ECLI:NL:RVS:2026:1213

ECLI:NL:RVS:2026:1213

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer 202401919/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 8 februari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen, voor zover van belang, aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder omgevingsvergunning bouwen van een schuur op het perceel aan de [locatie] in Vinkeveen. Een toezichthouder heeft op 6 februari 2023 geconstateerd dat [appellant] een schuur van 56 m2 aan het bouwen was op zijn perceel aan de [locatie] in Vinkeveen. [appellant] had hiervoor geen omgevingsvergunning, terwijl dit volgens het college op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo wel vereist was. Het college heeft [appellant] daarom bij het besluit van 8 februari 2023 onder oplegging van een dwangsom gelast om de bouw van de schuur te staken en gestaakt te houden. [appellant] meent dat de schuur als vergunningvrij bijbehorend bouwwerk kan worden toegevoegd aan zijn perceel. Hij is daarom in beroep gegaan tegen het besluit op bezwaar. Bij de uitspraak van 5 februari 2024 heeft de rechtbank het beroep van [appellant] ongegrond verklaard, omdat naar haar oordeel de schuur niet vergunningvrij kan worden gebouwd.

Uitspraak

202401919/1/R4.

Datum uitspraak: 4 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 5 februari 2024 in zaak nr. 23/4390 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2023 heeft het college, voor zover van belang, aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder omgevingsvergunning bouwen van een schuur op het perceel aan de [locatie] in Vinkeveen.

Bij besluit van 5 juli 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 8 februari 2023 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 5 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2025, waar [appellant], vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door W.F. Goddijn, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.

Bij besluit van 8 februari 2023 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. Een toezichthouder heeft op 6 februari 2023 geconstateerd dat [appellant] een schuur van 56 m2 aan het bouwen was op zijn perceel aan de [locatie] in Vinkeveen. [appellant] had hiervoor geen omgevingsvergunning, terwijl dit volgens het college op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo wel vereist was. Het college heeft [appellant] daarom bij het besluit van 8 februari 2023 onder oplegging van een dwangsom gelast om de bouw van de schuur te staken en gestaakt te houden.

In het besluit op bezwaar van 5 juli 2023 heeft het college zijn motivering aangevuld en zich op het standpunt gesteld dat de schuur alleen vergunningvrij aan het perceel kon worden toegevoegd als dit op grond van artikel 2 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is toegestaan. Volgens het college kan de schuur echter niet vergunningvrij worden gebouwd, omdat de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken, die op grond van artikel 2, onderdeel 3, onder f, van bijlage II van het Bor in het bebouwingsgebied is toegestaan, al is overschreden. Het college heeft daarom bij het besluit op bezwaar het besluit waarbij de last onder dwangsom is opgelegd, in stand gelaten.

[appellant] meent dat de schuur als vergunningvrij bijbehorend bouwwerk kan worden toegevoegd aan zijn perceel. Hij is daarom in beroep gegaan tegen het besluit op bezwaar. Bij de uitspraak van 5 februari 2024 heeft de rechtbank het beroep van [appellant] ongegrond verklaard, omdat naar haar oordeel de schuur niet vergunningvrij kan worden gebouwd.

Is de schuur vergunningvrij?

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de schuur niet vergunningvrij kan worden gebouwd. Volgens hem kan de schuur wel vergunningvrij worden gebouwd, omdat op zijn perceel de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken als bedoeld in artikel 2, onderdeel 3, onder f, van bijlage II van het Bor niet is overschreden. Volgens hem is de rechtbank bij het bepalen van de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken uitgegaan van een te kleine perceeloppervlakte. Zij is hierbij ten onrechte uitgegaan van de oppervlakte van de gronden waarop volgens het bestemmingsplan "1e herziening Lintbebouwing Vinkeveen 2003" de bestemming "Wonen" rust. Dit bestemmingsplan heeft volgens [appellant] geen rechtskracht meer, omdat het langer dan tien jaar geleden is vastgesteld. Bovendien blijkt uit gegevens in zijn koopcontract, het Kadaster en WOZ-taxatieverslagen dat zijn perceel groter is dan de rechtbank heeft vastgesteld. Uit de WOZ-taxatieverslagen blijkt volgens hem ook dat er altijd al meer bouwwerken op het perceel mochten staan, waaronder een schuur van 65 m2. Verder heeft de rechtbank er volgens [appellant] geen rekening mee gehouden dat de nieuwe schuur dient ter vervanging van een oude schuur die nog op het perceel staat.

3.1. De gronden die [appellant] onder 3 in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling ziet in wat door [appellant] in hoger beroep is aangevoerd, geen aanleiding voor een ander oordeel dan het oordeel van de rechtbank. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat de schuur niet vergunningvrij kan worden gebouwd en in de onder 6.1 tot en met 9.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.

De Afdeling voegt daaraan toe dat het feit dat het bestemmingsplan "1e herziening Lintbebouwing Vinkeveen 2003" meer dan tien jaar geleden is vastgesteld, niet tot gevolg heeft dat dat bestemmingsplan geen rechtskracht heeft en niet van toepassing is op het perceel van [appellant]. De rechtbank mocht daarom uitgaan van dit bestemmingsplan bij het vaststellen van het bebouwingsgebied. Overigens wijst de Afdeling erop dat bestemmingsplannen die elektronisch raadpleegbaar zijn op grond van artikel 3.1a van de Wet ruimtelijke ordening niet meer elke tien jaar opnieuw hoeven te worden vastgesteld.

Verder wijst de Afdeling erop dat de WOZ-taxatieverslagen niet van belang zijn voor de beoordeling van de vraag of de schuur vergunningvrij kan worden gebouwd. Dat in die verslagen een schuur van 65 m2 is vermeld, geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de schuur vergunningvrij kan worden gebouwd.

Het betoog slaagt niet.

Vertrouwensbeginsel

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college had moeten afzien van handhavend optreden, omdat hij erop mocht vertrouwen dat hij de schuur vergunningvrij mocht bouwen. Hij voert hiertoe aan dat hij met een ambtenaar van de Omgevingsdienst Utrecht heeft afgesproken dat hij de nieuwe schuur volgens de bouwtekening van 21 november 2019 van [bouwbedrijf] kon bouwen en als hij daarbij verschillende bouwwerken, waaronder containers en een carport, van zijn perceel zou verwijderen. [appellant] verwijst hierbij naar een e-mailwisseling uit augustus 2020 tussen hem, de ambtenaar en de gemeente De Ronde Venen.

4.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.

4.2. Uit de e-mailwisseling tussen [appellant] en de ambtenaar van de Omgevingsdienst Utrecht blijkt dat de ambtenaar ervan uitging dat de schuur en de overige bebouwing in het achtererfgebied van het perceel van [appellant] zouden worden gerealiseerd volgens de bouwtekening van [bouwbedrijf]. Ten tijde van de bouw van de schuur stonden er echter bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied van het perceel van [appellant] die niet op de bouwtekening zijn weergegeven. De feitelijke situatie ten tijde van de bouw van de schuur komt daarmee niet overeen met de situatie zoals die is geschetst in de bouwtekening. Omdat de feitelijke situatie ten tijde van de bouw van de schuur anders is dan de situatie waar de ambtenaar van de Omgevingsdienst van uitging, kon en mocht [appellant] uit die uitlatingen redelijkerwijs niet afleiden dat hij de schuur vergunningvrij mocht bouwen.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.E.P. van Gulik, griffier.

w.g. Van Altena

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026

418-1098

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. D.E.P. van Gulik

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?