ECLI:NL:RVS:2026:1074

ECLI:NL:RVS:2026:1074

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 25-02-2026
Zaaknummer 202400231/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij besluit van 20 december 2023 heeft het college aan CBD opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een steiger en het innemen van twee ligplaatsen voor twee passagiersvaartuigen op de locatie ter hoogte van het pand [locatie] in Amsterdam. CBD heeft op 6 augustus 2018 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning en die aanvraag gewijzigd op 21 juni 2019. De aanvraag betreft het oprichten van een L-vormige steiger en het gebruiken van gronden als ligplaats voor twee passagiersvaartuigen op de locatie ter hoogte van het pand [locatie]. De boten komen aan weerszijden van de steiger en parallel aan de kade te liggen. Bij besluit van 8 april 2020 heeft het college aan CBD de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en gebruiken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo verleend. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 29 juli 2021 in zaak nr. 20/2880 het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van het college gedeeltelijk vernietigd en zelf in de zaak voorzien.

Uitspraak

202400231/1/R1.

Datum uitspraak: 25 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend in Amsterdam,

2. Classic Boat Dinners B.V. (hierna: CBD), gevestigd in Amsterdam,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2023 heeft het college aan CBD opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een steiger en het innemen van twee ligplaatsen voor twee passagiersvaartuigen op de locatie ter hoogte van het pand [locatie] in Amsterdam.

Tegen dit besluit heeft [appellant sub 1] beroep ingesteld. CBD heeft ook een rechtsmiddel aangewend. Zij heeft beoogd incidenteel hoger beroep in te stellen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2026, waar [appellant sub 1A], CBD, vertegenwoordigd door mr. E.C.W. Timmer, advocaat in Amsterdam, en [gemachtigde], zijn verschenen. Het college, vertegenwoordigd door mr. L.C. Elewoud, heeft digitaal aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 6 augustus 2018. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. CBD heeft op 6 augustus 2018 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning en die aanvraag gewijzigd op 21 juni 2019. De aanvraag betreft het oprichten van een L-vormige steiger en het gebruiken van gronden als ligplaats voor twee passagiersvaartuigen (hierna: boten) op de locatie ter hoogte van het pand [locatie]. De boten komen aan weerszijden van de steiger en parallel aan de kade te liggen. Bij besluit van 8 april 2020 heeft het college aan CBD de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en gebruiken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo verleend. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 29 juli 2021 in zaak nr. 20/2880 het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van het college gedeeltelijk vernietigd en zelf in de zaak voorzien. Bij uitspraak van 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2785, heeft de Afdeling het hoger beroep van [appellant sub 1] en het incidenteel hoger beroep van CBD tegen die uitspraak gegrond verklaard. De Afdeling heeft onder meer de uitspraak van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en het college opgedragen om binnen 16 weken een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Daarbij heeft zij bepaald dat tegen dat besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling.

CBD heeft op 15 december 2023 de aanvraag gewijzigd met het indienen van een gewijzigde tekening. De gewijzigde aanvraag heeft betrekking op de bouw van een gedeeltelijk smallere steiger. Het steigerdeel dat parallel aan de kade loopt is versmald tot 40 cm. Wat betreft het gebruik als ligplaats heeft de gewijzigde aanvraag betrekking op een wat kleiner vlak, namelijk van 6,12 m bij 11,55 m. Ten opzichte van de eerdere aanvraag steekt de boot die het verst van de kade komt te liggen 2,62 m uit vanaf de steiger. Het college is ervan uitgegaan dat de wijziging van de aanvraag van ondergeschikte aard is dan wel dat aannemelijk is dat daardoor geen derden worden benadeeld.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Water". De gronden hebben daarin onder meer de bestemming "Water". Vast staat dat de aangevraagde activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan. Onder meer omdat de gronden die als ligplaats worden gebruikt, slechts gedeeltelijk de aanduiding "specifieke vorm van water-ligplaats varend bedrijfsvaartuig" (hierna: de aanduiding "svvw-lvbv") hebben en gebruik als ligplaats niet is toegestaan op gronden zonder die aanduiding. Ook mag een steiger niet worden gebouwd op gronden met de bestemming "Water".

