202307850/1/A3.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in Beverwijk,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordHolland van 21 november 2023 in zaak nr. 23/3197 in het geding tussen:
[appellante]
en
de burgemeester van Beverwijk.
Procesverloop
Bij besluit van 5 april 2022 heeft de burgemeester de exploitatievergunning en de gedoogverklaring voor [appellante] ingetrokken.
Bij besluit van 9 mei 2022 heeft de burgemeester besloten het pand waarin [appellante] is gevestigd met ingang van 11 mei 2022 voor drie maanden te sluiten.
Bij besluit van 28 maart 2023 heeft de burgemeester het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen het besluit om de gedoogverklaring in te trekken niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen de intrekking van de exploitatievergunning en de sluiting van het pand ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 november 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen de intrekking van de gedoogverklaring niet-ontvankelijk is verklaard en de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand gelaten.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De burgemeester en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 december 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.A.J. van Putten, advocaat in Almere, en mr. P.P.J. van der Meij, advocaat in Amsterdam, vergezeld van [eigenaar], en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. Y. Kliphuis, advocaat in Hoofddorp, en D. Sevil, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [eigenaar] is eigenaar van [appellante]. De laatste gedoogverklaring en exploitatievergunning die daarvoor is verleend, is die van 19 december 2018. Halverwege 2021 is zijn zoon mede eigenaar geworden. De exploitatievergunning is daarop aangepast. Nadat de burgemeester bestuurlijke rapportages van de politie had ontvangen en andere informatie uit justitiële documentatie en politiegegevens, concludeerde hij dat [eigenaar] en zijn zoon van slecht levensgedrag zijn. Hij heeft daarom de exploitatievergunning en de gedoogverklaring ingetrokken. Hierna ontving de burgemeester nog een proces-verbaal. Daarin stond dat de zoon reclame voor de coffeeshop had gemaakt terwijl dat volgens het Coffeeshopbeleid Beverwijk niet mag. Dat was aanleiding voor de burgemeester om het pand waarin de coffeeshop is gevestigd, te sluiten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester deze besluiten mocht nemen. [appellante] is het daar niet mee eens.
Hoger beroep
2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester de exploitatievergunning en gedoogverklaring mocht intrekken. Uit de door de rechtbank genoemde incidenten volgt niet dat sprake is van slecht levensgedrag. [eigenaar] en zijn zoon waren niet verwijtbaar bij de genoemde incidenten betrokken. De intrekking van de exploitatievergunning en de gedoogverklaring is daarom onevenredig. Ook was de sluiting van het pand aan de [locatie 1] onterecht en onevenredig, aldus [appellante].
2.1. Ingevolge artikel 2:28, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 1:6 van de Algemene Plaatselijke Verordening Beverwijk, kan de burgemeester een exploitatievergunning intrekken als de exploitant niet voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Wanneer aan een exploitant of beheerder van een inrichting wordt tegengeworpen dat hij in enig opzicht van slecht levensgedrag is, moet dit per geval door de burgemeester worden gemotiveerd. Van geval tot geval zal verschillen welke feiten en/of omstandigheden aanleiding geven tot tegenwerping van het levensgedrag. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1493. In het Coffeeshopbeleid Beverwijk is de eis dat exploitanten niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn, nader gespecifieerd. In de toelichting bij sluitingscriterium 11 van het Coffeeshopbeleid Beverwijk staat dat met het hanteren van het begrip ‘slecht levensgedrag’ aansluiting wordt gevonden bij de drank- en horecawetgeving en dat het begrip slecht levensgedrag onder andere omvat het hebben van een crimineel verleden. Bij de invulling van de eis over het levensgedrag komt de burgemeester beoordelingsruimte toe. Beoordeeld moet worden of de door de burgemeester aangevoerde feiten en omstandigheden de intrekking van de exploitatievergunning en de gedoogverklaring kan rechtvaardigen.
2.2. De burgemeester heeft verschillende incidenten, weergegeven in een aantal bestuurlijke rapportages, ten grondslag gelegd aan de intrekkingen. Het gaat om incidenten op 9 februari 2017, 31 januari 2019, 18 november 2020, 3 februari 2021, 10 februari 2021 en 29 september 2022.
