ECLI:NL:RVS:2026:1186

ECLI:NL:RVS:2026:1186

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer 202305777/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij brief van 23 juni 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Medemblik aan [partij] bekendgemaakt dat de door haar op 17 februari 2021 aangevraagde omgevingsvergunning voor het realiseren van vier appartementen in het bestaande pand aan de [locatie A] in Benningbroek van rechtswege is verleend. Het pand aan de [locatie A] in Benningbroek bestaat uit drie appartementen. Twee appartementen bevinden zich op de begane grond (huisnummers [locatie A] en [locatie B]). Het derde appartement bestaat uit de eerste en tweede verdieping en de zolderverdieping van het pand (huisnummer [locatie C]). [partij] en anderen zijn houders van de appartementsrechten voor dit derde appartement. Zij hebben aan het college omgevingsvergunning gevraagd om dit appartement te verbouwen tot vier afzonderlijke appartementen. Dit is niet in overeenstemming met het bestemmingsplan "Dorpskernen I", omdat binnen de hier geldende bestemming "Wonen" maar één woning in het pand is toegestaan. Voor het bouwplan is dan ook een omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’ nodig.

Uitspraak

202305777/1/R1.

Datum uitspraak: 4 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Vereniging van Eigenaars [locatie A] en anderen (de Vereniging en anderen), gevestigd en wonend in Benningbroek, gemeente Medemblik,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Holland van 31 juli 2023 in zaak nr. 22/1774 in het geding tussen:

de Vereniging en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Medemblik.

Procesverloop

Bij brief van 23 juni 2021 heeft het college aan [partij] bekendgemaakt dat de door haar op 17 februari 2021 aangevraagde omgevingsvergunning voor het realiseren van vier appartementen in het bestaande pand aan de [locatie A] in Benningbroek van rechtswege is verleend.

Bij besluit van 28 februari 2022 heeft het college de onder meer door de Vereniging en anderen tegen de vergunning van rechtswege gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 juli 2023 heeft de rechtbank het door de Vereniging en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben De Vereniging en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college en [partij] en anderen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Vereniging en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 januari 2026, waar voor de Vereniging en anderen [gemachtigde A], [gemachtigde B], [gemachtigde C] en [gemachtigde D], en via een videoverbinding het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Kliphuis, advocaat in Hoofddorp, en S. Cavusoglu, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting via een videoverbinding [partij], [gemachtigde E] en [gemachtigde F], bijgestaan door mr. S. Smit, advocaat in Alkmaar, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 17 februari 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het pand aan de [locatie A] in Benningbroek bestaat uit drie appartementen. Twee appartementen bevinden zich op de begane grond (huisnummers [locatie A] en [locatie B]). Het derde appartement bestaat uit de eerste en tweede verdieping en de zolderverdieping van het pand (huisnummer [locatie C]). [partij] en anderen zijn houders van de appartementsrechten voor dit derde appartement. Zij hebben aan het college omgevingsvergunning gevraagd om dit appartement te verbouwen tot vier afzonderlijke appartementen. Dit is niet in overeenstemming met het bestemmingsplan "Dorpskernen I", omdat binnen de hier geldende bestemming "Wonen" maar één woning in het pand is toegestaan. Voor het bouwplan is dan ook een omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’ nodig. Het college is bevoegd om voor die laatste activiteit omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.

Omdat het college niet binnen de beslistermijn op de aanvraag heeft beslist, is de omgevingsvergunning van rechtswege gegeven. Het college heeft deze vergunning in de beslissing op bezwaar van 28 februari 2022 in stand gelaten. Het acht de afwijking van het bestemmingsplan ruimtelijk aanvaardbaar en volgens hem is er ook verder geen reden om de vergunning te weigeren.

De rechtbank heeft het hiertegen gerichte beroep van de Vereniging en anderen, zijnde de bewoners van de appartementen op de begane grond, ongegrond verklaard, zodat de omgevingsvergunning in stand is gebleven. De Vereniging en anderen zijn het hier niet mee eens.

Toetsingskader

3. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

Gebrek horen in bezwaar ten onrechte gepasseerd?

4. De Vereniging en anderen betogen dat de rechtbank de schending van de hoorplicht in bezwaar ten onrechte heeft gepasseerd. Zij betwisten dat zij door dit gebrek niet zijn benadeeld.

