staan. [appellant sub 2] heeft in haar beroepschrift een grote hoeveelheid aan diersoorten opgesomd, die volgens haar in de omgeving van haar woning voorkomen. Maar dat is onvoldoende om te twijfelen aan de conclusies in het bij de plantoelichting gevoegde ecologisch rapport dat het soortenbeschermingsregime, onder meer door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg zal staan. Dat geldt ook voor de waterspitsmuis, waarnaar in een nader ecologisch onderzoek bij de plantoelichting nog specifiek onderzoek is verricht. In dit onderzoek is aan de hand van meerdere veldonderzoeken geconcludeerd dat het plangebied geen leefgebied vormt voor de waterspitsmuis. [appellant sub 2] kan weliswaar in algemene zin stellen dat zij de waterspitsmuis wel meerdere keren rondom haar woning zou hebben gesignaleerd, maar dat is onvoldoende om te oordelen dat de raad, mede gelet op het feit dat door een ecologisch bureau een veldonderzoek is uitgevoerd, redelijkerwijs op voorhand had moeten inzien dat deze diersoort aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg zal staan. Ook hiervoor zijn de betogen van [appellant sub 2], afgezet tegen het feit dat er ecologische rapporten aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen, waarin aan de hand van veldonderzoeken op het soortenbeschermingsregime is ingegaan, te algemeen. Hetzelfde geldt ook voor het beroepschrift van de bezwaargroep. Ook daarin wordt alleen zijdelings gewezen op beschermde diersoorten. Ook dat is te algemeen om te twijfelen aan de bevindingen in de ecologische onderzoeken en te twijfelen aan de conclusie van de raad dat het wettelijk soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Daarbij tekent de Afdeling ook nogmaals aan dat dit onverlet laat dat bij de planuitvoering aan de wetgeving over het soortenbeschermingsregime zal moeten worden voldaan.
42.2. De betogen slagen niet.
43. [appellant sub 2] heeft daarnaast in haar beroepschrift in algemene zin vermeld dat de stikstofberekeningen in het licht van het bepaalde in de Wet natuurbescherming (Wnb) onjuist zijn. Maar ook op dit punt geldt dat het voor [appellant sub 2] dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied "Lauwersmeer", waarvoor in de bijlage bij de plantoelichting stikstofberekeningen zijn aangevoerd, ligt op ongeveer 6 km van de woning van [appellant sub 2]. Gelet op deze afstand maakt dit Natura 2000-gebied geen deel uit van de leefomgeving van [appellant sub 2] en ook niet van de bezoekers van haar bed & breakfast. Daarom geldt dat de normen in de Wnb over de bescherming van Natura 2000-gebieden kennelijk niet strekken ter bescherming van de belangen van [appellant sub 2]. Dit betekent dat [appellant sub 2] zich, gelet op het relativiteitsvereiste opgenomen in artikel 8:69a van de Awb, niet op de schending van de normen in de Wnb over de bescherming van Natura 2000-gebieden kan beroepen en dat het relativiteitsvereiste daarom in de weg staat een vernietiging van het bestemmingsplan vanwege deze beroepsgrond. De Afdeling laat de beroepsgrond van [appellant sub 2] over de stikstofberekeningen dan ook buiten inhoudelijke bespreking.
Overig
Strijd met beleid en regelgeving voor het overige
44. De bezwaargroep betoogt dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met rijks- en provinciaal beleid, waarbij wordt gewezen op de op rijksniveau vastgestelde "Nationale Omgevingsvisie" en de op provinciaal niveau vastgestelde "Omgevingsvisie Fryslân 2020; De Romte Diele". Het plan is in strijd met de "Nationale Omgevingsvisie", omdat het plan onvoldoende rekening houdt met de belangen van natuur en milieu en de leefomgeving van omwonenden, zo stelt de bezwaargroep. Daarnaast doet zich volgens de bezwaargroep strijd voor met de provinciale Omgevingsvisie, omdat de nieuwe fietsroute niet de potenties van het cultuur- en natuurtoerisme uitbouwt, het fietsgebruik niet zal stimuleren en de omgevingskwaliteit in het gedrang komt.
