202401269/1/R2.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Vortum-Mullem, gemeente Land van Cuijk,
appellante,
tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank OostBrabant van 9 oktober 2023 respectievelijk 17 januari 2024 in zaken nrs. 23/2142 en 23/2143 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk.
Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2023 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan bouwen van een levensloopbestendige woning aan de [locatie 1] in Vortum-Mullem en het aanleggen van twee nieuwe uitritten op het voorerf van dit perceel.
Bij tussenuitspraak van 9 oktober 2023 heeft de rechtbank naar aanleiding van het door [appellante] daartegen ingestelde beroep het college in de gelegenheid gesteld om het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het besluit van 13 juli 2023 te herstellen.
Bij besluit van 20 oktober 2023 heeft het college het besluit van 13 juli 2023 aangevuld, in die zin dat de omgevingsvergunning voor het in afwijking van het bestemmingsplan bouwen van een levensloopbestendige woning op het perceel ook wordt verleend voor het bouwen op een afstand van minder dan 3 m tot de zijdelingse perceelsgrens.
Bij einduitspraak van 17 januari 2024 heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 13 juli 2023 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het deel van het bouwplan dat op minder dan 3 m van de zijdelingse perceelsgrens is voorzien en het beroep van [appellante] tegen het besluit van 20 oktober 2023 ongegrond verklaard.
[appellante] heeft tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zitting van 4 december 2025, waar [appellante] digitaal, bijgestaan door mr. M.J. Smaling, rechtsbijstandverlener in Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.H.A.G. Verwoort, zijn verschenen. Ook is digitaal op de zitting [partij], bijgestaan door mr. G.T. van de Weerdt, rechtsbijstandverlener in Leusden, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding omgevingsrecht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 14 oktober 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Wettelijk kader
2. De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
3. [partij] is eigenaar van het perceel. Zijn bouwplan voorziet in de bouw van een levensloopbestendige woning en de aanleg van twee uitritten op het perceel. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Vortum-Mullem komplan". Op het perceel rust de enkelbestemming "Wonen" en de dubbelbestemming "Archeologie". Het bestemmingsplan maakt het bouwen van woningen uitsluitend mogelijk ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - hoofdgebouw" en deze aanduiding is niet toegekend aan het perceel. Om toch te kunnen meewerken aan het bouwplan heeft het college toepassing gegeven aan zijn bevoegdheid om op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo af te wijken van het bestemmingsplan en aan [partij] een omgevingsvergunning voor de activiteiten "bouwen", "afwijken van het bestemmingsplan" en "aanleggen uitrit" verleend.
[appellante] woont op het naastgelegen perceel aan de [locatie 2]. Zij vreest voor nadelige gevolgen voor haar woon- en leefklimaat, omdat de levensloopbestendige woning volgens haar te dicht op haar perceel wordt gebouwd.
De tussenuitspraak
4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college deugdelijk heeft onderbouwd dat sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling, zodat het besluit van 13 juli 2023 niet in strijd is met artikel 3.42 van de IOV. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dan ook geen aanleiding hoeven zien om een voorwaardelijke verplichting tot realisatie en instandhouding van een groen tuinplan in de omgevingsvergunning op te nemen.
De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de afstand van de erker tot de zijdelingse perceelsgrens aan de zijde van het perceel van [appellante] in strijd is met de planregels. Het college is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen.
De einduitspraak
5. In de einduitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek met het besluit van 20 oktober 2023 heeft hersteld. Volgens de rechtbank is het college gemotiveerd teruggekomen van zijn eerder ingenomen standpunt over de in het bestemmingsplan voorgeschreven afstand tot de zijdelingse perceelsgrens. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich in het besluit van 20 oktober 2023 op het standpunt heeft kunnen stellen dat de overschrijding van de voorgeschreven afstand tot de zijdelingse perceelsgrens met 0,834 m niet maakt dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de kleinste afstand tussen de vergunde woning en de woning van [appellante] na afwijking van het bestemmingsplan ongeveer 11 m is en dat het alleen gaat om een afwijking op de begane grond. Gelet daarop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat het woon- en leefklimaat van [appellante] zal worden aangetast.
Ingetrokken hoger beroepsgronden
6. [appellante] heeft op de zitting haar beroepsgronden over een nader archeologisch onderzoek, geluidsoverlast, schaduwwerking, verminderde ventilatie en corridorwerking ingetrokken.