4.1. De rechtbank heeft overwogen dat de Vereniging en anderen in de bezwaarprocedure in strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet door het college in de gelegenheid zijn gesteld om te worden gehoord over de door [partij] en anderen na de hoorzitting ingebrachte stukken, bestaande uit een reactie over de brandveiligheid van Nieman Raadgevende Ingenieurs B.V. van 1 december 2021 en een aangepaste bouwtekening van 2 december 2021. De rechtbank heeft dit gebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat volgens haar aannemelijk is dat de Vereniging en anderen hierdoor niet zijn benadeeld. Dit omdat zij in beroep alsnog voldoende gelegenheid hebben gehad om op deze stukken te reageren.

4.2. De Vereniging en anderen onderbouwen hun betoog met inhoudelijke argumenten tegen de nog ingebrachte reactie en aangepaste bouwtekening, die de rechtbank volgens hen ten onrechte niet heeft gehonoreerd. De Vereniging en anderen betwisten echter niet dat zij hun standpunt over de in bezwaar nader ingebrachte stukken in beroep alsnog naar voren hebben kunnen brengen. Het college heeft in beroep op dat standpunt gereageerd en de rechtbank heeft hierover een oordeel gegeven. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat niet aannemelijk is dat de Vereniging en anderen door de schending van de hoorplicht in bezwaar zijn benadeeld.

Het betoog slaagt niet.

Evidente privaatrechtelijke belemmering?

5. De Vereniging en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van evidente privaatrechtelijke belemmeringen om het bouwplan uit te voeren. Volgens hen is het bouwplan mede voorzien op grond in eigendom van anderen. Zij voeren aan dat de stroom- en gasvoorziening, de drinkwatervoorziening en de riolering voor het pand, en dus ook voor de voorziene vier appartementen, lopen via delen van het pand die horen bij de appartementen 82 en [locatie B]. De eigenaren zullen geen toestemming geven voor het uitvoeren van de vereiste aanpassingen van deze voorzieningen.

Verder betogen de Vereniging en anderen dat de voorziene parkeerplaatsen uitsluitend bereikbaar zijn via een toegangsweg van een derde. Ook zullen de parkeerplaatsen niet alle kunnen worden gerealiseerd zonder daarbij een deel van de buitenruimte aan de voorkant van het pand te gebruiken. Die buitenruimte is ook nodig om de parkeerplaatsen hier te kunnen bereiken. De rechthebbenden van de toegangsweg en van de buitenruimte zullen hier geen medewerking aan verlenen. De rechtbank heeft er ten onrechte aan getwijfeld dat de buitenruimte hoort bij appartement 82. De buitenruimte mag bovendien alleen als tuin worden gebruikt en niet als pad. Ook in zoverre is er volgens de Vereniging en anderen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering.

5.1. Een zogenoemde privaatrechtelijke belemmering kan in de weg staan aan de verlening van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan. De burgerlijke rechter en niet de bestuursrechter moet als eerste beoordelen of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het uitvoeren van een activiteit. De bestuursrechter zal daarom alleen oordelen dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vergunningverlening in de weg staat als die belemmering evident is. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de bouw van een bouwwerk de toestemming van een ander vereist is en die ander die toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven.

De Afdeling voegt hier ter voorlichting aan partijen aan toe dat het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning geen invloed heeft op privaatrechtelijke verhoudingen. Privaatrechtelijke aspecten zijn uitsluitend van belang in het licht van de door het college te maken beoordeling of niet op voorhand vaststaat dat de activiteit niet uitvoerbaar is.

5.2. In de akte van splitsing van 20 april 2005, onder F, aanhef en c., is - kort weergegeven - het modelreglement van de Koninklijke Broederschap der Notarissen in Nederland, zoals vastgesteld op 2 januari 1992, overgenomen, tenzij daar in de akte van wordt afgeweken. Uit artikel 9, tweede lid, van het modelreglement volgt dat het een eigenaar of gebruiker van een appartement zonder toestemming van de vergadering niet is toegestaan veranderingen aan te brengen in de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken, ook als deze zich in de privégedeelten bevinden. Onder gemeenschappelijke zaken vallen onder meer riolering, leidingen voor gas en water en elektriciteitsleidingen. De akte van splitsing wijkt op dit punt niet af van het modelreglement. De Vereniging en anderen hebben hier in bezwaar op gewezen en te kennen gegeven dat de Vereniging geen toestemming wil verlenen.

