202400002/1/A3.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 5 oktober 2023 in zaak nr. 21/2773 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 21 januari 2021 heeft de korpschef van de politie een aanvraag van [appellant] om een wapen bij te schrijven op zijn wapenverlof afgewezen.
Bij besluit van 1 september 2021 heeft de minister het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 oktober 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard, de Staat veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan [appellant] wegens overschrijding van de redelijke termijn en de Staat veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [appellant].
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 januari 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. I.M. Touwen en digitaal vertegenwoordigd door R.P. Stehouwer, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 15 september 2020 heeft de korpschef voor de eerste keer aan [appellant] een privéverlof afgegeven met een geldingsduur tot en met 31 mei 2021. [appellant] heeft daarna op 11 november 2020 een aanvraag voor het bijschrijven van een tweede wapen op zijn privéverlof bij de korpschef ingediend. De korpschef heeft deze aanvraag bij het besluit van 21 januari 2021 afgewezen. In het besluit staat dat [appellant] gelet op de Circulaire wapens en munitie 2019 (hierna: de Cwm) niet in aanmerking komt voor het bijschrijven van het door hem aangevraagde wapen, omdat [appellant] zich in het eerste verlofjaar van zijn privéverlof bevindt en in dat eerste verlofjaar een sportschutter slechts in aanmerking kan komen voor een verlof voor één wapen. Verder staat in het besluit dat in het eerste verlofjaar de mogelijkheid qua kaliber beperkt is en het wapen dat [appellant] wil bijschrijven van een te groot kaliber is.
1.1. Volgens de minister heeft de korpschef de aanvraag van [appellant] terecht afgewezen.
Uitspraak rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de afwijzing van de korpschef van de aanvraag van [appellant] in stand heeft mogen laten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] sinds november 2019 als beheerder is aangemerkt op een verenigingsverlof, maar dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen een verenigingsverlof en privéverlof. Volgens de rechtbank maken de Regeling wapens en munitie (hierna: de Rwm) en de Cwm onderscheid in deze verloven, omdat deze verloven voor verschillende doeleinden worden afgegeven. Er worden verschillende voorwaarden gesteld en de controle is op sommige punten ook anders. De rechtbank volgt het betoog van [appellant] dat hij niet als beginnend schutter moet worden aangemerkt niet. [appellant] bevond zich namelijk ten tijde van de aanvraag nog in het eerste jaar van zijn privéverlof. Dat [appellant] sinds november 2019 als beheerder is aangemerkt ten aanzien van een verenigingsverlof doet daar niets aan af. Voor die situatie is geen uitzonderingsmogelijkheid gecreëerd in wet- en regelgeving. De rechtbank heeft verder overwogen dat de minister geen uitzondering voor [appellant] hoefde te maken. Het persoonlijke belang van [appellant] dat het wapen op zijn privéverlof wordt bijgeschreven, is niet groter dan het algemene belang om het beleid restrictief toe te passen.
Hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de afwijzing van de korpschef van de aanvraag van [appellant] in stand heeft mogen laten. Hiertoe voert hij, samengevat, aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat ten aanzien van een verenigingsverlof en een privéverlof dezelfde veiligheidseisen worden gesteld. Verder moet volgens [appellant] in de situatie waarin eerst een verenigingsverlof is afgegeven voordat een privéverlof is aangevraagd, de afgiftedatum van het verenigingsverlof als begindatum worden gehanteerd voor de vraag hoe lang een aanvrager een verlof heeft. Omdat aan [appellant] in 2019 als beheerder van een schutterij al een verenigingsvergunning was afgegeven, was het eerste verlofjaar ten tijde van zijn aanvraag van 11 november 2020 al verstreken. Hij is daarom ten onrechte als beginnend schutter aangemerkt, aldus [appellant].
3.1. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 8 tot en met 10 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet, voor zover aangevallen, worden bevestigd.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E. de Bakker, griffier.
w.g. De Groot
voorzitter
w.g. De Bakker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
1031