Duurzame stedelijke ontwikkeling
7. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college deugdelijk heeft onderbouwd dat sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling en dat er geen strijd is met artikel 3.42, tweede lid, aanhef en onder d, van de IOV. [appellante] voert aan dat het college niet goed heeft onderbouwd dat de woning een duurzame stedelijke ontwikkeling is, omdat het college geen rekening heeft gehouden met de hittestress die de woning veroorzaakt.
[appellante] voert ook aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in het licht van artikel 3.42, tweede lid, aanhef en onder d, van de IOV geen aanleiding heeft hoeven zien om een voorwaardelijke verplichting tot realisatie en instandhouding van een groen tuinplan in de omgevingsvergunning op te nemen. Daardoor is niet geborgd dat de in de aanvraag genoemde elementen ter voorkoming van hittestress, namelijk groen in de voor- en achtertuin, daadwerkelijk worden gerealiseerd en in stand gehouden.
Verder voert [appellante] aan dat de rechtbank kritischer had moeten beoordelen of sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling, omdat er de komende vijf jaar al 50 woningen worden bijgebouwd in Vortum-Mullem, terwijl er maar behoefte is aan 20 woningen.
Artikel 3.42, tweede lid, aanhef en onder d, van de IOV
7.1. De Afdeling zal zich eerst buigen over de vraag of hier wel sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.42 van de IOV. En dus of zij wel aan een inhoudelijk oordeel over de toepassing van artikel 3.42, tweede lid, aanhef en onder d, van de IOV kan toekomen. Anders dan [appellante] heeft gesteld, treedt de Afdeling hiermee niet buiten de omvang van het geding. Het is namelijk aan de Afdeling om te beoordelen of het ingeroepen recht wel op het voorliggende geval van toepassing is.
7.2. Artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de IOV bepaalt dat hoofdstuk 3 "instructieregels aan gemeenten" ook van toepassing is op een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo van een bestemmingsplan wordt afgeweken. Dat is hier het geval.
7.3. De Afdeling heeft in de uitspraak van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2486, onder 8.2, overwogen dat als een planvoornemen niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de IOV, het planvoornemen ook geen onderbouwing hoeft te bevatten dat het voornemen een duurzame stedelijke ontwikkeling is als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV. De Afdeling heeft in deze uitspraak ook overwogen dat het begrip "stedelijke ontwikkeling", nu dat niet is omschreven in de IOV, hetzelfde moet worden uitgelegd als het begrip "stedelijke ontwikkeling" in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), gezien de toelichting bij artikel 3.6 van de IOV. In de toelichting bij artikel 3.6 van de IOV staat namelijk dat in de IOV geen extra eisen zijn gesteld ten opzichte van de ladder voor duurzame verstedelijking in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.
7.4. In de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, onder 6.3, heeft de Afdeling overwogen dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Het voorgaande is ook van toepassing op een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo.
7.5. Met het besluit van 13 juli 2023 wordt de bouw van één woning mogelijk gemaakt. Dat betekent dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de IOV en dat het college dus ook geen onderbouwing hoeft te geven dat sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Dat heeft de rechtbank niet onderkend. Maar dit leidt niet tot een vernietiging van de tussenuitspraak, omdat de uitkomst er in die tussenuitspraak niet anders door wordt.
Omdat artikel 3.42, tweede lid, aanhef en onder d, van de IOV niet van toepassing is, behoeft wat [appellante] in dat verband heeft aangevoerd over het opnemen van een voorwaardelijke verplichting tot realisatie en instandhouding van een groen tuinplan en de behoefte aan woningen in Vortum-Mullem geen bespreking meer.
7.6. Voor zover [appellante] in dit verband argumenten heeft aangevoerd over hittestress, worden deze, zoals besproken op de zitting, behandeld bij haar beroepsgrond over een goede ruimtelijke ordening.
Goede ruimtelijke ordening
8. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het herstelbesluit van 20 oktober 2023 niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
[appellante] voert aan dat de veronderstelling dat de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 3 m zou zijn, voor het college van doorslaggevend belang was bij de oorspronkelijke beslissing om medewerking te verlenen aan het bouwplan. Het college kan volgens [appellante] niet opeens voor een geheel ander standpunt kiezen.