Het college heeft bij het besluit van 20 december 2023 medewerking verleend aan de afwijking van het bestemmingsplan en de aangevraagde omgevingsvergunning verleend.

[appellant sub 1] bewoont een woonark aan de Achtergracht 14G en is het niet eens met het besluit. Hij vreest dat als CBD twee boten heeft aangemeerd de doorvaartmogelijkheden in de gracht worden belemmerd.

Intrekking rechtsmiddel

3. CBD heeft op de zitting het door haar ingestelde rechtsmiddel ingetrokken.

Verwijzing naar eerdere gronden

4. [appellant sub 1] heeft op de zitting te kennen gegeven dat hij de gronden die hij in hoger beroep bij de Afdeling naar voren heeft gebracht tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 juli 2021, nu ook in beroep tegen het besluit van 20 december 2023 aanvoert.

4.1. De Afdeling overweegt dat het college met het besluit heeft beoogd de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2023 in acht te nemen. Met de enkele verwijzing naar de gronden die hij tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank heeft aangevoerd en die hebben geleid tot die Afdelingsuitspraak, heeft [appellant sub 1] onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom het besluit van het college ondeugdelijk is. Andere gronden dan de gronden die hij in de brief van 2 maart 2024 naar voren heeft gebracht, kunnen daarom niet leiden tot het oordeel dat het besluit niet in stand kan blijven.

Het betoog faalt.

Tijdigheid van het besluit

5. [appellant sub 1] betoogt dat het college door het besluit pas op 20 december 2023 te nemen, niet heeft voldaan aan de opdracht van de Afdeling in de uitspraak van 19 juli 2023 om binnen 16 weken een nieuw besluit te nemen. Daarom moet dat besluit volgens hem worden beschouwd als niet te zijn genomen of worden vernietigd.

5.1. Het aangevoerde betoog leidt niet tot het daarmee beoogde doel. Dat het besluit niet binnen de door de Afdeling gesteld termijn van 16 weken is genomen, tast de rechtmatigheid van het besluit niet aan. Als [appellant sub 1] eerdere besluitvorming had willen bewerkstelligen, had hij het college na de verstrijking van de beslistermijn een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kunnen sturen. Indien na twee weken geen besluit was genomen, had hij beroep kunnen instellen tegen het uitblijven van een besluit. Dat heeft hij niet gedaan. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit niet in stand kan blijven vanwege het moment waarop het college dat heeft genomen. Het betoog slaagt niet.

Ten onrechte niet in gelegenheid gesteld een reactie te geven?

6. [appellant sub 1] betoogt dat het college hem voorafgaand aan het nemen van het besluit ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op nieuwe meetresultaten.

6.1. De Afdeling begrijpt dit betoog zo dat volgens [appellant sub 1] aan hem een zienswijzemogelijkheid moest worden geboden, nu het college het besluit heeft gebaseerd op resultaten van metingen die na het ter inzage leggen van het ontwerpbesluit hebben plaatsgevonden.

Na vernietiging van een besluit door de bestuursrechter staat het bevoegd gezag het in beginsel vrij om terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag. Het college heeft aan het besluit de resultaten neergelegd van op 16 augustus 2023 verrichte metingen van de feitelijk bestaande situatie ter plaatse. Deze meetresultaten zijn naar het oordeel van de Afdeling niet een zodanig ingrijpende aanvulling van de bij de aanvraag behorende bescheiden dat er grond is voor het oordeel dat het college een nieuw ontwerpbesluit ter inzage moest leggen waartegen zienswijzen konden worden ingebracht.

Het betoog treft geen doel.

Resteert er bij het gebruik als ligplaats voldoende doorvaartruimte?

