ECLI:NL:RVS:2026:1219

ECLI:NL:RVS:2026:1219

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer 202403887/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 30 april 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen het wijzigingsplan "Westerstraat 56 Dinteloord" vastgesteld. Het plan voorziet in een wijziging van het bestemmingsplan "Kom Dinteloord", vastgesteld op 15 december 2016 (hierna: het moederplan). Het bestreden wijzigingsplan voorziet in de mogelijkheid om op het perceel aan de Westerstraat 56 in Dinteloord (hierna: het perceel) maximaal 16 appartementen te realiseren. Op grond van artikel 6.5 van de regels van het moederplan kunnen de gronden waaraan de bestemming "Bedrijf" en de functieaanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied" is toegekend, worden gewijzigd naar de bestemmingen "Wonen", "Tuin" en "Verkeer", teneinde ter plaatse maximaal 16 woningen mogelijk te maken, met inachtneming van enkele voorwaarden. [appellanten] exploiteren op het naastgelegen perceel aan de [locatie] samen een bedrijf en één van hen woont in de bijbehorende bedrijfswoning. [partij] en anderen zijn de eigenaren van de gronden van het plangebied.

Uitspraak

202403887/1/R2.

Datum uitspraak: 4 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], allebei wonend in Dinteloord, gemeente Steenbergen,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2024 heeft het college het wijzigingsplan "Westerstraat 56 Dinteloord" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[partij] en anderen hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2026, waar [appellanten], bijgestaan door mr. K.K.M. Aerts, advocaat te Steenbergen, en het college, vertegenwoordigd door M. Hultermans, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [partij A], [partij B], [partij C], [partij D], vertegenwoordigd door mr. T.I.P. Jeltema, advocaat te Veldhoven, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een wijzigingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het wijzigingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 14 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het plan voorziet in een wijziging van het bestemmingsplan "Kom Dinteloord", vastgesteld op 15 december 2016 (hierna: het moederplan). Het bestreden wijzigingsplan voorziet in de mogelijkheid om op het perceel aan de Westerstraat 56 in Dinteloord (hierna: het perceel) maximaal 16 appartementen te realiseren.

3. Op grond van artikel 6.5 van de regels van het moederplan kunnen de gronden waaraan de bestemming "Bedrijf" en de functieaanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied" is toegekend, worden gewijzigd naar de bestemmingen "Wonen", "Tuin" en "Verkeer", teneinde ter plaatse maximaal 16 woningen mogelijk te maken, met inachtneming van enkele voorwaarden. Het plandeel met de bestemming "Bedrijf" met de gebiedsaanduiding "wetgevingszone — wijzigingsgebied" uit het moederplan strekt zich uit over zowel het perceel als het naastgelegen perceel aan de [locatie] in Dinteloord.

4. [appellanten] exploiteren op het naastgelegen perceel aan de [locatie 1] samen een bedrijf en één van hen woont in de bijbehorende bedrijfswoning.

5. [partij] en anderen zijn de eigenaren van de gronden van het plangebied.

Toetsingskader

6. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan mag de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarover de wijzigingsbevoegdheid gaat in beginsel als een gegeven worden beschouwd als is voldaan aan de in het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden die in een bestemmingsplan zijn opgenomen, doet niets af aan de plicht van het college van burgemeester en wethouders om in de besluitvorming over de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming gerechtvaardigd is.

Wijzigingsbevoegdheid

7. Artikel 6.5 van de regels van het moederplan luidt:

"Het bevoegd gezag kan middels een wijzigingsbevoegdheid de bestemming 'Bedrijf' ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied' wijzigen naar de bestemmingen 'Wonen', 'Tuin' en 'Verkeer', teneinde ter plaatse maximaal 16 woningen mogelijk te maken, met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. de goothoogte van de woningen mag niet meer bedragen dan 6 m;

b. de bouwhoogte van de woningen mag niet meer bedragen dan 10 m;

c. de woningen dienen te passen binnen de geldende woningbouwafspraken; d. parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein;

e. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende bedrijven;

f. er zijn geen overwegende bezwaren van natuurlijke, landschappelijke, archeologische, cultuurhistorische, waterhuishoudkundige, hydrologische, abiotische of milieuhygiënische aard;

g. de economische uitvoerbaarheid dient te zijn gewaarborgd."