De rechtbank heeft volgens [appellante] ook ten onrechte overwogen dat de overschrijding van de minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens slechts gering is. Dat is op zo’n smal en klein perceel volgens haar niet het geval.
[appellante] heeft op de zitting toegelicht dat zij ook in het kader van de afweging over een goede ruimtelijke ordening betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met hittestress. Zij heeft op de zitting ook toegelicht dat het haar met name te doen is om een verlies aan uitzicht en privacy.
8.1. Deze grond komt overeen met wat [appellante] in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de onder 15 van de einduitspraak van de rechtbank opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. Voor zover [appellante] heeft aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in het kader van de afweging over een goede ruimtelijke ordening onvoldoende rekening heeft gehouden met hittestress, voegt de Afdeling daar het volgende aan toe.
8.2. De rechtbank komt onder 4.3.2 van de tussenuitspraak terecht tot de conclusie dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat door de bouw van de voorziene woning geen sprake zal zijn van een toename van hittestress bij de woning van [appellante], dan wel dat die toename niet onaanvaardbaar is. Zie hiervoor de nota van zienswijzen en het verweerschrift in beroep, waarin het college ook heeft verwezen naar paragraaf 4.3.2 van de ruimtelijke onderbouwing van Reland van 28 februari 2023. Bovendien is in de verleende omgevingsvergunning een voorschrift opgenomen over de infiltratie en afvoer van hemelwater, waardoor verharding op het perceel en daardoor hittestress worden beperkt. [appellante] heeft onvoldoende toegelicht wat daar niet aan klopt.
8.3. De Afdeling acht het verder aannemelijk dat de voorziene woning invloed heeft op het uitzicht en de privacy van [appellante], maar het verlies van uitzicht en privacy wordt niet veroorzaakt door de overschrijding van de toegestane minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens met 0,834 m bij de erker. Dit is het gevolg van de bouwhoogte die op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Het bestemmingsplan laat bebouwing tot maximaal 10 m hoog toe en daar voldoet de woning aan. Relevant is verder dat op de erfgrens een schutting van 2 m hoog is geplaatst, die het zicht vanuit de woning van [appellante] op het gedeelte van de woning dat op minder dan 3 m van de zijdelingse perceelsgrens is gelegen, ontneemt.
De Afdeling merkt naar aanleiding van wat [appellante] heeft betoogd nog op dat, hoewel onder 8 van de einduitspraak staat dat de overschrijding van de minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens slechts gering is, dat een weergave van het standpunt van het college is. Deze overweging ligt niet ten grondslag aan het oordeel van de rechtbank.
Het betoog slaagt niet.
Uitvoering van het bouwplan
9. [appellante] betoogt dat de woning is gebouwd in strijd met de verleende omgevingsvergunning. Dit betoog kan de Afdeling niet inhoudelijk beoordelen, omdat dit een kwestie van handhaving is.
Conclusie en proceskosten
10. Het hoger beroep is ongegrond. De tussenuitspraak van de rechtbank moet, met verbetering van de gronden waarop deze rust, worden bevestigd. De einduitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd, voor zover aangevallen.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de tussenuitspraak en de einduitspraak, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Boulfaja, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
1044
BIJLAGE
Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
[…]
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
[…]
Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro
[…]
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
[…]
Artikel 5.20 van het Bor
Voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet zijn de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.42, tweede lid, onder d, van de IOV
[…]
Lid 2
Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:
[…]
d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;
[…]
Bestemmingsplan "Vortum-Mullem komplan" van de gemeente Land van Cuijk
Artikel 13.2.1, aanhef en onder a en e
Voor het bouwen van woningen gelden de opgenomen aanduidingen, alsmede de volgende bepalingen:
a. de woningen worden uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - hoofdgebouw’ gebouwd en moeten ter plaatse van de functieaanduidingen ‘woongebieden 1 en 2’ voorzien zijn met een kap met een helling van minimaal 25 en maximaal 60 graden; bij toepassing van een mansardekap mag de helling maximaal 80 graden bedragen;
[…]
e. de afstand van een vrijstaande woning tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt aan beide zijden ten minste 3 meter, behalve ter plaatse van de functieaanduidingen ‘woongebieden 1 en 2’, waar de afstand aan één zijde 3 en aan de andere zijde 5,5 meter bedraagt;
[…]