ECLI:NL:RVS:2026:1084

ECLI:NL:RVS:2026:1084

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 25-02-2026
Zaaknummer 202306082/4/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 5 september 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag het definitief plaatsingsplan "ondergrondse restafvalcontainers Bloemenbuurt-Oost (buurt 51), Segbroek, Den Haag" vastgesteld. Daarbij is onder meer de locatie 51-22A aangewezen voor de plaatsing van drie ondergrondse restafvalcontainers.De locatie ligt vlakbij de kruising van de Asterstraat met de Wingerdstraat, ter hoogte van Wingerdstraat 101-103. [appellante] woont aan de [locatie]. Volgens haar leiden de ORAC’s tot onaanvaardbare geuroverlast. De ORAC’s zijn al geplaatst. [appellante] betoogt dat de ORAC’s leiden tot onaanvaardbare geuroverlast gedurende warme maanden, met name de zomermaanden. Volgens haar bieden maatregelen tegen geuroverlast onvoldoende soelaas. Ter ondersteuning van haar betoog heeft zij gewezen op ongeveer 60 meldingen over geuroverlast die zij en andere omwonenden hebben ingediend bij het gemeentebestuur.

Uitspraak

202306082/4/R1.

Datum uitspraak: 25 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend in Den Haag,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2023 heeft het college het definitief plaatsingsplan "ondergrondse restafvalcontainers Bloemenbuurt-Oost (buurt 51), Segbroek, Den Haag" vastgesteld. Daarbij is onder meer de locatie 51-22A aangewezen voor de plaatsing van drie ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s).

Tegen dit besluit heeft onder meer [appellante] beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de behandeling van het beroep van [appellante] afgesplitst van de behandeling van de andere beroepen tegen dit besluit. De behandeling van de andere beroepen is voortgezet onder zaak nr. 202306082/1/R1. De Afdeling heeft bij uitspraak van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3437, op de andere beroepen beslist.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 23 mei 2025, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door D. van der Klauw en W. van Lith, zijn verschenen.

Na sluiting van het onderzoek heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend en het college om nadere informatie gevraagd.

Het college en [appellante] hebben vervolgens nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw op zitting behandeld op 13 februari 2026, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door D. van der Klauw en W. van Eijk, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. In het plaatsingsplan is locatie 51-22A aangewezen voor de plaatsing van drie ORAC’s. De locatie ligt vlakbij de kruising van de Asterstraat met de Wingerdstraat, ter hoogte van Wingerdstraat 101-103. [appellante] woont aan de [locatie]. Volgens haar leiden de ORAC’s tot onaanvaardbare geuroverlast. De ORAC’s zijn al geplaatst.

Toetsingskader

2. Bij de keuze van een locatie voor een ORAC moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de ORAC.

Intrekking beroepsgrond

3. [appellante] heeft op de tweede zitting haar beroepsgrond dat de ORAC’s tot geluidoverlast leiden, omdat zij geen rubberen dempers hebben, ingetrokken.

Onaanvaardbare geuroverlast?

4. [appellante] betoogt dat de ORAC’s leiden tot onaanvaardbare geuroverlast gedurende warme maanden, met name de zomermaanden. Volgens haar bieden maatregelen tegen geuroverlast onvoldoende soelaas. Ter ondersteuning van haar betoog heeft zij gewezen op ongeveer 60 meldingen over geuroverlast die zij en andere omwonenden hebben ingediend bij het gemeentebestuur.

4.1. Volgens het college leiden de ORAC’s niet tot onaanvaardbare geuroverlast en heeft het alle mogelijke maatregen tegen geuroverlast genomen. Het college heeft toegelicht dat de ORAC’s naar aanleiding van het beroep van [appellante] in de zomerperiode van 2025 minimaal wekelijks zijn geleegd. Ook worden ORAC’s in Den Haag standaard 2 keer per jaar gereinigd. Verder zijn de ORAC’s op deze locatie na de meldingen van geuroverlast meerdere malen aan de buitenkant gereinigd.

4.2. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat de gevolgen die inherent zijn aan een ORAC, zoals geuremissie, onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg hoeven staan. Daarbij is van belang dat onder meer geuroverlast door de constructie van een ondergrondse container en door het regelmatig legen en schoonmaken zoveel mogelijk worden voorkomen. Als voorbeeld wijst de Afdeling op haar uitspraak van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1464.

De Afdeling ziet in wat [appellante] naar voren heeft gebracht, voldoende aanleiding voor het oordeel dat in dit specifieke geval sprake is van zulke omstandigheden dat het college niet zonder nader onderzoek de locatie heeft kunnen aanwijzen. [appellante] heeft in deze procedure een groot aantal meldingen over geuroverlast overgelegd, die niet alleen afkomstig zijn van haar maar ook van 6 andere omwonenden. Daarnaar gevraagd, heeft het college verklaard dat voor deze locatie significant meer meldingen over geuroverlast zijn ingediend dan voor andere ORAC-locaties in Den Haag. [appellante] en de andere omwonenden hebben de meldingen in een periode van ongeveer 5 maanden, half mei tot half oktober 2025, ingediend bij het gemeentebestuur. In de meldingen wordt erop gewezen dat de ORAC’s in de zomermaanden voor een groot gedeelte van de dag, ongeveer 13 tot 14 uur per dag, in de zon staan. Verder hielden melders hun ramen dicht vanwege de ervaren geuroverlast, waardoor zij hun woningen naar hun zeggen niet konden laten afkoelen. Ook ondervonden zij een paar dagen nadat de ORAC’s zijn gereinigd, alweer geuroverlast. Uit de meldingen volgt volgens hen dat de maatregelen tegen geuroverlast die het college heeft genomen, in dit geval onvoldoende soelaas boden. Daarnaar gevraagd, heeft het college op de zitting verklaard dat het naar aanleiding van de geurklachten zelf geen onderzoek ter plaatse heeft verricht naar de mogelijke oorzaken van de geuroverlast en of er sprake is van onaanvaardbare geuroverlast als gevolg van de ORAC’s.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college in dit specifieke geval ter plaatse had moeten onderzoeken of de ORAC’s tot onaanvaardbare geuroverlast leiden. Dat heeft het in college in strijd met de vereiste zorgvuldigheid niet gedaan.

Het betoog slaagt.

Conclusie

5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd vanwege strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover daarin locatie 51-22A is aangewezen voor de plaatsing van ORAC’s.

6. [appellante] heeft ook aangevoerd dat het college voor een alternatieve locatie had moeten kiezen. De Afdeling bespreekt deze beroepsgrond niet. Voor een goede beoordeling van deze beroepsgrond is namelijk van belang of de aangewezen locatie geschikt is, terwijl dat nog onduidelijk is. Als de locatie geschikt is, dan hoefde het college alleen voor een alternatieve locatie te kiezen als die locatie zodanig geschikter is dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie. Als de locatie daarentegen niet geschikt is, dan had het college voor een alternatieve locatie moeten kiezen.

7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden, omdat niet is gebleken van proceskosten van [appellante] die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 5 september 2023 tot vaststelling van het definitief plaatsingsplan "ondergrondse restafvalcontainers Bloemenbuurt-Oost (buurt 51), Segbroek, Den Haag", voor zover daarin locatie 51-22A is aangewezen voor de plaatsing van drie

ondergrondse restafvalcontainers;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrag van €184,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.

w.g. Gundelach

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Driel Kluit

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026

703

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.L. van Driel Kluit

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?