2.3. Op 9 februari 2017 heeft de politie een melding ontvangen van een woningoverval aan de [locatie 2] in Beverwijk. De verdachten zochten naar spullen van [eigenaar], zo blijkt uit de bestuurlijke rapportage van 16 november 2021. De bewoner van de woning had 16 dozen met 49 kilo hennep opgeslagen voor zijn buurman, [eigenaar]. In de bestuurlijke rapportage is vermeld dat [eigenaar] heeft verklaard dat de dozen van hem zijn en dat de inhoud van de dozen de handelsvoorraad voor zijn coffeeshop was.
Op 31 januari 2019 is door de politie in de woning van [zoon] op het perceel [locatie 3] in Haarlem 9120 gram softdrugs (hennep) en diverse soorten en (handels)hoeveelheden harddrugs aangetroffen. Dit volgt uit de bestuurlijke rapportage van 16 november 2021.
In een bestuurlijke rapportage van 8 december 2020 is vermeld dat de politie op 18 november 2020 in de woning van [eigenaar] aan de [locatie 4] in Beverwijk aanwezig was, omdat in de woning mogelijk illegaal vuurwerk opgeslagen zou zijn. De politie trof geen vuurwerk aan, maar wel € 16.100,00 aan contant geld. In de garage bij de woning werd een grote hoeveelheid softdrugs aangetroffen: 31,55 kilo henneptoppen, 2,5 kilo blokken hasjiesj, 6012 voorgedraaide, verpakte joints en 1,65 kilo voorgedraaide, niet verpakte joints. Daarnaast is op 18 november 2020 [zoon] met een vriend aangehouden voor het aanbieden en verkopen van 20 kilo professioneel, illegaal vuurwerk.
Op 3 februari 2021 trof de politie een inwerking zijnde hennepkwekerij aan in een bedrijfspand aan de [locatie 5] in Haarlem. Het pand werd door [eigenaar] verhuurd en naar zijn zeggen zonder zijn weten onderverhuurd. Er was sprake van meerdere misdrijven: het vervaardigen van hennep, het vernielen van een meterkast en diefstal van stroom. In het pand werd een Litouwse man aangetroffen die verklaarde daar te slapen. In totaal werden 530 hennepplanten aangetroffen en vernietigd.
Op 10 februari 2021 trof de politie een inwerking zijnde hennepkwekerij aan in een bedrijfspand van [eigenaar] aan de [locatie 6] in Opmeer. Er was sprake van meerdere misdrijven: het vervaardigen van hennep, het vernielen van een meterkast en diefstal van stroom. In het pand werd een Litouwse man aangetroffen. In totaal werden 454 hennepplanten, 15 hennepstekken en 78 gram hennepgruis aangetroffen en vernietigd. Er was sprake van één eerdere oogst.
Het pand aan de [locatie 5] is op 29 september 2022 wederom betrokken geweest bij een incident, zo blijkt uit de aanvullende bestuurlijke rapportage van 16 februari 2023. Er werd op de [locatie 5] illegaal, professioneel vuurwerk aangetroffen. Het aangetroffen vuurwerk komt exact overeen met vuurwerk dat [zoon] heeft aangeboden op Telegram in 2020. In een verhoor op 7 februari 2023 heeft [eigenaar] verklaard dat het pand niet was verhuurd aan derden. Dit is door een buurtbewoner bevestigd.
2.4. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester zich op basis van het samenstel van de hierboven omschreven incidenten redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat [eigenaar] en [zoon] van slecht levensgedrag zijn. De Afdeling overweegt daarover het volgende.
