ECLI:NL:RVS:2026:1223

ECLI:NL:RVS:2026:1223

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer 202301099/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 26 januari 2022 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd. Bij besluit van 16 juni 2022 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. [appellante] heeft van Ocean Network Express de opdracht gekregen om een lading te vervoeren. Op 24 september 2021 heeft een toezichthouder van de Inspectie Leefomgeving en Transport een controle uitgevoerd op het binnenschip [binnenschip] in de haven van Rotterdam. Aan boord van het schip stonden diverse containers, geladen met gevaarlijke stoffen. De schipper heeft bij de controle aan de toezichthouder een vervoersdocument overhandigd. De toezichthouder heeft vervolgens vastgesteld dat diverse gegevens op het vervoersdocument ontbraken. De staatssecretaris heeft dit in zijn besluiten overgenomen. Het gaat om de naam van de afzender, de (bijkomende) gevaren, de technische benaming tussen haakjes en in geval van een lege doch niet gereinigde tankcontainer de tekst "lege tankcontainer, laatste lading UN… ."

Uitspraak

202301099/1/A3.

Datum uitspraak: 4 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd in [plaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 januari 2023 in zaak nr. 22/2914 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, thans de minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2022 heeft de staatssecretaris aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 16 juni 2022 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 januari 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Bij besluit van 25 mei 2023 heeft de staatssecretaris de verbeurde dwangsommen van € 2.000,00 ingevorderd.

De staatssecretaris en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 juni 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.J. van Dam, advocaat in Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. K. Ulmer en R.J.A. Wennekes, zijn verschenen.

Overwegingen

Toepasselijke regelgeving

1. De voor deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2. [appellante] heeft van Ocean Network Express (hierna: ONE) de opdracht gekregen om een lading te vervoeren. Op 24 september 2021 heeft een toezichthouder van de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: de Inspectie) een controle uitgevoerd op het binnenschip [binnenschip] in de haven van Rotterdam. Aan boord van het schip stonden diverse containers, geladen met gevaarlijke stoffen. De schipper heeft bij de controle aan de toezichthouder een vervoersdocument overhandigd. De toezichthouder heeft vervolgens vastgesteld dat diverse gegevens op het vervoersdocument ontbraken. De staatssecretaris heeft dit in zijn besluiten overgenomen. Het gaat om de naam van de afzender, de (bijkomende) gevaren, de technische benaming tussen haakjes en in geval van een lege doch niet gereinigde tankcontainer de tekst "lege tankcontainer, laatste lading UN… ." Hiermee heeft [appellante] als afzender artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: Wvgs) en artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: het besluit) in verband met artikel 2, eerste lid, onder a, van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (hierna: de regeling) in samenhang gelezen met subsectie 1.4.2.1.1, onder b, van de Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (hierna: ADN) overtreden. In een bijlage bij het besluit van 26 januari 2022 heeft de staatssecretaris de overtredingen van de ADN nader omschreven. Daarom heeft de staatssecretaris aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd. [appellante] moet aan de vervoerder vervoersdocumenten leveren die voldoen aan de in de ADN daaraan gestelde eisen.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] afzender is in de zin van de ADN, en daarmee overtreder. In de eerste plaats heeft de rechtbank hiertoe overwogen dat tussen [appellante] en de schipper van de [binnenschip] een vervoersovereenkomst bestaat in de zin van artikel 8:20 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij [appellante] de afzender is. Ook afgezien van de vervoersovereenkomst heeft [appellante] volgens de rechtbank voor een derde, namelijk ONE, gevaarlijke goederen verzonden.

Verder is de rechtbank van oordeel dat [appellante] de Wvgs heeft overtreden, omdat op het vervoersdocument de in de ADN genoemde informatie ontbreekt. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris voldoende onderbouwd dat het gaat om een overtreding. Dat de staatssecretaris de stukken waarnaar [appellante] verwijst niet heeft overgelegd, doet hier niet aan af, nu die stukken niet van belang zijn voor de onderbouwing van de geconstateerde overtreding.

