202503794/1/R4.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in Den Haag,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2025 heeft het college zijn beslissing om op 7 februari 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellante] komt.
Bij besluit van 28 mei 2025 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2025, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door H. Ben Hammou, zijn verschenen.
Overwegingen
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een grote doos die op 7 februari 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC) ter hoogte van Marconistraat 87 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het adreslabel op de doos staan.
2. [appellante] betwist niet dat de doos van haar afkomstig is, maar zij stelt dat zij niet degene is geweest die de doos naast de ORAC heeft gezet. [appellante] heeft een bezorgbevestiging overgelegd, waaruit blijkt dat een pakketbezorgder van DPD de doos op vrijdag 7 februari 2025 om 13:47 uur bij haar heeft bezorgd. Tijdens de bezorging leek het volgens [appellante] alsof het kattengrit dat zij had besteld uit de doos lekte. Omdat zij vaker een beschadigde zak kattengrit heeft ontvangen, heeft zij tegen de pakketbezorger gezegd dat zij de zak kattengrit direct wilde retourneren. Zij heeft vervolgens de doos opengemaakt om de andere artikelen die zij had besteld eruit te halen. Nadat de doos was geopend bleek dat de zak kattengrit niet beschadigd was, maar slechts lekte omdat de doos ondersteboven was gekeerd. Omdat de doos al geopend was, heeft zij deze teruggegeven aan de pakketbezorger en heeft ze het kattengrit en de overige inhoud van de doos mee naar binnen genomen. Volgens [appellante] heeft niet zij, maar de pakketbezorger de doos vervolgens naast de ORAC geplaatst waar deze de bewuste vrijdag om 14:34 uur is aangetroffen door een toezichthouder, die het proces verbaal opmaakte. [appellante] heeft meerdere bewijsstukken overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat zij direct na de bezorging naar binnen is gegaan en daar tot minimaal 15:45 uur is gebleven. Zij heeft onder meer getuigenverklaringen overgelegd van twee advocaten die op het moment van de bezorging bij haar thuis waren voor de voorbereiding van een digitale zitting van de kantonrechter-regelrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de kantonrechter-regelrechter) die volgens [appellante] van 14:00 uur tot 15:45 uur duurde. [appellante] stelt dat hieruit blijkt dat zij niet in de gelegenheid is geweest de doos tussen 13:47 uur en 14:34 uur onjuist aan te bieden door deze naast de ORAC te plaatsen.
2.1. Als verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij de overtreder is. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.
Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel doet trekken. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.
2.2. Vaststaat dat op 7 februari 2025 om 14:34 uur naast een ORAC ter hoogte van Marconistraat 87 een doos is aangetroffen, die daarmee in strijd met de Afvalstoffenverordening ter inzameling is aangeboden. Door het adreslabel is de doos tot [appellante] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij door wat zij aanvoert voldoende twijfel ontstaat of zij daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het verkeerd aanbieden van de doos.
De Afdeling overweegt dat [appellante] consistent heeft verklaard dat zij direct na de bezorging van de doos haar huis is binnengegaan en vanwege een digitale zitting van de kantonrechter-regelrechter tot 15:45 uur binnen is gebleven. Zij heeft haar verklaringen ook onderbouwd met objectieve gegevens. Zij heeft de uitspraak van de kantonrechter-regelrechter overgelegd, waaruit blijkt dat [appellante] en haar twee advocaten inderdaad de zitting op 7 februari 2025 hebben bijgewoond, die plaatsvond op haar woonadres [locatie] in Den Haag. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat de zitting heeft geduurd van 14:00 uur tot 15:45 uur en dat zij aannemelijk heeft gemaakt daar al die tijd bij aanwezig te zijn geweest. Het college heeft dit ook niet weersproken. Uit de twee verklaringen die zij heeft overgelegd blijkt dat een van haar advocaten op het moment van de bezorging van het pakket bij haar thuis aanwezig was voor een voorbespreking van de zitting. Verder blijkt uit de verklaringen dat haar andere advocaat bij haar thuis arriveerde tijdens de bezorging van de doos. Uit zijn verklaring blijkt dat [appellante] op dat moment buiten stond met een pakketbezorger en dat zij vrijwel direct na hem naar binnen is gegaan. Gelet hierop heeft [appellante] voldoende twijfel gezaaid om het bewijsvermoeden te ontkrachten dat zij de doos die om 14:34 uur naast een ORAC ter hoogte van Marconistraat 87 is aangetroffen verkeerd heeft aangeboden.
Het betoog slaagt.
3. Het beroep is gegrond. Het besluit van 28 mei 2025 moet worden vernietigd. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 21 februari 2025 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit heeft tot gevolg dat als [appellante] het bedrag van € 199,57 al heeft betaald, het college dit bedrag zal moeten terugbetalen.
4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 28 mei 2025, kenmerk JBN.2025.00713.001;
III. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 21 februari 2025, kenmerk VTH2O25-20758;
IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 53,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Schmidt, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schmidt
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
1133