202406034/1/A3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 augustus 2024 in zaak nr. 23/2225 in het geding tussen:
[appellant]
en
de korpschef van politie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 september 2022 heeft de korpschef toestemming voor [appellant] om beveiligingswerkzaamheden te verrichten onthouden.
Bij besluit van 14 maart 2023 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 15 september 2025, waar de korpschef, vertegenwoordigd door mr. M.C. Hendrikse en F.H.G. Frielink, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 19 april 2022 heeft Connect Security te Amstelveen de korpschef verzocht om toestemming voor [appellant] om beveiligingswerkzaamheden te verrichten als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr). De korpschef heeft deze toestemming onthouden en heeft dit bij het besluit van 14 maart 2023 gehandhaafd. Aan dit besluit heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat uit het uittreksel Justitiële Documentatie Systeem (JDS) en uit politieregistraties volgt dat [appellant] wordt verdacht van betrokkenheid bij het telen van hennep. Daarom heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat [appellant] niet betrouwbaar genoeg is om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. De korpschef heeft in zijn besluitvorming ook betrokken dat [appellant] eerder voor overtreding van de Opiumwet is veroordeeld.
Op 8 december 2023, dus na het besluit van 14 maart 2023, heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland [appellant] vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft beoordeeld of de korpschef ten tijde van het besluit van 14 maart 2023 zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de betrouwbaarheid van [appellant] niet boven iedere twijfel verheven is. Hierbij heeft de rechtbank verwezen naar het uittreksel JDS, politieregistraties en ook naar een proces-verbaal van bevindingen van de politie over een VW Caddy die werd gebruikt bij het leveren van goederen in de woning van [appellant], waar volgens de politieregistraties een hennepkwekerij aanwezig was en waarvan [appellant] in 2017 heeft verklaard dat hij in dit voertuig reed en dat het voertuig van zijn moeder was. Dat een onderhuurder over de woning beschikte en [appellant] naar eigen zeggen bij zijn zorgbehoeftige moeder woonde, heeft de korpschef niet tot een ander standpunt hoeven brengen. [appellant] heeft niets verklaard over de identiteit van de onderhuurder en zich beroepen op zijn zwijgrecht en daardoor ook niets heeft verklaard dat ten gunste van hem zou kunnen gelden. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de korpschef zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat een vrijspraak betekent dat er niet genoeg wettig overtuigend bewijs was om tot een veroordeling te komen. Het ontbreken van een strafrechtelijk verwijt, laat onverlet dat er nog altijd de indicatie aanwezig is dat [appellant] betrokken was bij enige vorm van drugshandel, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
3. In hoger beroep betoogt [appellant] dat de korpschef de toestemming niet had mogen onthouden. Hij voert hiertoe aan dat door de vrijspraak zijn betrouwbaarheid en integriteit boven iedere twijfel verheven is. De korpschef had de vrijspraak als aanleiding moeten zien om terug te komen op zijn besluit. Daarbij betoogt [appellant] dat de korpschef een te strenge maatstaf voor betrouwbaarheid hanteert, aangezien nergens uit blijkt dat hij bij drugshandel betrokken is geweest. Volgens [appellant] moet de korpschef meer oog hebben voor de menselijke maat en wordt hij door het besluit van
14 maart 2023 onevenredig getroffen.
Beoordeling
4. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:931) komt een korpschef beoordelingsruimte toe bij de beoordeling of iemand ‘voldoende betrouwbaar’ is om te werken in de beveiligingsbranche. Gelet op de aard van de beveiligingsbranche worden hogere eisen gesteld aan beveiligers dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. Dit betekent dat de korpschef als beoordelingsmaatstaf mag hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dient te zijn.
Volgens paragraaf 3.3, Ad. a, van Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (hierna: de beleidsregels) stelt een vrijspraak extra zware eisen aan de motivering van de beoordeling van de korpschef over de betrouwbaarheid van de aanvrager. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie de uitspraak van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2623), kan de uitkomst van de strafzaak nader licht werpen op die feiten uit het strafdossier die een bestuursorgaan, vooruitlopend op het oordeel van de strafrechter, aan een besluit ten grondslag legt. Een latere uitspraak van de strafrechter over die feiten is namelijk een bewijsstuk over de feiten waarop het besluit is gebaseerd. Een vrijspraak hoeft niet altijd af te doen aan het oordeel van een bestuursorgaan, bijvoorbeeld als de vrijspraak ongemotiveerd is. De vrijspraak is in dit geval echter wel gemotiveerd. In dat geval dient de korpschef nader te motiveren waarom een betrokkene desalniettemin niet over de vereiste mate van betrouwbaarheid beschikt (uitspraak van de Afdeling van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5493). Het dwingendrechtelijk karakter van artikel 7, vierde lid, van de Wpbr, schrijft voor dat de minister de toestemming om beveiligingswerk te doen moet onthouden als zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden dat een persoon niet beschikt over de vereiste betrouwbaarheid (uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4140).
5. De strafrechter heeft [appellant] vrijgesproken omdat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor de betrokkenheid van [appellant] bij - kort gezegd - het telen van hennep. Anders dan [appellant] betoogt, betekent de vrijspraak niet dat zijn betrouwbaarheid zonder meer boven iedere twijfel is verheven. De vrijspraak legt wel een zwaardere motiveringseis op de korpschef. De rechtbank is op dit laatste onder 9 van de uitspraak ook ingegaan. In het verweerschrift dat de korpschef bij de rechtbank heeft ingediend, staat de korpschef nader stil bij vijf in dat verband relevante feiten en omstandigheden, waaronder een eerdere veroordeling wegens hennepteelt. Daar komt bij dat de korpschef in de schriftelijke uiteenzetting eveneens nader heeft onderbouwd waarom de betrouwbaarheid van [appellant] volgens hem niet boven iedere twijfel is verheven. Daarbij heeft de korpschef gewezen op de politieregistraties van [appellant] en dat op 26 juni 2019 in de woning die [appellant] huurde een hennepkwekerij is aangetroffen. Bij de woning is het voertuig van [appellant] gezien voor het aanleveren van zakken met goederen. Ook eerder, in 2015, is dit voertuig gezien bij een illegale growshop. De korpschef heeft zich op het standpunt gesteld dat het ongeloofwaardig is dat [appellant] niet kan bewijzen dat hij de woning aan een onbekend gebleven derde heeft doorverhuurd omdat hij de huurpenningen contant ontving. [appellant] zelf heeft niks aangevoerd wat die twijfel wegneemt. Hij heeft in hoger beroep alleen stellingen naar voren gebracht, zonder deze te onderbouwen. Dit laatste geldt ook voor zijn betoog dat hij onevenredig door het besluit van
14 maart 2023 wordt geraakt en de korpschef meer oog voor de menselijke maat had moeten hebben. Nog afgezien van het dwingendrechtelijke karakter van artikel 7, vierde lid, van de Wpbr, slaagt dit betoog van [appellant] reeds daarom niet.
De Afdeling is van oordeel dat de korpschef op grond van het voorgaande de betrouwbaarheid van [appellant] redelijkerwijs niet boven iedere twijfel verheven heeft kunnen achten en de toestemming daarom terecht heeft onthouden. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.
Slotsom
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7. De korpschef hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bindels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
85-1158