7. [appellant sub 1] betoogt dat het college heeft miskend dat met het gebruik als ligplaats in strijd met artikel 4.4.3, aanhef en onder b, van de planregels het vereiste doorvaartprofiel van 10 m niet in acht wordt genomen. Volgens hem is de feitelijke doorvaartruimte slechts 9,28 meter.

Hij plaatst kanttekeningen bij de juistheid van de door het college gehanteerde meetresultaten. Ter onderbouwing van zijn betoog wijst [appellant sub 1] opnieuw op het verslag van Rural Planning Services (hierna: RPS), dat is uitgebracht ten behoeve van het door hem ingediende hoger beroep, dat heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2023. Volgens hem is ten onrechte gemeten tot de feitelijk aan de overzijde van de gracht aanwezige woonark, die een breedte heeft van 5,70 meter, terwijl het bestemmingsplan ter plaatse een woonark van 6,50 m toestaat. Ook zou de afstand tot die woonark niet loodrecht zijn gemeten, maar door berekeningen tot stand zijn gekomen. Verder wijst [appellant sub 1] erop dat de twee boten van CBD breder zijn dan waarvan het college bij het besluit is uitgegaan. Hij meent dat het college ten onrechte de breedte van de boten niet heeft gecontroleerd en hij wijst op het ontbreken van stootwillen tijdens de meting. Ook zou een boot tijdens de meting zijn afgemeerd met spanbanden, wat niet overeenstemt met de feitelijke situatie.

7.1. Op grond van artikel 4.1, aanhef en onder h, van de planregels zijn de voor "Water" aangewezen gronden, daar waar op de verbeelding de aanduiding "svvw-lvbv" voorkomt, bestemd voor ligplaatsen voor varende bedrijfsvaartuigen. Dat betekent echter niet dat het gebruik van die gronden als ligplaats voor een varend bedrijfsvaartuig zonder meer is toegestaan. In artikel 4.1, aanhef en onder h, staat namelijk ook dat het bepaalde in artikel 4.4.3 in acht moet worden genomen. Dus alleen voor zover dat het geval is, mogen de gronden als ligplaats voor een varend bedrijfsvaartuig worden gebruikt.

Artikel 4.4.3 bevat specifieke gebruiksregels. Onder b staat dat bij het innemen van ligplaatsen binnen de aanduiding de door het college bij besluit van 8 april 2008 vastgestelde doorvaartprofielen in acht dienen te genomen te worden, zodat boten niet in de doorvaart worden afgemeerd.

Bij besluit van 8 april 2008 heeft het college de Regeling doorvaartprofielen binnenwateren Amsterdam (Gemeenteblad 2008, afdeling 3B, nr. 39) vastgesteld. In de Regeling zijn voor de binnenwateren van de gemeente Amsterdam doorvaartprofielen vastgesteld voor de breedte van de doorvaart, de lengte en breedte van de vaartuigen en de doorvaartprofieldiepte. In het besluit van 8 april 2008 staat dat het niet is toegestaan dat vaartuigen zodanig afmeren of een ligplaats innemen dat zij binnen het doorvaartprofiel liggen. De Achtergracht heeft blijkens de kaart van de doorvaartprofielen profiel E. Voor profiel E geldt een doorvaartbreedte van minimaal 10 meter.

7.2. Aan het besluit heeft het college de resultaten van metingen ten grondslag gelegd. Die resultaten zijn neergelegd in een tekening die behoort bij de verleende omgevingsvergunning. Een medewerker van de dienst Binnenhavenbeheer (Programma Varen) van de gemeente Amsterdam heeft op 16 augustus 2023 met een lasermeter een meting verricht vanaf een ten behoeve van die meting gerealiseerde drijvende steiger tegen de boot van CBD die het verste van de kade ligt afgemeerd. De medewerker heeft toen gemeten dat die boot tot 6,14 m van de kade ligt en dat de afstand vanaf die boot tot de woonark die ligt aan de overzijde van de gracht 10,20 m is.