Het college heeft hierin in zijn besluit op bezwaar van 28 februari 2022 terecht geen evidente privaatrechtelijke belemmering gevonden op grond waarvan het de gevraagde omgevingsvergunning alsnog moest weigeren. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraken van 26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1997, onder 4.4, en van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5239, onder 3.2, staat tegen een weigering van de Vereniging om goedkeuring te verlenen een gang naar de burgerlijke rechter open. Binnen die rechtsgang kan worden beoordeeld of de benodigde toestemming zonder redelijke grond is geweigerd.

5.3. Wat betreft het gebruik van de toegangsweg heeft de rechtbank gewezen op de omschrijving van de erfdienstbaarheden in de akte van splitsing, waarin staat dat splitsing van het heersende erf geen verzwaring van de erfdienstbaarheid van de ontsluitingweg betreft. De rechtbank heeft hieruit terecht afgeleid dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering om na splitsing van het appartement gebruik te blijven maken van de toegangsweg.

5.4. Het college heeft ook in de gestelde onmogelijkheid om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren zonder daarbij een deel van de buitenruimte te moeten betrekken terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Bij de akte van splitsing hoort een tekening waarop is aangegeven welk deel van het erf bij het pand als parkeerterrein hoort bij appartementsrecht 3, oftewel het appartementsrecht voor huisnummer [locatie C] van [partij] en anderen. De Afdeling constateert dat in de vergunningsaanvraag en de vergunning zelf voor de nieuwe appartementen is weergegeven dat de parkeerplaatsen op dit bij appartementsrecht 3 behorende parkeerterrein zullen worden gerealiseerd. Verder heeft de rechtbank ook in het noodzakelijke gebruik van de buitenruimte om de parkeerplaatsen te bereiken terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Het antwoord op de vraag of het gebruikers van de nieuwe appartementen zal kunnen worden verboden om de parkeerplaatsen over de buitenruimte in- en uit te rijden is onder meer afhankelijk van uitleg van de akte van splitsing. Alleen al daarom heeft het college in de akte van splitsing terecht geen evidente privaatrechtelijke belemmering voor het gebruiken van de parkeerplaatsen gevonden.

Voor zover de Vereniging en anderen betogen dat met de voorziene parkeerplaatsen niet aan de geldende parkeernormen wordt voldaan, zal de Afdeling daar hierna afzonderlijk op ingaan.

5.5. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning had moeten weigeren vanwege een evidente privaatrechtelijke belemmering. Het betoog slaagt niet.

Goede ruimtelijke ordening?

6. De Vereniging en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. Zij voeren aan dat de toegangsweg tussen het pand en de Oosterstraat niet is toegerust op een toename van verkeer die te verwachten is van de nieuwe appartementen. Deze weg is maar 3 m breed en doodlopend, zodat onveilige situaties zijn te voorzien. Bovendien is een recht van overpad vereist om deze weg te mogen gebruiken. Ook is deze weg niet toereikend voor blusvoertuigen en andere hulpdiensten. Dat levert strijd met artikel 6.37 van het Bouwbesluit 2012 op, aldus de Vereniging en anderen.

Verder voeren zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een goed woon- en leefklimaat niet wordt aangetast door het toestaan van nieuwe appartementen. Volgens hen valt te vrezen dat nieuwe bewoners de gronden van anderen zullen gaan gebruiken voor de stalling van bijvoorbeeld fietsen en afvalcontainers, het parkeren van auto’s en om te recreëren. Dit gaat volgens hen ten koste van hun privacy.

6.1. Het college heeft de aanvaardbaarheid van de ontsluiting van de nieuwe appartementen beoordeeld aan de hand van de beleidsregels die zijn neergelegd in bijlage 1 van het "Generiek afwegingskader woningbouw" van 15 september 2020. Het heeft zich op het standpunt gesteld dat hier sprake is van een bestaande situatie die ook al geldt voor de bestaande woningen. Toetsing van de reikwijdte van de bestaande erfdienstbaarheid is volgens het college niet aan hem.