Goede procesorde

8. Op de zitting hebben [appellanten] een nieuwe beroepsgrond aangevoerd die zij niet in hun beroepschrift hebben aangevoerd.

8.1. Behalve in geschillen waarin de wet het niet toestaat, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, nieuwe gronden worden ingediend. Deze mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter. Naar het oordeel van de Afdeling is de nieuwe beroepsgrond van [appellanten] zodanig laat in de procedure naar voren gebracht, dat het college daarop onvoldoende heeft kunnen reageren. Daarom laat de Afdeling deze grond wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.

Reikwijdte wijzigingsbevoegdheid

9. [appellanten] betogen kort samengevat dat ten onrechte slechts een deel van het plandeel wordt gewijzigd naar een woonbestemming. Zij wijzen erop dat hun perceel en de gronden van het plangebied in het moederplan planologisch één geheel zijn. De gekozen benadering zorgt ervoor dat [appellanten] geen woningen met behulp van de wijzigingsbevoegdheid meer kunnen bouwen op hun perceel als het volledig aantal toegestane woningen zal worden gebouwd op de gronden van het plangebied.

9.1. Naar het oordeel van de Afdeling brengt een redelijke uitleg van artikel 6.5 van de regels van het moederplan met zich dat de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied" ook gedeeltelijk kan worden gewijzigd naar de bestemmingen "Wonen", "Tuin" en "Verkeer", teneinde ter plaatse maximaal 16 woningen mogelijk te maken. Hetgeen door [appellanten] is aangevoerd, biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel.

9.2. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college bij het vaststellen van het wijzigingsplan in zoverre niet buiten zijn bevoegdheid is getreden.

Het betoog slaagt niet.

Parkeren

10. [appellanten] voeren aan dat er sprake is van strijd met artikel 6.5, onder d, van de regels van het moederplan, omdat volgens hen de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen onjuist is. Zij wijzen erop dat als zowel hun perceel als het plangebied zal worden gewijzigd er wel kan worden voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein in plaats van dat de openbare ruimte nodig is.

10.1. In paragraaf 4.1 van de plantoelichting staat dat de toekomstige parkeerbehoefte 27,2 parkeerplaatsen betreft. In de huidige situatie is de parkeerbehoefte 10,8 parkeerplaatsen. Omdat er maar 2 parkeerplaatsen beschikbaar waren op de gronden van het plangebied werden er 8,8 parkeerplaatsen afgewenteld in het openbaar gebied. Naar het oordeel van het college kan dat ook in de toekomstige situatie plaatsvinden. Dat betekent dat er uiteindelijk 18,4 (27,2 - 8,8) parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd binnen het plangebied, zo staat in de plantoelichting.

10.2. De Afdeling stelt vast dat artikel 6.5, lid d, van de regels van het moederplan als voorwaarde stelt voor gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid dat het parkeren plaats dient te vinden op eigen terrein. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat niet wordt voorzien en ook niet kan worden voorzien in het realiseren van voldoende parkeerplekken op de gronden van het plangebied. Er worden namelijk slechts 18 van de benodigde 27,2 parkeerplaatsen gerealiseerd binnen het plangebied.

Gelet op het vorenstaande is niet is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden uit artikel 6.5 van de regels van het moederplan. Dientengevolge heeft het college niet met toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid het voorliggende wijzigingsplan kunnen vaststellen. Voor zover het college zich op de zitting nog op het standpunt heeft gesteld dat in de wijzigingsbevoegdheid moet worden gelezen dat het gemeentelijke parkeerbeleid van toepassing is, is de Afdeling van oordeel dat artikel 6.5 van de regels van het moederplan daar geen enkel aanknopingspunt voor geeft.

10.3. Het betoog slaagt.

Conclusie

11. Gelet op wat [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 6.5, aanhef en lid d, van de regels van het moederplan. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Gelet hierop behoeft de overige beroepsgrond geen bespreking meer.

12. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening.

13. Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen van 30 april 2024, waarbij het wijzigingsplan "Westerstraat 56 Dinteloord" is vastgesteld;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier.

w.g. Besselink

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Ewijk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026

867

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.M.W. van Ewijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?