202503645/1/A2.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 mei 2025 in zaak nr. 23/3520 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juni 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellante] om compensatie voor afgeloste geldschulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen afgewezen.
Bij besluit van 21 november 2023, nader gemotiveerd bij brief van 21 februari 2025, heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 november 2023 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 27 november 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. H.M.A. van den Boogaard, advocaat in Uden, en de minister, vertegenwoordigd door mr. E.C.I. Ramlal en V.N. Giang, zijn verschenen.
Na sluiting van het onderzoek heeft de Afdeling het onderzoek heropend en de minister gevraagd schriftelijke inlichtingen te geven.
De minister heeft schriftelijke inlichtingen gegeven. [appellante] heeft daarop gereageerd.
Met toestemming van partijen heeft de Afdeling een nadere zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft verzocht om compensatie van door haar afgeloste schulden van € 45.721,00 aan de Interbank en € 3.000,00 aan de Rabobank. De minister heeft de schulden niet gecompenseerd. Volgens de minister zijn de afgeloste schulden een financieel product bij een bank die op grond van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht alleen voor overname in aanmerking komen als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021, zoals volgt uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. Daarvan is volgens de minister geen sprake.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de reeds betaalde schulden terecht niet zijn overgenomen. Hierover heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat uit de door [appellante] overgelegde stukken van de Interbank en de Rabobank niet is gebleken dat de schulden opeisbaar waren vóór 1 juni 2021. Ten aanzien van de schuld bij de Interbank is niet gebleken dat er betalingsachterstanden waren, die tot opeisbaarheid hebben geleid. Bij de Rabobank was sprake van roodstand die binnen de kredietlimiet viel en volgens de rechtbank is niet gebleken dat en in welke situatie een roodstand opeisbaar wordt. Verder heeft de rechtbank geoordeeld geen ruimte te zien om artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht op grond van het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing te laten. In dit verband heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het argument van [appellante] dat zij noodgedwongen de schulden heeft afbetaald en meegenomen in de hypotheek bij de aankoop van haar nieuwe huis waardoor de kosten zijn opgelopen, geen rol speelt bij de vraag of de schuld gecompenseerd had moeten worden. Daarbij heeft de rechtbank toegelicht dat zich in het geval van [appellante] geen bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Verder had de minister geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456. Zij heeft in aanmerking genomen dat de schulden van [appellante] niet opeisbaar waren en niet vergelijkbaar met opeisbare schulden waarop incassomaatregelen kunnen volgen. Verder is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van actuele schrijnende omstandigheden, waardoor de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen. Volgens de rechtbank is bij [appellante] geen sprake is van een actuele serieuze en structurele financiële nood, ernstige medische omstandigheden of van andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Uit de auditlog van Sociale Banken Nederland blijkt volgens de rechtbank niet dat aan [appellante] een toezegging is gedaan dat de schulden vergoed zouden worden. Uit de door de minister gegeven uitleg blijkt dat de vermelding ‘schuld goedgekeurd’ betekent dat de beoordeling van de beoordelaar door de beschikker is goedgekeurd. De beoordelaar had daarvóór de schuld afgekeurd, wat betekent dat de beschikker hiermee instemde. [appellante] heeft wel gesteld dat de zaakbeoordelaars vonden dat zij gelijk had, maar niet is gebleken dat er toezeggingen zijn gedaan. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de persoonlijke mening van de zaaksbehandelaren ook niet doorslaggevend is, alleen al omdat er nog een tweede beoordelaar (beschikker) moest kijken of er aan de voorwaarden was voldaan.
3. De gronden die [appellante] in hoger beroep aanvoert zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.5 tot en met 4.7, 5.1.1 tot en met 5.1.3 en 6.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
3.1. Naar aanleiding van wat [appellante] op de zitting aanvullend over haar beroep op het vertrouwensbeginsel heeft aangevoerd, overweegt de Afdeling als volgt. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. [appellante] heeft dit naar het oordeel van de Afdeling ook met haar betoog op de zitting bij de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. Volgens [appellante] heeft de minister met de omschrijvingen ‘Betaalbestand gecreëerd voor’ en ‘Schuld goedgekeurd’ in de auditlogs van SBN bij haar het vertrouwen gewekt dat haar schulden zouden worden gecompenseerd. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen zijn deze vermeldingen in de auditlog niet op te vatten als een toezegging dat de schulden vergoed zouden worden en blijkt daaruit ook niet dat een dergelijke toezegging zou zijn gedaan. Op de zitting heeft [appellante] toegelicht dat deze omschrijvingen uitlatingen van verschillende medewerkers van SBN en het ministerie, in het bijzonder van [persoon], dat een en ander ‘goed zou komen’ en dat er maatwerk zou worden geleverd, ondersteunen. [appellante] heeft een aantal e-mails en WhatsApp-berichten met en tussen medewerkers overgelegd daterend van voor de besluitvorming. Hoewel de Afdeling begrijpt dat [appellante] door haar contact met [persoon] de hoop en misschien wel de verwachting heeft gekregen dat haar schulden zouden worden gecompenseerd, kon en mocht zij alleen al gelet op de weinig concrete inhoud van de uitlatingen daaruit redelijkerwijs niet afleiden dat de minister haar schulden zou compenseren. De omschrijvingen in de auditlog van SBN maken dit niet anders. De minister heeft toegelicht dat de auditlog interne (log-)bestanden zijn en de omschrijvingen deel uitmaken van een automatisch gegenereerd proces. De Afdeling ziet in wat [appellante] daarover in haar reactie heeft opgemerkt geen aanknopingspunt om te twijfelen aan de uitleg van de minister.
3.2. De gronden slagen niet.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
154-1081