202205717/2/A3.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om schadevergoeding van:
[verzoeker], verblijvend in [plaats],
verzoeker.
Procesverloop
Bij uitspraak van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4944, heeft de Afdeling uitspraak gedaan op het hoger beroep van [verzoeker].
In die zaak heeft [verzoeker] verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. Bij besluit van 22 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag [verzoeker] meegedeeld dat het geen persoonsgegevens over hem heeft verwerkt. Bij besluit van 12 mei 2021 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 augustus 2022 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft op 15 oktober 2025 uitspraak gedaan.
2. [verzoeker] betoogt terecht dat de procedure niet binnen een redelijke termijn is afgerond. De redelijke termijn bij een procedure als deze bedraagt namelijk vier jaar. In dit geval is deze aangevangen op 24 maart 2021 met de ontvangst van het bezwaarschrift van [verzoeker] tegen het besluit van 22 maart 2021. Vanaf die datum tot 15 oktober 2025, de dag waarop de Afdeling uitspraak deed, zijn vier jaar en bijna zeven maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn bijna zeven maanden is overschreden. Dit is aan de Afdeling toe te rekenen, omdat de behandeling van het hoger beroep ruim drie jaar heeft geduurd. De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet daarom een schadevergoeding betalen van € 1000,00.
3. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [verzoeker] een schadevergoeding van € 1000,00 te betalen;
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G.L. Soetens, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Soetens
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026