6.2. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de bestaande toegangsweg op grond van het Generiek afwegingskader woningbouw niet mocht aanmerken als een veilige ontsluiting voor ook de nieuwe woningen. De afstand tussen de Oosterstraat en het parkeerterrein over de toegangsweg is minder dan 100 m. Het college hoefde de toename van verkeer als gevolg van de extra woningen over de toegangsweg niet zodanig groot te achten, dat daardoor de veiligheid in het geding komt. Wat betreft de erfdienstbaarheid heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat in het Generiek afwegingskader woningbouw slechts staat dat constructies zoals recht van overpad zoveel mogelijk worden vermeden, en niet dat dergelijke constructies verboden zijn. Zoals hiervoor is overwogen, is verder niet gebleken van een evidente privaatrechtelijke belemmering om deze toegangsweg te gebruiken.

Voor zover de Vereniging en anderen aanvoeren dat voor de nieuwe appartementen niet zal worden voldaan aan artikel 6.37 van het Bouwbesluit, bespreekt de Afdeling deze grond onder de bespreking van de hogerberoepsgronden over brandveiligheid.

6.3. De rechtbank heeft verder in de door de Vereniging en anderen geuite vrees dat gronden van anderen zullen worden gebruikt door de toekomstige bewoners van de nieuwe appartementen, terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning met het oog op behoud van een goed woon- en leefklimaat had moeten weigeren. De rechtbank heeft terecht in aanmerking genomen dat al een woonbestemming gold en dat de eerste en tweede verdieping van het pand al voor bewoning mochten worden gebruikt. Van een te verwachten onaanvaardbare intensivering van dat gebruik is niet gebleken.

Het betoog slaagt niet.

Parkeren voldoende geregeld?

7. De Vereniging en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat wordt voldaan aan de toepasselijke parkeernormen krachtens het bestemmingsplan "Parapluplan Parkeren Medemblik". Zij voeren aan dat de rechtbank het college ten onrechte heeft gevolgd in zijn standpunt dat de parkeernorm geldt die hoort bij woningen in het segment "goedkoop". De rechtbank heeft zijn oordeel daarover volgens hen ten onrechte gebaseerd op de verkoopprijs van de woningen, nu deze nog niet verkocht waren. Het berekende aantal benodigde parkeerplaatsen van zeven is daarom volgens hen te laag. Daar komt bij dat de zeven parkeerplaatsen zoals voorzien, niet geschikt zijn omdat deze niet voldoen aan de normen voor de omvang en de toegankelijkheid van parkeerplaatsen uit de Nota parkeernormen 2021 en de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (de LIOR). Volgens hen heeft de rechtbank hen in dit verband ten onrechte tegengeworpen dat niet is nagemeten of de in de aanvraag voorziene ruimte voor de parkeerplaatsen daadwerkelijk ter beschikking staat. Bovendien zijn de voorziene parkeerplaatsen deels uitsluitend bereikbaar vanaf de buitenruimte waarover geen recht van overpad bestaat. Ook de door [partij] en anderen in bezwaar ingediende aangepaste tekening met acht parkeerplaatsen in een alternatieve indeling voldoet niet, aldus de Vereniging en anderen.

7.1. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de planregels van het parapluplan wordt bij een omgevingsvergunning aan de hand van de op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels (die zijn neergelegd in de Nota Parkeernormen van 6 maart 2014, dan wel een opvolger daarvan) bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. Ten tijde van het besluit op bezwaar van 28 februari 2022 gold de Nota Parkeernormen 2021. Deze nota bevat normen voor het aantal benodigde parkeerplaatsen en, via een verwijzing naar de LIOR, voor de maatvoering.

7.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de nieuwe appartementen voor het bepalen van de toepasselijke parkeernorm vallen onder functietype "Koop, appartement, goedkoop". Daarvoor geldt op deze locatie een parkeernorm van 1,6 parkeerplaats per woning. Er zijn volgens het college dus (naar boven afgerond) zeven parkeerplaatsen nodig voor de vier appartementen. Uitgaande van de door [partij] en anderen ingediende tekening van 22 april 2021 is er volgens het college in voldoende ruimte voorzien voor zeven parkeerplaatsen die voldoen aan de minimale afmetingen volgens de LIOR en die ook toegankelijk zijn voor auto’s.

