202500034/1/A2.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend in [woonplaats],
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 november 2024 in zaak nr. 23/1910 in het geding tussen:
[appellant sub 1]
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (GS).
Procesverloop
Bij besluit van 30 juni 2022 heeft de raad van de gemeente Land van Cuijk het verzoek van [appellant sub 2] tot onttrekking aan de openbaarheid van het pad dat loopt over het perceel BMR Z 3291 afgewezen.
Bij besluit van 8 mei 2023 hebben GS het door [appellant sub 2] daartegen ingediende administratief beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het verzoek tot onttrekking van het pad aan de openbaarheid afgewezen op andere gronden.
Bij uitspraak van 28 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
De gemeenteraad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 november 2025, waar [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C] en [appellant sub 2A], [appellant sub 2B], bijgestaan door mr. W. Leistra, advocaat in Arnhem, en GS, vertegenwoordigd door S.J.J. van Schijndel LLB, zijn verschenen. Verder is ter zitting ook de gemeenteraad, vertegenwoordigd door B. van Raaij en mr. A.G. Schlösser, gehoord.
Overwegingen
1. [appellant sub 2] is eigenaar van het perceel kadastraal bekend als BMR Z 3291, dat is gelegen tussen de woningen aan [locatie 1] en [locatie 2]. Over dat perceel loopt een pad dat ook wel bekend is als het pad Hoogeind. Het pad was in het verleden in het bezit van de Nederlandse Spoorwegen waarna het eigendom is overgegaan op de gemeente. Die heeft het pad op enig moment verkocht aan een particulier. In 2020 is het eigendom overgedragen aan [appellant sub 2]. Het pad wordt gebruikt door omwonenden, er wordt veel gewandeld en scholieren gebruiken het als een sluiproute. [appellant sub 2] ervaart overlast en meent dat het gebruik van het pad onveilige situaties oplevert. Hij heeft daarom de gemeenteraad verzocht om te verklaren dat het geen openbare weg is. Dit verzoek heeft de gemeenteraad afgewezen. Ook een daarop volgend verzoek om het pad aan de openbaarheid te onttrekken heeft de gemeenteraad afgewezen. Daaraan lag ten grondslag dat het pad volgens de gemeenteraad een openbare weg is en dat de gemeenteraad het algemeen belang van gebruik van het pad groter acht, dan bijvoorbeeld het recht op privacy omdat het pad niet direct aan de woning grenst. Tegen dat besluit heeft [appellant sub 2] administratief beroep ingesteld bij GS. GS hebben dat beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar het verzoek alsnog afgewezen omdat naar het oordeel van GS het pad geen weg is in de zin van de Wegenwet.
2. De rechtbank heeft het door [appellant sub 1] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank ten eerste het beroep van [appellant sub 1] ontvankelijk geacht omdat zij de termijnoverschrijding bij het instellen van het beroep verschoonbaar achtte. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld. dat GS zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat het pad geen weg is in de zin van artikel 1 van de Wegenwet. Hierdoor is die wet niet op die weg van toepassing.
De ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 1]
3. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [appellant sub 1] ontvankelijk is in zijn beroep. Wat [appellant sub 2] in het incidenteel hoger beroep heeft aangevoerd, geeft de Afdeling geen aanleiding tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank op dit punt en in de onder 7.3, 7.6 en 7.7 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Is Hoogeind een weg in de zin van de Wegenwet?
4. De Afdeling ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het pad een weg is in de zin van artikel 1 van de Wegenwet. Volgens vaste rechtspraak moet daarvoor worden bezien of het gaat om verkeersbanen die een functie vervullen ten behoeve van het afwikkelen van het openbaar verkeer en die derhalve naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen. Daarbij is niet van belang wie eigenaar is van de grond waarop de weg is aangelegd. Ook speelt bij het beantwoorden van die vraag geen rol of er een ander recht, zoals een erfdienstbaarheid of recht van overpad, op de weg rust (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1652) .
4.1. Het pad is een fysieke doorgang die begint tussen de woningen gelegen aan [locatie 1] en [locatie 2] en loopt in zuidelijke richting om vervolgens ten hoogte van de tuin van [locatie 3] op de y-splitsing weer aansluiting op een ander deel van Hoogeind te vinden. Het pad wordt gebruikt door de buurtbewoners en voetgangers. Het pad is weliswaar afgesloten voor fietsers, maar in de praktijk maken fietsende scholieren toch gebruik van het pad. Het pad was, voor de fysieke afsluiting door [appellant sub 2] in 2023, vrij toegankelijk en ook opgenomen in diverse toeristische wandelroutes. De functie van het pad is daarom het afwikkelen van onder meer recreatief voetgangersverkeer van een grote, onbepaalde publieksgroep. Daarom concludeert de Afdeling, anders dan de rechtbank en GS, dat dit pad een weg is in de zin van de Wegenwet.
