202505691/1/A2.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het College van Beroep voor de Examens van de Vrije Universiteit Amsterdam (het CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 27 mei 2025 heeft de Examencommissie van de Faculteit der Gedrags- en bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam het door [appellante] voor het vak Jeugddelinquentie en Antisociale Ontwikkeling gemaakte hertentamen wegens fraude ongeldig verklaard en haar verplicht aan te tonen dat zij op de hoogte is van de regels inzake plagiaat door middel van het aanleveren van een digitaal certificaat.
[appellante] heeft tegen deze beslissing administratief beroep ingesteld bij het CBE.
Bij beslissing van 28 augustus 2025 heeft de examencommissie de sanctie herzien en de verplichting om een certificaat te halen omgezet in een dringend advies. De sanctie is voor het overige in stand gebleven.
[appellante] heeft het CBE op 20 oktober 2025 schriftelijk in gebreke gesteld, wegens het uitblijven van een beslissing op het administratief beroep.
[appellante] heeft tegen het niet tijdig beslissen op haar administratief beroep door het CBE beroep ingesteld bij de Afdeling.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
Bij beslissing van 1 december 2025 heeft het CBE beslist op het administratief beroep van [appellante] en dit ongegrond verklaard.
[appellante] heeft gronden van beroep tegen die beslissing aangevoerd.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 december 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door C.J.A. van Vliet, rechtsbijstandverlener te Markelo, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. F. Donner en I.L.J. Jansen, zijn verschenen.
Na de zitting heeft Van Vliet desgevraagd een machtiging overgelegd.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] volgt de master psychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Op 24 april 2025 heeft de examencommissie een melding van een examinator ontvangen van vermeende fraude bij het hertentamen. Naar aanleiding daarvan heeft de examencommissie zich bij beslissing van 27 mei 2025 op het standpunt gesteld dat sprake is van fraude, zoals vermeld in artikel 19 van de Regels en Richtlijnen Examencommissie FGB 2024-2025.
Beroep tegen niet tijdig beslissen
Ontvankelijkheid
2. Toen [appellante] beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen, had het CBE nog niet op haar administratief beroep beslist. Dat heeft het CBE inmiddels bij beslissing van 1 december 2025 wel gedaan. De Afdeling zal daarom eerst beoordelen of [appellante] belang heeft bij de beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig beslissen.
2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in bijvoorbeeld de uitspraak van 26 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1423), geeft de vraag of een veroordeling tot vergoeding van in beroep gemaakte proceskosten moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan. Datzelfde geldt voor een procedure in administratief beroep. Of de proceskosten die [appellante] heeft gemaakt in verband met de behandeling van haar beroep tegen het niet tijdig beslissen voor vergoeding in aanmerking komen, kan en zal de Afdeling zelfstandig beoordelen.
2.2. Omdat met de beslissing van 1 december 2025 is bereikt wat [appellante] met haar beroep tegen het niet tijdig beslissen beoogde, namelijk dat alsnog zou worden beslist op haar administratief beroep, heeft zij geen procesbelang meer bij haar beroep tegen het niet tijdig beslissen. De Afdeling zal daarom dit beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Proceskosten
3. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling (zie de uitspraak van 26 april 2018 genoemd in overweging 2.1) dat een grond voor proceskostenveroordeling gelegen kan zijn in de omstandigheid dat het desbetreffende bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Als zich een dergelijke grond voordoet, is op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een proceskostenveroordeling mogelijk. Het is ook vaste rechtspraak van de Afdeling dat wanneer hangende de procedure tegen het uitblijven van een tijdig besluit alsnog een besluit wordt genomen, dit wordt aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1753). Voor het antwoord op de vraag of een proceskostenveroordeling is aangewezen, wordt vervolgens geen onderscheid gemaakt tussen degenen die hun beroep intrekken en om een proceskostenveroordeling krachtens artikel 8:75a van de Awb vragen en degenen die hun beroep handhaven (zie ook de uitspraak van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:665).
3.1. Het CBE heeft hangende het beroep bij beslissing van 1 december 2025 op het administratief beroep van [appellante] beslist en [appellante] heeft vervolgens haar beroep gehandhaafd. Aan de voorwaarden voor het instellen van een beroep wegens het niet tijdig nemen van een beslissing is voldaan. De Afdeling zal daarom het CBE veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten die [appellante] heeft gemaakt in verband met de behandeling van haar beroep tegen het niet tijdig beslissen.