De Afdeling overweegt allereerst dat het college terecht de afstand van de kade tot de aanwezige woonark heeft gemeten. Het doorvaartprofiel dat op grond van de Regeling moet worden aangehouden wordt als minimale voorwaarde gezien voor de scheepvaart om vlot en veilig te kunnen passeren. Daarbij gaat het erom of feitelijk die doorvaartruimte van, in het geval van de Achtergracht, 10 m aanwezig is. Het hanteren van een feitelijke doorvaartruimte verdraagt zich, anders dan [appellant sub 1] veronderstelt, met het bestemmingsplan. De woonark ligt op een afstand tot 5,70 m van de kade waaraan de woonark ligt. De desbetreffende gronden hebben in het bestemmingsplan de aanduiding "specifiek vorm van water - ligplaatsen". Deze aanduiding is weliswaar toegekend aan gronden die tot ongeveer 6,50 m uit de kade liggen, maar op grond van de in dit geval geldende bestemmingsplanregels mogen die gronden niet zonder meer worden gebruikt voor een woonark met die breedte. Op grond van artikel 4.4.1, aanhef en onder e, van de planregels is het gebruik als ligplaats immers alleen toegestaan voor zover het doorvaartprofiel in acht wordt genomen. Als de verleende vergunning in stand blijft en CBD daarvan gebruik maakt, mag er op grond van het bestemmingsplan aan de overzijde van gracht dus geen woonark van 6,50 m breed meer worden aangemeerd.

Volgens de meting die het college heeft gehanteerd, is de afstand van de kade tot de woonark aan de tegenoverliggende kade 16,34 meter. In de enkele stelling van [appellant sub 1] dat de medewerker de afstand niet loodrecht kan hebben gemeten, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de gemeten afstand tussen de boot van CBD en de woonark onjuist is. De stelling van [appellant sub 1] dat de boten van CBD breder zijn dan waarvan het college bij het besluit is uitgegaan en dat de boten tijdens de meting niet waren aangemeerd zoals is vergund, leidt niet tot het oordeel dat het meetresultaat wat betreft de doorvaartruimte onjuist is. De Afdeling betrekt daarbij dat uit de berekeningen, die in opdracht van [appellant sub 1] door RPS zijn gemaakt, geen wezenlijk andere afstand volgt. RPS heeft de berekeningen gemaakt op basis van luchtfoto’s en heeft de resultaten gecontroleerd aan de hand van een meting in het veld. Volgens het daarvan opgestelde verslag is de afstand van de kade tot de woonark op basis van een luchtfoto minimaal 16,30 meter. De variatie van de lasermeting ten opzichte van open source bronnen bevindt zich in de range van 2 tot 10 cm, zo staat in het verslag. De Afdeling stelt vast dat daarvan uitgaande de afstand in ieder geval 16,20 m bedraagt.

Gelet daarop en gezien het in de aangepaste aanvraag vermelde ruimtebeslag van de steiger en het ligplaatsvlak van in totaal 6,12 m tot de kade, resteert een doorvaartruimte van ten minste 10,08 m. Daarmee wordt voldaan aan het in de planregels vastgelegde doorvaartprofiel van 10 m.

7.3. In de aangevraagde situatie is uitgegaan van boten met breedtes van 2,62 m en 2,60 m. Volgens CBD zijn dat de bestaande breedtes van de boten "De Muze" en de "Kleijn Amsterdam". CBD verwijst daarbij naar 3d-laserscans, die door onderzoeksbureau "leap3d" zijn verricht. In de aanvraag is er verder van uitgegaan dat er geen stootwillen worden gebruikt. Het besluit van 20 december 2023 geeft toestemming om een steiger te bouwen en om een gedeelte van de gracht te gebruiken als ligplaats. Dat besluit geeft CBD dus geen toestemming om buiten dat gedeelte van de gracht gronden als ligplaats voor die boten te gebruiken. De breedte van de boten is dus alleen van belang in het kader van de uitvoerbaarheid van de vergunning. In wat [appellant sub 1] daartegen heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de Afdeling geen grond te vinden voor het oordeel dat op voorhand vaststaat dat de aangevraagde situatie niet uitvoerbaar zal zijn.

