202502261/1/A2.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats], als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarig kind [kind],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 maart 2025 in zaak nr. 23/7712 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juni 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan [kind] een tegemoetkoming van € 4.000,00 toegekend.
Bij besluit van 24 oktober 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
Hoger beroep
2.1. De gronden die [appellante] aanvoert zijn identiek aan de gronden die haar gemachtigde heeft aangevoerd in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2993, ECLI:NL:RVS:2025:2996 en ECLI:NL:RVS:2025:2999. In de overwegingen 7 tot en met 9.3 is de Afdeling gemotiveerd op die gronden ingegaan. Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Conclusie
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
284-1160