Beroep tegen de beslissing van 1 december 2025
4. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb, mede betrekking op de beslissing van het CBE van 1 december 2025.
5. In de beslissing van 1 december 2025 heeft het CBE zich op het standpunt gesteld dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat [appellante] fraude heeft gepleegd. Uit de fraudemelding blijkt volgens het CBE dat [appellante] niet-bestaande bronnen en bronnen met onjuist gegevens (doi-en paginanummer) heeft vermeld. Gelet op de objectieve vaststelling van gefabriceerde en onjuiste bronnen door de examinator, is het besluit van de examencommissie voldoende gemotiveerd en staat voor het CBE buiten redelijke twijfel vast dat [appellante] fraude heeft gepleegd. Daarbij is volgens het CBE ook van belang dat [appellante] geen uitleg heeft gegeven over de fraude.
Het CBE heeft verder overwogen dat de examencommissie heeft verklaard dat zij haar beslissing van 27 mei 2025 bij beslissing van 28 augustus 2025 heeft herzien. De verplichting voor [appellante] om een certificaat inzake plagiaat te behalen is vervallen en omgezet in een dringend advies.
Uitnodiging van de hoorzitting
6. [appellante] betoogt dat het CBE de uitnodiging van de hoorzitting te laat heeft verzonden. De uitnodiging is op de tiende dag voor de zitting verzonden. Het CBE heeft in strijd met artikel 7:18 van de Awb een te korte termijn in acht genomen.
6.1. [appellante] is bij e-mail van 3 november 2025 uitgenodigd voor de zitting van 13 november 2025. Hoewel in de Awb geen termijn is genoemd voor het uitnodigen voor de hoorzitting, volgt uit het bepaalde in artikel 7:18, eerste lid, van de Awb - waarin is geregeld dat belanghebbenden tot tien dagen voor het horen nadere stukken kunnen indienen - dat deze termijn in elk geval langer dan tien dagen moet zijn. Vast staat dat het CBE in dit geval niet aan deze termijn heeft voldaan. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het CBE bij de uitnodiging voor de hoorzitting een te korte termijn in acht heeft genomen.
Op de zitting bij de Afdeling heeft het CBE toegelicht dat [appellante] op een eerder moment al was uitgenodigd voor een hoorzitting bij het CBE. Op verzoek van de gemachtigde is een nieuwe datum vastgesteld. Niet is gebleken dat die datum in overleg tot stand is gekomen. Gelet daarop komt de Afdeling niet tot een ander oordeel dan hierboven weergegeven.
Het betoog slaagt.
6.2. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om in dit geval het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellante] erkend dat zij niet is geschaad in haar belangen door het gebrek.
Fraude
7. [appellante] betoogt verder dat zij ten onrechte is beschuldigd van fraude. Volgens haar is niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat zij heeft gefraudeerd. Het CBE heeft in navolging van de examencommissie gesteld dat zij niet-bestaande bronnen en bronnen met onjuist gegevens heeft vermeld. Het is niet duidelijk om hoeveel en om welke bronnen het gaat. Ook is niet duidelijk wat in de nummering niet zou kloppen. Het CBE heeft ten onrechte niet onderkend dat de examencommissie niet in haar bewijslast is geslaagd. [appellante] betoogt verder dat onduidelijk is wat haar wordt verweten.
7.1. In artikel 19 van de Regels en Richtlijnen luidt:
"1. Onder fraude wordt verstaan ieder handelen of nalaten van een student waardoor een juist oordeel over zijn kennis, inzicht en vaardigheden, of die van een andere student, geheel of gedeeltelijk onmogelijk wordt, alsmede het onrechtmatig deelnemen aan een tentamen.
[…]"
7.2. De examinator heeft in de melding opgenomen op welke punten de bronverwijzing onjuist is. Deze melding is aan [appellante] verstrekt. De examinator heeft toegelicht welke twee bronnen van de literatuurlijst niet lijken te bestaan en bij welke vier bronnen de gegevens correct zijn maar de link niet werkt of tot een andere publicatie leidt, waarmee voldoende duidelijk was wat [appellante] werd verweten. Het CBE heeft naar die melding verwezen en zich op het standpunt mogen stellen dat op basis van de geconstateerde onjuistheden in de bronvermelding geen juist oordeel over de kennis, inzicht en vaardigheden van [appellante] kan worden verkregen. Dat het gaat om slordigheden, acht de Afdeling vanwege de aard van de onjuistheden evenmin aannemelijk. De afwijkingen zijn te groot om aan te merken als slordigheden. Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3585, r.o. 12.1. De Afdeling is van oordeel dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat [appellante] heeft gefraudeerd in de zin van artikel 19 van de Regels en Richtlijnen.
