202500544/1/R4.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Soest,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Soest,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 18 juni 2020 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van door [appellant] verbeurde dwangsommen.
Bij besluit van 19 december 2024 heeft het college opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant] en het besluit om over te gaan tot invordering van dwangsommen in stand gelaten.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 februari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.W. Verhoeven, advocaat in Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.S. Dijkstra, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij besluit van 13 maart 2018 heeft het college [appellant] een last onder dwangsom opgelegd om het met het bestemmingsplan "Soestdijkse Grachten" strijdige gebruik van een autohandelsbedrijf op het perceel [locatie] in Soest te beëindigen en beëindigd te houden. Ook is in dat besluit bepaald dat [appellant] na afloop van de begunstigingstermijn een dwangsom van € 5.000,00 verbeurt per maand of deel van een maand dat niet aan de last is voldaan, met een maximum van € 50.000,00.
Bij besluit van 18 juni 2020 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van door [appellant] verbeurde dwangsommen ten bedrage van € 15.000,00.
Bij besluit van 15 oktober 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het ingevorderde bedrag gewijzigd in € 10.000,00.
2. In haar uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4055, heeft de Afdeling onder 9.2 overwogen dat [appellant] op basis van een e-mail van een gemeentelijke ambtenaar van 6 januari 2020 de gerechtvaardigde verwachting mocht hebben dat het college pas over zou gaan tot invordering van dwangsommen als er vijf dwangsommen waren verbeurd. In het besluit op bezwaar van 15 oktober 2020 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat er slechts twee dwangsommen zijn verbeurd. Gelet hierop is het college het door hem gewekte vertrouwen niet nagekomen. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Andere belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen zwaarder wegen. Het college heeft in zijn besluit van 15 oktober 2020 echter niet gemotiveerd welke andere belangen zwaarder wegen dan de bij [appellant] gewekte verwachtingen. Dit betekent dat het besluit van 15 oktober 2020 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen.
De Afdeling heeft vervolgens in de uitspraak van 9 oktober 2024 overwogen dat het in eerste instantie aan het college is om in een nieuw besluit op bezwaar te motiveren of er belangen zijn die zwaarder wegen dan het belang van [appellant], en zo ja, waarom. De Afdeling heeft daarnaast bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
3. Bij besluit van 19 december 2024 heeft het college opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant] en zijn besluit om over te gaan tot invordering van dwangsommen in stand gelaten.
Beoordeling beroep
4. [appellant] betoogt dat het college het nieuwe besluit niet heeft genomen met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024. Volgens hem lijkt het college zich op het standpunt te stellen dat het geen gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt. Maar de Afdeling heeft in de eerdere uitspraak al geoordeeld dat het college gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt. Daarnaast voert [appellant] aan dat het college ook niet heeft gemotiveerd waarom andere belangen zwaarder zouden moeten wegen dan zijn belang bij nakoming van de gewekte verwachtingen.
4.1. Indien met de uitspraak waarin toepassing is gegeven aan de judiciële lus een oordeel in rechte is komen vast te staan, moet van de juistheid van dat oordeel worden uitgegaan. Van dit oordeel kan dan ook niet, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen, worden teruggekomen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3441, onder 7.2.
4.2. De Afdeling heeft in de eerdere uitspraak van 9 oktober 2024 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat [appellant] de gerechtvaardigde verwachting mocht hebben dat het college pas over zou gaan tot invordering van dwangsommen als er vijf dwangsommen waren verbeurd. Van een zeer uitzonderlijk geval als bedoeld onder 4.1 is hier geen sprake. Dit betekent dat het college bij het nemen van het nieuwe besluit moest uitgaan van de juistheid van het in de eerdere uitspraak gegeven oordeel.
4.3. Aan het nieuwe besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het op 3 oktober 2019, 12 november 2019 en 21 januari 2020 brieven over de verbeuring van dwangsommen naar [appellant] heeft gestuurd. Volgens het college wist [appellant] op grond van die brieven dat hij een betalingsverplichting had. Daarom heeft het college het invorderingsbesluit in stand gelaten.
Daargelaten dat twee van die brieven dateren van voor de e-mail van 6 januari 2020 en dat de mededeling dat er een betalingsverplichting bestaat niet kan afdoen aan de gewekte verwachting dat nog geen invorderingsbesluit zou worden genomen, heeft het college met zijn motivering ten onrechte weer ter discussie gesteld in hoeverre er gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt en, zo lijkt het, geconcludeerd dat er geen gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt. Die discussie heeft het college vervolgens ook ten onrechte betrokken bij de beoordeling of er belangen zijn die zwaarder wegen dan het belang van [appellant]. Gelet hierop heeft het college de eerdere uitspraak van de Afdeling niet in acht genomen en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd waarom de door hem gewekte verwachting niet moet worden nagekomen.
Het betoog slaagt.
Conclusie beroep
5. Het beroep is gegrond. Het besluit van 19 december 2024 moet worden vernietigd.
6. Ondanks dat het college daartoe de gelegenheid heeft gekregen, heeft het college in het nieuwe besluit en op de zitting geen concrete belangen aangedragen die volgens hem zo zwaar wegen dat de door hem gewekte verwachting niet moet worden nagekomen en de twee verbeurde dwangsommen nu al moeten worden ingevorderd. Het college heeft uitsluitend weer ter discussie gesteld of een gerechtvaardigde verwachting is gewekt en daarbij gewezen op de beginselplicht tot invordering. Op de zitting heeft het college toegelicht dat het een heel zwaar belang hecht aan de drie brieven waarmee het aan [appellant] heeft laten weten dat een betalingsverplichting bestond. Maar zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen, heeft het college daarmee ten onrechte weer ter discussie gesteld in hoeverre gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt. De Afdeling gaat er daarom vanuit dat er geen concrete belangen zijn die zo zwaar wegen dat de door het college gewekte verwachting niet moet worden nagekomen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet is gebleken van belangen van derden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college de bij [appellant] gewekte verwachting had moeten nakomen. Dit betekent dat het college pas tot invordering van dwangsommen had mogen overgaan als er vijf dwangsommen waren verbeurd. Omdat er volgens het college zelf maar twee dwangsommen zijn verbeurd, had het nog geen invorderingsbesluit mogen nemen.
7. De Afdeling ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het invorderingsbesluit van 18 juni 2020 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in plaats treedt van het vernietigde besluit van 19 december 2024.
8. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Overschrijding redelijke termijn
9. [appellant] heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
9.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
9.2. Indien, zoals in dit geval, de zogenoemde judiciële lus is toegepast wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden.
9.3. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 30 juli 2020. De redelijke termijn is in deze procedure dus afgerond naar boven met 20 maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan het college en de Afdeling worden toegerekend. De overschrijding moet voor 7/20e deel aan het college en voor 13/20e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
9.4. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 2000,00.
9.5. Het college en de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moeten ieder de helft van de proceskosten vergoeden die [appellant] heeft gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Soest van 19 december 2024, zaaknummer 113223;
III. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Soest van 18 juni 2020;
IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 19 december 2024;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Soest tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Soest aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 194,00 vergoedt;
VII. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Soest om aan [appellant] een schadevergoeding van € 700,00 te betalen;
IX. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant] een schadevergoeding van € 1300,00 te betalen;
X. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Soest tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
XI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Roessel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
457