5. Het incidenteel hoger beroep is ongegrond en het hoger beroep is gegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover daarin het beroep van Huigen ontvankelijk is verklaard en vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling een oordeel geven over het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen de beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Is de weg een openbare weg?
6. Zowel GS als de rechtbank zijn niet toegekomen aan de vraag of het pad als weg ook een openbare weg is.
6.1. [appellant sub 1] betoogt dat het om een openbare weg gaat. Het pad wordt van oudsher door de buurtbewoners gebruikt. Daartoe heeft hij verklaringen overgelegd van buurtbewoners die zeker vanaf halverwege jaren 50 van de vorige eeuw dit pad als doorgangsweg kennen. Bovendien is het pad altijd vrij toegankelijk geweest voor voetgangers.
6.2. [appellant sub 2] betoogt dat voor zover het pad een weg is, het niet openbaar is omdat het pad niet voor een ieder toegankelijk is. Het pad is niet voor niets met een bord afgesloten voor verkeer. Het gebruik door fietsers, in strijd met de geldende verkeersregels, als sluiproute maakt niet dat het een openbare weg kan worden. Ook wordt volgens [appellant sub 2] het pad niet al tien jaar lang onderhouden door de gemeente.
6.3. De Afdeling stelt op basis van de stukken en wat ter zitting is besproken vast dat het pad gedurende de in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder I, van de Wegenwet genoemde termijn voor eenieder toegankelijk was. Dit betekent dat het pad een openbare weg is. Dat het pad wellicht (een deel van die periode) enkel door bestemmingsverkeer en voetgangers te gebruiken was, maakt niet dat het opgehouden is openbaar te zijn. Daarvoor is op grond van artikel 7 van de Wegenwet namelijk vereist dat het pad gedurende dertig achtereenvolgende jaren niet voor iedereen toegankelijk is geweest óf dat het pad door het bevoegd gezag aan de openbaarheid is onttrokken. Van de eerste situatie is geen sprake. Het pad is altijd onbeperkt toegankelijk geweest voor voetgangers. Pas in 2023, na de uitspraak op administratief beroep door GS, heeft [appellant sub 2] de fysieke toegang tot het pad afgesloten door het plaatsen van een hek. Daarmee wordt dus niet voldaan aan de eerste mogelijkheid uit artikel 7 van de Wegenwet. En een verzoek tot de tweede mogelijkheid, de onttrekking door het bevoegd gezag, ligt aan dit geschil ten grondslag. Dat verzoek is afgewezen door de gemeenteraad met het besluit van 30 juni 2022. Het betoog van [appellant sub 1] slaagt. Dit betekent dat het besluit van GS van 8 mei 2023 niet in stand kan blijven.
Het verzoek tot onttrekking van de weg aan de openbaarheid
7. In het ontwerpbesluit van 14 oktober 2021 heeft de gemeenteraad de bij het besluit betrokken belangen kenbaar tegenover elkaar afgewogen. In de motivering die ten grondslag lag aan het bestreden besluit is ook ingegaan op de belangen zoals privacy en verkeersveiligheid die in het hoger beroep door met name [appellant sub 2] ook aan de orde zijn gesteld. Met het oordeel dat het pad geen weg is in de zin van de Wegenwet zijn GS niet aan de vraag toegekomen of de gemeenteraad terecht het verzoek tot onttrekking van de weg aan de openbaarheid heeft afgewezen. Dit moet alsnog gebeuren.
Conclusie
8. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond. De Afdeling zal het besluit van GS van 8 mei 2023 vernietigen. GS zullen een nieuw besluit op het administratief beroep moeten nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De Afdeling zal daarvoor een termijn stellen.
9. Met het oog op de efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
10. De proceskosten hoeven niet te worden vergoed omdat niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten. GS moeten wel het door [appellant sub 1] betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] ongegrond;
II. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost Brabant van 28 november 2024 in zaak nr. 23/1910, voor zover daarbij het besluit van 8 mei 2023 in stand is gelaten;
IV. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] gegrond;
V. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 8 mei 2023 met kenmerk C2307652/5264698;
VI. draagt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op om binnen 12 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen;
VII. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 473,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
284-1043