ECLI:NL:RVS:2026:1194

ECLI:NL:RVS:2026:1194

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer 202403236/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 12 maart 2021 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de bestaande uitweg op het perceel [locatie 1] in Purmerend. [appellant B] en [appellant A] wonen op [locatie 2] in Purmerend aan een pleintje met andere woningen op nummers [locatie 1], [locatie 3] en [locatie 4] (het hofje). Er is een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een uitweg ten behoeve van [locatie 1]. [appellant B] en [appellant A] parkeerden daar voorheen hun auto. Het college stelt dat het gehouden is om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank heeft dit besluit in stand gelaten. [appellant B] en [appellant A] kunnen zich hier niet in vinden.

Uitspraak

202403236/1/R1.

Datum uitspraak: 4 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Purmerend,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Holland van 24 april 2024 in zaak nr. 23/3270 in het geding tussen:

[appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend.

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2021 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de bestaande uitweg op het perceel [locatie 1] in Purmerend.

Bij besluit van 6 april 2023 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar. Daarbij heeft het college het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, de breedte van de inrit gewijzigd en de omgevingsvergunning met een aanvullende motivering in stand gelaten voor het aanleggen van een bestaande uitweg.

Bij uitspraak van 24 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant B] en [appellant A] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.C.H. Overwater en N. Klijn, is verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 26 februari 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. [appellant B] en [appellant A] wonen op [locatie 2] in Purmerend aan een pleintje met andere woningen op nummers [locatie 1], [locatie 3] en [locatie 4] (het hofje). Er is een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een uitweg ten behoeve van [locatie 1]. [appellant B] en [appellant A] parkeerden daar voorheen hun auto. Het college stelt dat het gehouden is om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank heeft dit besluit in stand gelaten. [appellant B] en [appellant A] kunnen zich hier niet in vinden.

Toetsingskader

3. Het is op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2.12 van de Algemene plaatselijke verordening Purmerend 2021 (de APV) verboden om een uitweg te maken, te hebben of het gebruik te veranderen zonder vergunning. Artikel 2.18 van de Wabo bepaalt dat als de aanvraag betrekking heeft op een uitwegvergunning, deze alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening. In artikel 2.12 van de APV staat op welke gronden de vergunning wordt geweigerd. Als er geen weigeringsgrond is, dan moet de vergunning worden verleend.

4. Artikel 2.12 van de APV luidt:

"1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1.8 wordt de vergunning slechts geweigerd;

a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

3. […]"

Gaat er door het aanleggen van de uitweg een openbare parkeerplaats verloren?

5. [appellant B] en [appellant A] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen openbare parkeerplaats verloren gaat met de verlening van de omgevingsvergunning. Hierover voeren zij aan dat in het koopcontract van de vorige eigenaren van [locatie 2] wordt verwezen naar het bestemmingsplan "Overwhere II". Volgens [appellant B] en [appellant A] volgt uit dit bestemmingsplan dat aan het eind van de straten een parkeerplaats ligt, waarvan de bestrating door de gemeente wordt aangelegd. In het hofje zijn volgens hen 8 openbare parkeerplaatsen aangelegd.

5.1. In het hofje zijn geen parkeerplaatsen aangegeven door belijning of een stootblok. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een openbare parkeerplaats een voor een ieder (feitelijk) toegankelijke parkeerplaats is die als zodanig mag worden gebruikt, waarbij het niet nodig is dat deze plaats van belijning is voorzien. Volgens het college kan er alleen een parkeerplaats verdwijnen, als daar ook daadwerkelijk mag worden geparkeerd. De rechtbank heeft het college hierin terecht gevolgd. Parkeren is volgens artikel 1:1 van de APV wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (het RVV 1990). Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat parkeren vóór een in- of uitrit in strijd is met artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (de Wvw 1994) en artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het RVV 1990. Het college heeft inzichtelijk gemaakt waar er in het hofje mag worden geparkeerd. Daarbij is het college uitgegaan van de bestaande garageboxen en inritten met uitwegen aan het hofje, zoals het college op de zitting heeft bevestigd. Uit de gedingstukken blijkt dat het parkeren in het hofje aan de kant van [locatie 1] een uitrit blokkeert wat niet is toegestaan op grond van artikel 5 van de Wvw 1994 en artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het RVV 1990. Met de rechtbank oordeelt de Afdeling dat het standpunt van het college juist is dat er op deze locatie geen openbare parkeerplaats vervalt, als daar een nieuwe uitweg wordt toegestaan. Dat betekent dat de weigeringsgronden uit artikel 2.12 van de APV niet aan de orde zijn en dat het college gehouden was om de omgevingsvergunning te verlenen, zoals het heeft gedaan.

5.2. Wat [appellant B] en [appellant A] aanvoeren over het koopcontract van de vorige bewoners en het toenmalige bestemmingsplan "Overwhere II" leidt niet tot een ander oordeel. Het koopcontract en het bestemmingsplan zeggen niets over de vraag waar openbare parkeerplaatsen liggen. Het toenmalige bestemmingsplan stond de inrichting als hofje, waar geparkeerd kon worden, toe. Dit is onder het huidige bestemmingsplan "Overwhere Noord 2012" niet anders.

Voor zover [appellant B] en [appellant A] wijzen op feitelijke onjuistheden in de uitspraak van de rechtbank, stelt de Afdeling vast dat die niet van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of het college de uitwegvergunning in overeenstemming met artikel 2.12 van de APV heeft verleend. Wat [appellant B] en [appellant A] daarover opmerken, kan daarom niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Dit geldt eveneens voor wat zij hebben gesteld over het niet informeren van overige bewoners.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026

672-1185

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C. Sparreboom

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?