7.3. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is in de Nota Parkeernormen niet omschreven welke koopappartementen in het segment "goedkoop" vallen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de rechtbank had moeten oordelen dat het college in dit geval ten onrechte heeft aangenomen dat de nieuwe appartementen in het segment "goedkoop" vallen. Voor zover de appartementen nog niet waren verkocht, mocht de rechtbank zich baseren op de beoogde verkoopprijzen zoals [partij] en anderen die op de zitting van de rechtbank hebben genoemd, in combinatie met de door de rechtbank ook in aanmerking genomen omvang van de appartementen. De Vereniging en anderen hebben niet toegelicht waarom de beoogde verkoopprijs en omvang volgens hen zouden moeten leiden tot een indeling in een hoger segment. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college ervan mocht uitgaan dat voor de nieuwe appartementen zeven parkeerplaatsen nodig zijn.

7.4. Het college moet beoordelen of de voor het bouwplan benodigde parkeerplaatsen zoals voorzien in de aanvraag om omgevingsvergunning ook daadwerkelijk gerealiseerd en gebruikt kunnen worden. Zie in dit verband de uitspraak van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:937, onder 5.2. Daarbij spelen de beschikbare manoeuvreerruimte en de bereikbaarheid een rol.

7.5. Voor de maatvoering van parkeerplaatsen verwijst de Nota parkeernormen naar de LIOR. In hoofdstuk 4 van deel II van de LIOR staat voor haaksparkeerplaatsen een norm genoemd van minimaal 2,50 bij 5,00 m, waarbij de minimale breedte van de rijweg plus de diepte van de parkeerplaats 11,00 m bedraagt. Verder dient de afstand tussen een gebouw, schutting of erfgrens en een haaksparkeerplaats minimaal 0,60 m (exclusief band) te bedragen.

7.6. De benodigde zeven parkeerplaatsen zijn voorzien op het parkeerterrein dat blijkens de akte van splitsing hoort bij het appartementsrecht van [partij] en anderen. Dit parkeerterrein grenst aan de westelijke kant aan de toegangsweg en aan de zuidelijke kant aan de buitenruimte. Het parkeerterrein ligt aan drie kanten om een trafohuisje heen dat langs de toegangsweg staat. Er zijn drie haaksparkeerplaatsen voorzien ten noorden van het trafohuisje die elk afzonderlijk direct toegankelijk zijn vanaf de toegangsweg. Ten zuiden van het trafohuisje zijn vier haaksparkeerplaatsen voorzien die vanaf de toegangsweg alleen via de buitenruimte bereikbaar zijn.

7.7. [partij] en anderen hebben een tekening ingebracht waarop de afmetingen van het parkeerterrein zijn weergegeven. Wat er ook zij van de reden dat ter plaatse geen meting door een landmeter is uitgevoerd, wat de Vereniging en anderen in beroep en hoger beroep hebben aangevoerd biedt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de weergegeven afmetingen niet kloppen. In hoger beroep heeft het college een berekening ingezonden waaruit blijkt dat de afmetingen op deze tekening in elk geval niet zijn overschat. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet mocht uitgaan van de tekening met afmetingen die [partij] en anderen hebben ingezonden.

Uit deze tekening met afmetingen kan worden afgeleid dat er ten noorden van het trafohuisje een strook van ongeveer 9,5 m beschikbaar is. Hier is dus voldoende ruimte voor drie haaksparkeerplaatsen van ten minste 2,5 m breed naast elkaar. De diepte van het parkeerterrein varieert hier van 8,26 m tot ongeveer 11 m. Uitgaande van een breedte van de toegangsweg van 3 m, kan ook worden voldaan aan de norm uit de LIOR dat de breedte van de rijweg plus de diepte van de parkeerplaats minimaal 11 m bedraagt.