Naar aanleiding van deze overtreding mocht de staatssecretaris, gelet op twee eerdere waarschuwingen voor soortgelijke overtredingen, volgens de rechtbank overeenkomstig de interventieladder een last onder dwangsom opleggen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling uit de interventieladder niet volgt dat de staatssecretaris niet een last onder dwangsom mag opleggen zonder eerst voorlichting of een waarschuwing te geven.

Hoger beroep

Afzender

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij afzender is in de zin van de ADN, en daarmee overtreder, omdat in het inspectierapport van 24 september 2021 [appellante] is aangemerkt als bemiddelaar en ONE als afzender. Ook betoogt [appellante] dat uit een bevrachtingsovereenkomst van 2019 tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] volgt dat niet zij, maar [bedrijf 1] afzender is.

5. De Afdeling is van oordeel dat niet ONE, maar [appellante] afzender is. Dat licht zij hieronder toe.

Uit subsectie 1.2.1 van de ADN volgt dat de afzender de onderneming is die zelf of voor derden gevaarlijke goederen verzendt. Als het vervoer plaatsvindt op grond van een vervoersovereenkomst, dan geldt als afzender de afzender volgens deze overeenkomst.

Hoewel het ongelukkig is dat [appellante] in het inspectierapport staat vermeld als bemiddelaar en niet als afzender, heeft de staatssecretaris zich voor wat betreft de beantwoording van de vraag wie afzender is, niet op het inspectierapport gebaseerd. Immers, in het besluit van 26 januari 2022, waarin de staatssecretaris de last onder dwangsom heeft opgelegd, heeft de staatssecretaris zich nadrukkelijk op het standpunt gesteld dat [appellante] als afzender, zoals bedoeld in de definitiebepaling van de ADN, moet worden aangemerkt.

Over het betoog dat uit de bevrachtingsovereenkomst volgt dat niet [appellante] maar [bedrijf 1] afzender is, overweegt de Afdeling dat de bevrachtingsovereenkomst geen vervoersovereenkomst is in de zin van de ADN. In de bevrachtingsovereenkomst staat immers geen afzender vermeld. Verder ziet deze overeenkomst alleen op het ter beschikking stellen van het schip en de bemanning, en niet op het vervoer van een specifieke vracht als die van 24 september 2021. Aangezien een vervoersovereenkomst ontbreekt, moet op grond van susbsectie 1.2.1 van de ADN gekeken worden naar de feitelijke gang van zaken. In dit geval heeft [appellante], voor ONE, de goederen verzonden via de [binnenschip]. Dit volgt uit de verklaring van schipper J. de Wit, dat hij opdracht van [appellante] heeft gekregen tot het vervoer van de vracht. En ook uit de e-mail van 22 september 2021, waarin een werknemer van [appellante] het vervoersdocument heeft gestuurd aan de [binnenschip]. Daarbij komt dat aan de e-mail van ONE van 17 september 2021 kan worden ontleend dat ONE aan [appellante] de opdracht goederen te (doen) vervoeren heeft verleend. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat [appellante] de afzender is. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog slaagt niet.

Overtreding

6. Ook betoogt [appellante] dat zij geen overtreding heeft begaan. Op haar rust geen verplichting een vervoersdocument op te maken. Hierbij wijst [appellante] op subsectie 1.4.2.1.1, onder b, van de ADN waarin onder andere staat dat de afzender de vereiste informatie levert aan de vervoerder en eventueel de vereiste vervoersdocumenten. Volgens [appellante] betekent deze formulering dat de afzender niet verplicht is om de vervoersdocumenten op te maken. Verder stelt [appellante] dat zij de juiste informatie aan de schipper heeft verschaft, omdat zij het vervoersdocument heeft ingevuld op basis van de opgave van ONE. Als bepaalde informatie ontbrak, dan was het de verantwoordelijkheid van de schipper om dit aan te vullen en mocht de schipper niet vertrekken voordat het vervoersdocument compleet was. Volgens [appellante] mocht zij op grond van subsectie 1.4.2.1.2. van de ADN vertrouwen op de informatie die haar door andere betrokkenen ter beschikking is gesteld. Daar komt bij dat de overtreding onvoldoende is onderbouwd, omdat de staatssecretaris bij zijn besluit volgens [appellante] niet alle relevante documenten heeft meegewogen.