2.5. Het betoog van [appellante], onder verwijzing naar rechtspraak van het EHRM (bijvoorbeeld het arrest van 23 oktober 2014, Melo Tadeu tegen Portugal, ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD002778510), dat het strijd met de onschuldpresumptie oplevert als de burgemeester feiten meeweegt waarvoor betrokkenen zijn vrijgesproken, volgt de Afdeling niet. Vooropgesteld moet worden dat de burgemeester zijn besluitvorming niet uitsluitend op feiten heeft gebaseerd waarvoor [eigenaar] en zijn zoon onherroepelijk zijn vrijgesproken. Zo is [zoon] door het Hof Amsterdam veroordeeld bij arrest van 25 april 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1102, voor het opzettelijk voorhanden hebben van 216 stuks ‘Black Widow’ vuurwerk. Tegen dit arrest is cassatie ingesteld. Voor de op 18 november 2020 aangetroffen grote hoeveelheid softdrugs is [eigenaar] veroordeeld door de politierechter, zo heeft [appellante] verklaard op de zitting van de Afdeling. [eigenaar] heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. Wat betreft de incidenten van 3 februari 2021 en 10 februari 2021 zijn door het OM sepotbeslissingen genomen, zo stelt [appellante]. Ten aanzien van de incidenten van 9 februari 2017 en 31 januari 2019 stelt [appellante] dat [eigenaar] en [zoon] niet als verdachten zijn aangemerkt. Wat betreft het incident van 29 september 2022 waar illegaal vuurwerk is aangetroffen op de [locatie 5] is [zoon] onherroepelijk vrijgesproken op 6 december 2023. De bestuursrechter is in beginsel niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter. Dat kan anders zijn indien het strafrechtelijke vonnis de inhoud van de bestuurlijke rapportages waarop de intrekking van de exploitatievergunning en de gedoogverklaring is gebaseerd onderuit haalt of anderszins een ander licht werpt op de feiten of omstandigheden waarop de intrekkingen zijn gebaseerd. Dat is hier niet het geval omdat de vrijspraak onverlet laat dat in een pand van [eigenaar] illegaal vuurwerk is aangetroffen. Verder mocht de burgemeester uitgaan van de juistheid van de op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportages. In de bestuurlijke rapportage van 16 november 2021 staat dat [eigenaar] op 13 maart 2017 heeft verklaard dat de aangetroffen dozen in de woning aan de [locatie 2] zijn eigendom waren. De stelling van [appellante] dat de dozen niet aan haar toebehoren, is zonder nadere toelichting onvoldoende om aan de juistheid van de in de bestuurlijke rapportage weergegeven informatie te twijfelen.
3. Wat [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd over de vraag of de sluiting van het pand aan de [locatie 1] rechtmatig was, is een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die beroepsgrond ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over deze beroepsgrond en in de onder 14.2 tot en met 14.6 van de aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
3.1. Verder is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat de intrekking van de exploitatievergunning en de gedoogverklaring en de sluiting van het pand aan de [locatie 1] evenredig waren. De burgemeester mocht het belang van de openbare orde zwaarder laten wegen dan de belangen van [appellante]. Dat [appellante] financieel nadeel door de intrekkingen ondervindt is, gelet op de vele incidenten waar [eigenaar] en zijn zoon bij zijn betrokken, geen reden om hier anders over te oordelen. De stelling van [appellante] dat de sluiting onevenredig is omdat zij niet eerder is gewaarschuwd en sprake is van bijzondere omstandigheden, volgt de Afdeling evenmin. [appellante] heeft op 8 februari 2021 een waarschuwing gekregen voor het schenden van sluitingscriterium 10 door de maximaal toegestane handelshoeveelheid van 500 gram ver te overschrijden. De Afdeling merkt op dat de burgemeester op basis van dat sluitingscriterium had kunnen besluiten handhavend op te treden, maar destijds heeft besloten dat niet te doen. De burgemeester heeft op de zitting van de Afdeling toegelicht dat hij ten tijde van de waarschuwing nog niet op de hoogte was van de feiten van het incident van 9 februari 2017. Uit het Coffeeshopbeleid volgt daarnaast dat een waarschuwing voor een overtreding van één van de sluitingscriteria is aan te merken als een waarschuwing voor een overtreding van de overige criteria. Verder heeft, zoals de rechtbank in overweging 14.3 terecht heeft overwogen, [eigenaar] sinds 2021 in totaal vier keer voor cannabisproducten geadverteerd op sociale media. Hiermee is sluitingscriterium 5 uit het Coffeeshopbeleid geschonden. Gelet hierop volgt de Afdeling het betoog van [appellante] niet dat de burgemeester bij de schending van sluitingscriterium 5 had kunnen volstaan met (wederom) een waarschuwing. De betogen slagen niet.
Slotsom
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
5. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van R.E.C. Bus, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
w.g. Bus
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026