De vier parkeerplaatsen ten zuiden van het trafohuisje zijn voorzien op een strook van 11 m lang langs de buitenruimte. Hier is dus ruimte voor vier parkeerplaatsen van elk minimaal 2,5 m breed naast elkaar. De Afdeling stelt echter vast dat uit de tekening met afmetingen en de berekeningen van het college ook kan worden afgeleid dat de diepte van het parkeerterrein daar waar twee parkeerplaatsen direct grenzend aan het trafohuisje zijn voorzien, minder dan 5 m is. Daar komt bij dat geen rekening is gehouden met de aan te houden minimale afstand van 0,6 m van het trafohuisje, dat een gebouw vormt als bedoeld in de LIOR. Deze voorziene parkeerplaatsen zijn daarom niet in overeenstemming met de normen uit de LIOR. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

7.8. Wat betreft de feitelijke bruikbaarheid en bereikbaarheid overweegt de Afdeling verder het volgende.

Om de vier parkeerplaatsen ten zuiden van het trafohuisje te kunnen bereiken, zal gebruik moeten worden gemaakt van de buitenruimte. De Afdeling stelt vast dat op de buitenruimte op enkele meters afstand van deze parkeerplaatsen een schutting met daarachter groen aanwezig is. De Afdeling acht aannemelijk dat hierdoor in de bestaande situatie zodanig weinig manoeuvreerruimte resteert voor het in- en uitrijden van parkeerplaatsen, dat het gebruik van deze parkeerplaatsen ernstig wordt bemoeilijkt, zo niet feitelijk onmogelijk is. Het college heeft hier geen aandacht aan besteed.

7.9. De conclusie over parkeren is dat het college er ten onrechte van uit is gegaan dat de in de aanvraag om omgevingsvergunning voorziene twee parkeerplaatsen direct ten zuiden van het trafohuisje wat betreft maatvoering in overeenstemming met de bij de Nota Parkeernormen 2021 behorende LIOR zijn. Verder heeft het college onvoldoende onderzocht of de vier parkeerplaatsen ten zuiden van het trafohuisje feitelijk bruikbaar zijn, gelet op de aanwezige manoeuvreerruimte. Het betoog slaagt.

8. [partij] en anderen hebben de Afdeling op de zitting verzocht om in geval van een geslaagd betoog over parkeren zelf in de zaak te voorzien door de rechtsgevolgen van de verleende omgevingsvergunning in stand te laten. Zij heeft in dit verband gewezen op het alternatieve parkeerplan dat zij in bezwaar heeft overgelegd. Dit is een tekening waarop op het parkeerterrein acht haaksparkeerplaatsen zijn ingetekend op de strook van ongeveer 9,5 m naast de toegangsweg, in de vorm van vier maal twee parkeerplaatsen achter elkaar.

De bezwarencommissie heeft er in haar advies van 20 december 2021 al op gewezen dat een parkeerplaats op eigen erf met de lengte van twee auto’s wordt gerekend als één parkeerplaats, zodat ook op deze wijze niet aan de Nota Parkeernormen 2021 en de LIOR wordt voldaan. Het college heeft dit op de zitting bevestigd. Alleen al daarom ziet de Afdeling in dit alternatieve parkeerplan dan ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.

Brandveiligheid

9. De Vereniging en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat niet wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit over brandveiligheid. Zij baseren zich op de in beroep ingebrachte tegenrapporten van MVH Adviseurs. Uit de aangepaste bouwtekening blijkt volgens hen niet dat de appartementen brandveilig kunnen worden uitgevoerd. Verder wijzen zij op het aanvankelijke negatieve advies van de brandweer van 20 mei 2019, dat is uitgebracht naar aanleiding van een eerder principeverzoek tot splitsing van het appartement. Dit negatieve advies hing samen met de toegangsweg voor hulpdiensten, de opstelplaats voor blusvoertuigen en de bluswatervoorziening. Volgens hen is er in de aanvraag om omgevingsvergunning niets veranderd aan de aspecten die tot dit negatieve advies hebben geleid. Uit het nieuwe advies van de brandweer van 23 maart 2021 blijkt niet waarom nu wel positief is geadviseerd. Volgens hen heeft de rechtbank in dit verband onvoldoende betekenis toegekend aan de tegenrapporten van MVH waarin is geconcludeerd dat de brandweer niet over voldoende gegevens beschikte voor een toetsing van de aanvraag en dat de toegangsweg en beoogde opstelplaats voor blusvoertuigen niet toereikend en niet bruikbaar zijn, ook omdat de naastgelegen sloot te klein is om als bluswatervoorziening te dienen.