Het betoog slaagt niet.
Certificaat
8. [appellante] betoogt verder dat de examencommissie de verplichting tot het volgen en het behalen van een digitaal certificaat niet heeft mogen opleggen. Het CBE is daar ten onrechte aan voorbij gegaan. Het moeten behalen van een certificaat is een herstelsanctie. Daarvoor dient een wettelijke bevoegdheidsgrondslag aanwezig te zijn. Die bevoegdheid kan in dit geval niet worden ontleend aan artikel 7.12b, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Ook is de sanctionering in strijd met artikel 5:6 van de Awb.
[appellante] betoogt verder dat het CBE de beslissing van 28 augustus 2025 van de examencommissie ten onrechte op grond van artikel 6:19 van de Awb bij het administratief beroep heeft betrokken. De examencommissie heeft namelijk niet op schrift gesteld dat de verplichting voor [appellante] om een certificaat te behalen is vervallen en is omgezet in een dringend advies. Voor zover sprake zou zijn van een herroeping heeft het CBE ten onrechte geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Immers, de bestreden beslissing is herroepen wegens een aan de examencommissie te wijten onrechtmatigheid.
8.1. Op de zitting bij de Afdeling heeft het CBE toegelicht dat de examencommissie niet controleert of een student heeft voldaan aan de verplichting om een certificaat te behalen. Daarom is deze verplichting bij beslissing van 28 augustus 2025 omgezet in een dringend advies. Op de zitting bij de Afdeling heeft het CBE desgevraagd te kennen gegeven niet te weten of deze beslissing op schrift is gesteld en op welke wijze deze beslissing aan [appellante] kenbaar is gemaakt. Met de beslissing van 1 december 2025 van het CBE is alsnog op schrift gesteld dat de sanctie is herroepen. De Afdeling volgt [appellante] in haar standpunt dat het CBE ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. Pas na het instellen van administratief beroep door [appellante] is de beslissing van 27 mei 2025, waarin de examencommissie ten onrechte een verplichting tot het behalen van een certificaat heeft opgelegd, herzien.
Wegens de vaststelling van het CBE dat [appellante] niet verplicht is een certificaat te behalen, heeft [appellante] geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het betoog daarover. De Afdeling komt daar dan ook niet aan toe.
Het betoog slaagt.
Conclusie
9. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Gelet op wat de Afdeling onder 3.1 heeft overwogen, moet het CBE de proceskosten ten aanzien van dat beroep vergoeden. Omdat het beroep gericht is tegen het niet tijdig beslissen van eenvoudige aard is, merkt de Afdeling de zaak als "licht" aan en past zij wegingsfactor 0,5 toe.
10. Het beroep tegen de beslissing van 1 december 2025 is gegrond. De Afdeling vernietigt de beslissing van het CBE voor zover daarin, in strijd met artikel 7:28, tweede lid, van de Awb, geen vergoeding is toegekend voor de proceskosten in administratief beroep. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat de examencommissie aan [appellante] een proceskostenvergoeding toekent.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het administratief beroep tegen de beslissing van de Examencommissie van de Faculteit der Gedrags- en bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam van 27 mei 2025 niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep tegen de beslissing van het College van Beroep voor de Examens van de Vrije Universiteit Amsterdam van 1 december 2025 gegrond;
III. vernietigt de beslissing van het College van Beroep voor de Examens van de Vrije Universiteit Amsterdam van 1 december 2025, voor zover daarin niet de proceskosten in administratief beroep van [appellante] zijn vergoedt;
IV. bepaalt dat de Examencommissie van de Faculteit der Gedrags- en bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam aan [appellante] een vergoeding toekent voor de in verband met de behandeling van het administratief beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.294,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. veroordeelt het College van Beroep voor de Examens van de Vrije Universiteit Amsterdam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. veroordeelt het College van Beroep voor de Examens van de Vrije Universiteit Amsterdam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat het College van Beroep voor de Examens van de Vrije Universiteit Amsterdam aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 53,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
1033