7.4. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het op grond artikel 4.4.3, aanhef en onder b, van de planregels vereiste doorvaartprofiel in acht wordt genomen.

Het betoog treft geen doel.

Slotoverwegingen en proceskosten

8. Het beroep is ongegrond.

8.1. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. De kosten die [appellant sub 1] heeft gemaakt voor het verslag van RPS komen niet alsnog voor vergoeding in aanmerking. Dat verslag is ingebracht in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 19 juli 2023. Om vergoeding van de kosten daarvan had hij in die procedure, voorafgaand aan de uitspraak, moeten verzoeken. Dat heeft hij niet gedaan.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Besselink

voorzitter

w.g. Van Heusden

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026

163

BIJLAGE

Bestemmingsplan "Water"

Artikel 4.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor "Water" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. waterberging, waterwegen, de waterhuishouding en waterstaatsdoeleinden;

b. […];

c. steigers, uitsluitend daar waar op de verbeelding de aanduiding 'steiger' voorkomt;

d. aanlegsteigers uitsluitend daar waar op de verbeelding de aanduiding 'aanlegsteiger' voorkomt, inclusief bijbehorende toegangsvoorziening;

e. ligplaatsen voor woonboten en bedrijfsvaartuigen, uitsluitend daar waar op de verbeelding de aanduiding 'specifieke vorm van water - ligplaatsen' voor komt, met in achtneming van het bepaalde in artikel 4.4.1;

f. […];

g. ligplaats voor varende bedrijfsvaartuigen, uitsluitend daar waar op de verbeelding de aanduiding 'specifieke vorm van water - ligplaats varend bedrijfsvaartuig' voor komt, met inachtneming van het bepaalde in artikel 4.4.3;

[…].

4.4 Specifieke gebruiksregels

Op de tot 'Water' bestemde gronden gelden de volgende specifieke gebruiksregels:

4.4.1 Ligplaatsen voor woonboten

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - ligplaatsen' gelden de volgende regels:

a. binnen het aanduidingsvlak 'specifiek vorm van water - ligplaatsen' mag het aantal woonboten en/of bedrijfsvaartuigen worden afgemeerd dat op de verbeelding is aangegeven met de aanduiding 'aantal';

b. ten aanzien van het op de verbeelding binnen de aanduiding 'specifiek vorm van water - ligplaatsen' met de aanduiding 'maximum aantal' aangegeven aantal geldt het volgende. Voor zover voor het maximum aantal geen ligplaatsvergunningen zijn uitgegeven worden de resterende beschikbare ligplaatsen aangemerkt als 'alternatieve ligplaatsen' als bedoeld in artikel 1.7;

[…];

e. bij het innemen van ligplaatsen binnen de aanduiding 'specifieke vorm van water - ligplaatsen' dienen de door het college van Burgemeester en Wethouders bij besluit van 8 april 2008 vastgestelde doorvaartprofielen in acht genomen te worden, zodat boten niet in het doorvaart worden afgemeerd. Het dagelijks bestuur wint daartoe advies in bij Waternet.

[…].

4.4.3 Ligplaatsen voor varende bedrijfsvaartuigen

a. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - ligplaats varend bedrijfsvaartuig' mag binnen het aanduidingsvlak maximaal het aantal ligplaatsen worden ingenomen dat op de verbeelding is aangegeven met de aanduiding 'maximum aantal', mits voor het varende bedrijfsvaartuig een ligplaatsvergunning is verleend.

b. Bij het innemen van ligplaatsen binnen de aanduiding 'specifieke vorm van water - ligplaats varend bedrijfsvaartuig' dienen de door het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 8 april 2008 vastgestelde doorvaartprofielen in acht genomen te worden, zodat boten niet in het doorvaart worden afgemeerd. Het dagelijks bestuur wint daartoe advies in bij Waternet.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?