9.1. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo moet de vergunning worden geweigerd als de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens volgens het college niet aannemelijk maken dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld in het Bouwbesluit 2012. Het college komt daarbij beoordelingsruimte toe.

9.2. Uit artikel 4 van de Woningwet volgt dat als een bouwwerk gedeeltelijk wordt vernieuwd, veranderd of vergroot, de voorschriften uit het Bouwbesluit, voor zover zij betrekking hebben op dat bouwen, slechts van toepassing zijn op die vernieuwing, verandering of vergroting. In de Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit (Stb. 2011, 416, blz. 158-159) staat dat hieruit volgt dat alleen de fysieke ingrepen bij de verbouwing behoeven te voldoen aan de voorschriften die op grond van dit besluit daarop van toepassing zijn en dat de onderdelen van de ruimte die bij de verbouwing ongewijzigd blijven daarbij buiten beschouwing moeten worden gelaten.

9.3. Het bouwplan gaat uitsluitend over de splitsing van een appartement naar vier appartementen op de verdiepingen van het pand, waarbij het trappenhuis een extra beveiligde vluchtroute moet worden. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat het college aan de hand van het gemotiveerde rapport van Nieman van 14 september 2021 en de aangepaste bouwtekening van 2 december 2021 aannemelijk mocht achten dat dit bouwplan in overeenstemming met de daarvoor relevante brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit kan worden uitgevoerd. Wat de Vereniging en anderen hebben aangevoerd onder verwijzing naar de tegenrapporten van MVH geeft de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. De tegenrapporten van MVH gaan met name over brandveiligheidseisen die gelden voor het bestaande pand als zodanig en over de bestaande situatie rond het pand, waaronder de bereikbaarheid van het gebouw, de opstelplaats voor blusvoertuigen en de bluswatervoorziening. Dit staat los van de aangevraagde wijziging van het pand en staat dus niet ter beoordeling. Voor zover MVH stelt dat de geringe afstand tussen enkele ramen op de begane grond en die van het te splitsen appartement op de eerste verdieping niet in overeenstemming is met artikel 2.84 van het Bouwbesluit en tot een vergroot risico op brandoverslag leidt, overweegt de Afdeling dat het ook in zoverre gaat om een al bestaande situatie die door het bouwplan niet wordt gewijzigd. Dat, zoals de Vereniging en anderen op de zitting naar voren hebben gebracht, de verdiepingen voorheen feitelijk niet werden bewoond, laat onverlet dat het ook in de oude situatie al ging om een appartement met verblijfsruimten. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanknopingspunt gevonden voor het oordeel dat het college het onaannemelijk had moeten achten dat het bouwplan voldoet aan de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

10. Gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 7 en verder over parkeren heeft overwogen, is het hoger beroep gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover aangevallen. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het beroep van de Vereniging en anderen gegrond verklaren en het besluit van 28 februari 2022 vernietigen. Het college zal een nieuw besluit op het bezwaar van de Vereniging en anderen moeten nemen met inachtneming van wat de Afdeling in deze uitspraak heeft overwogen.

11. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

12. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

De Afdeling overweegt hiertoe dat in hoger beroep geen proceskosten zijn opgevoerd die voor vergoeding in aanmerking komen. Wat betreft de in beroep gemaakte proceskosten heeft de rechtbank het college al veroordeeld tot vergoeding van door de Vereniging en anderen in beroep gemaakte proceskosten. Ook heeft de rechtbank het college gelast het door hen betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep terug te betalen. In zoverre blijft de uitspraak van de rechtbank in stand.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 31 juli 2023 in zaak nr. 22/1774, voor zover aangevallen;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Medemblik van 28 februari 2022 met kenmerk DOC-22-499005 gegrond;

IV. vernietigt dat besluit;

V. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Medemblik aan de Vereniging van Eigenaars [locatie A] en anderen het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 548,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.

w.g. Besselink

voorzitter

w.g. Witsen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026

727

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.J.W.P. van Gastel
  • mr. J.A.W. Huijben

Griffier

  • mr. J.N. Witsen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?