202407776/1/A2.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 november 2024 in zaak nr. 23/5674 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 3 mei 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] een tegemoetkoming van € 8.000,00 toegekend.
Bij besluit van 11 oktober 2023 heeft de Dienst Toeslagen het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. In de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht) is een regeling opgenomen voor kinderen van gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire (de kindregeling). Op grond van de kindregeling komen kinderen van gedupeerde ouders onder meer in aanmerking voor een tegemoetkoming. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de leeftijd van het kind op 1 juli 2023. [appellante] was toen zestien jaar oud. De Dienst Toeslagen heeft aan haar daarom op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wht een tegemoetkoming van € 8.000,00 toegekend. De Dienst Toeslagen heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd.
Hoger beroep
2. [appellante] betoogt dat artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wht - waaruit de hoogte van de tegemoetkoming volgt - en artikel 9.1, eerste lid, van de Wht - waarin een hardheidsclausule is opgenomen - wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel in haar geval buiten toepassing zouden moeten worden gelaten. Met het toekennen van het forfaitaire bedrag van € 8.000,00 wordt namelijk geen recht gedaan aan het leed dat zij heeft ondergaan. Bovendien hebben zich na de totstandkoming van de Wht omstandigheden voorgedaan die niet in de kindregeling zijn verdisconteerd. Verder leidt volgens [appellante] de beslissing van de wetgever om de hardheidsclausule niet van toepassing te laten zijn op artikel 2.12 van de Wht tot ongelijke behandeling en onrechtvaardige uitkomsten.
2.1. De gronden die [appellante] aanvoert zijn identiek aan de gronden die haar advocaat heeft aangevoerd in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2993, ECLI:NL:RVS:2025:2996 en ECLI:NL:RVS:2025:2999. In de overwegingen 7 tot en met 8.2 is de Afdeling gemotiveerd op die gronden ingegaan. Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Conclusie
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
4. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
284-1160