44.1. De Afdeling stelt voorop dat de raad niet is gebonden aan beleidstukken van hogere bestuursorganen. Wel dient de raad bij de planvaststelling met het beleid van het rijk en de provincie rekening te houden en dit in zijn belangenafweging te betrekken. Dat heeft de raad ook gedaan. In hoofdstuk 3 van de plantoelichting is ingegaan op de vraag hoe het bestemmingsplan zich verhoudt tot wat is vermeld in het beleid van het rijk en de provincie. Daarin is geconcludeerd dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met dit beleid, onder meer omdat het nieuwe fietspad bijdraagt aan een versterking van de recreatieve voorzieningen in de regio. De hiervoor onder 44 vermelde betogen van de bezwaargroep zijn in feite een herhaling van wat hiervoor in deze uitspraak al is besproken over onder meer de redenen voor de aanleg van het nieuwe fietspad, de gemaakte tracéafwegingen en ook de belangen op het gebied van bijvoorbeeld natuur en milieu. Deze onder 44 vermelde betogen zijn te algemeen om te kunnen oordelen dat de raad bij de planvaststelling geen rekening zou hebben gehouden met beleid van het rijk en de provincie.
44.2. De betogen hierover slagen daarom niet.
45. Ook de verwijzing van de bezwaargroep naar gemeentelijk beleid, onder meer opgenomen in het gemeentelijke Structuurplan 2025, acht de Afdeling te algemeen. Dat in dit Structuurplan wordt gesproken over het realiseren van sterke economische dragers, terwijl het fietspad volgens de bezwaargroep geen sterke economische drager is, betekent niet dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met dit gemeentelijk beleid, waaraan de raad wel gebonden is. Ook op dit punt geldt dat in hoofdstuk 3 van de plantoelichting is ingegaan op de vraag hoe het bestemmingsplan zich verhoudt tot het gemeentelijk beleid, waaronder het Structuurplan, waaruit blijkt dat het beleid opgenomen in onder meer het Structuurplan ook is gericht op het verbeteren van de voorzieningen voor recreatie en toerisme. Het bestemmingsplan draagt daaraan bij. Dat blijkt uit wat hiervoor onder 11.3 is overwogen. De betogen over de strijd met gemeentelijk beleid zijn verder te algemeen om te kunnen slagen.
46. Hetzelfde geldt voor het betoog van de bezwaargroep dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1 van de Wro, waarbij de bezwaargroep ter onderbouwing stelt dat het tracé van het nieuwe fietspad geen rekening houdt met bestaande historische uitgangspunten in de regio en geen boost geeft aan de bedrijven in de regio. Ook dit betoog vormt een herhaling van wat al eerder in deze uitspraak bij onder meer de redenen voor de aanleg van het fietspad is besproken. Wat in deze uitspraak is overwogen, geeft geen grond voor het oordeel dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met het in artikel 3.1 van de Wro opgenomen vereiste van een goede ruimtelijke ordening.
46.1. De betogen van de bezwaargroep slagen op dit punt niet.
Overig
47. De bezwaargroep heeft tot slot enkele algemene betogen naar voren gebracht over de effecten van het fietspad voor het woon- en leefklimaat van omwonenden, zoals het verliezen van rustige wandelmogelijkheden en de toename van CO2 vanwege de werkzaamheden ten behoeve van de aanleg en het onderhoud van het fietspad. Deze effecten acht de Afdeling niet zo groot dat de raad hieraan in zijn belangenafweging een zwaarwegende betekenis had moeten toekennen.
47.1. De betogen hierover slagen daarom niet.
Eindoordeel
48. De bezwaargroep heeft samenvattend betoogd dat alle negatieve effecten van het fietspad in samenhang bezien, onder meer wat betreft de negatieve effecten op het woon- en leefklimaat van omwonenden, de negatieve effecten op de agrarische bedrijven in de omgeving en de negatieve effecten op bijvoorbeeld de weidevogels, het bestemmingsplan, als alle belangen tegen elkaar worden afgewogen, niet had mogen worden vastgesteld. Dit betoog volgt de Afdeling niet. Gelet op wat in deze uitspraak is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat ook wanneer alle nadelige gevolgen van het fietspad in samenhang worden bezien, deze nadelige gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het fietspad te dienen doelen. Er is dan ook, ook in acht genomen de in deze uitspraak onder 11.1 beschreven beleids- en beoordelingsruimte van de raad, geen grond voor het oordeel dat de raad niet tot de conclusie heeft mogen komen dat het bestemmingsplan een goede ruimtelijke ordening dient. De algemene betogen van de bezwaargroep dat onder meer sprake is van onevenredigheid, ongelijke behandeling en onvolledige en onzorgvuldige feitenvergaring, slagen dan ook niet.
49. De beroepen van de bezwaargroep en [appellant sub 2] zijn ongegrond.
50. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, voorzitter, en mr. M.J.M. Ristra-Peeters en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier.
w.g. Gundelach
voorzitter
w.g. Van Zuijlen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
810