7. In subsectie 1.4.2.1.1, onder b, van de ADN staat voorop dat de verzender alleen een zending voor vervoer kan aanbieden die voldoet aan de voorschriften van de ADN. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit de ADN dat de afzender bij het aanbieden van de zending een vervoersdocument moet aanleveren aan de vervoerder, als daartoe ingevolge de ADN een verplichting bestaat. Anders dan [appellante] betoogt, moet het woord ‘eventueel’ op die wijze worden uitgelegd. Als de aangeboden zending gevaarlijke stoffen bevat, moet het vervoersdocument de in de ADN genoemde specifieke informatie bevatten. Ontbreekt deze informatie op het vervoersdocument, dan levert dat een overtreding op in de zin van de Wvgs.

Het voorgaande betekent dat [appellante] op grond van de ADN als afzender verplicht is om een vervoersdocument aan te leveren aan de vervoerder dat voldoet aan de vereisten van de ADN. Anders dan [appellante] betoogt, is dit een verplichting van de afzender en niet van de schipper.

8. Op het vervoersdocument ontbreken de juiste naam en adres van de afzender, voor de lege en niet gereinigde tankcontainer THPU-8008885 met de gevaarlijke stof UN 1809 FOSFORTRICHLORIDE, de vermelding van het bijkomend gevaar van klasse (8) en de tekst "lege tankcontainer, laatste lading UN" en voor de container FSCU-8710034, met de gevaarlijke stof UN 3077 MILIEU GEVAARLIJKE VASTE STOF N.E.G., de technische benaming tussen haakjes. Dit betekent dat [appellante] als afzender een incompleet vervoersdocument heeft aangeboden aan de schipper en daarmee de in de inleiding genoemde artikelen niet in acht heeft genomen. [appellante] beroept zich hierbij tevergeefs op het vertrouwensbeginsel zoals neergelegd in subsectie 1.4.2.1.2 van de ADN. Het door ONE aan [appellante] overgelegde multi modal dangerous goods form bevatte immers wel de juiste/volledige informatie. [appellante] heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat ONE onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. Het onjuist of onvolledig invullen van het vervoersdocument door [appellante] kan daarom niet het gevolg zijn van de eerder door ONE aan [appellante] overgelegde informatie of gegevens. Anders dan [appellante] betoogt, heeft de staatssecretaris met het inspectierapport van de controle op 24 september 2021, het vervoersdocument en de Transportation Work Order: RTM3567016 de vastgestelde overtredingen voldoende onderbouwd. Aldus heeft de staatssecretaris naar het oordeel van de Afdeling deugdelijk gemotiveerd dat [appellante] de van toepassing zijnde regelgeving heeft overtreden. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog slaagt niet.

Last onder dwangsom

9. [appellante] betoogt dat de staatssecretaris niet overeenkomstig de interventieladder heeft gehandeld. Volgens [appellante] is de brief van de staatssecretaris van 6 oktober 2018 geen waarschuwing. Daarmee heeft de staatssecretaris volgens [appellante] nagelaten een waarschuwing te geven en is zij in dat verband ten onrechte niet gehoord. Ook is het opleggen van de last onder dwangsom volgens [appellante] onevenredig.

10. De staatssecretaris heeft met toepassing van artikel 46 van de Wvgs, gelezen in samenhang met artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), een last onder dwangsom opgelegd. Hij heeft zijn keuze voor een last onder dwangsom gebaseerd op de interventieladder zoals genoemd in de Beleidsregel Handhavingsstrategie Inspectie Leefomgeving en Transport. Deze ladder kent verschillende interventiecategorieën, waaronder het geven van informatie, het geven van een waarschuwing of het opleggen van een last onder dwangsom. De staatssecretaris heeft onder andere twee eerdere waarschuwingen naar aanleiding van soortgelijke overtredingen meegewogen. Daargelaten of de brief van 6 oktober 2018 een waarschuwing is, volgt uit de interventieladder niet dat de staatssecretaris niet een last onder dwangsom mag opleggen, zonder eerst voorlichting of een waarschuwing te geven. De Afdeling heeft dit eerder overwogen in de uitspraak van 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:500, onder 4.3.

Verder leidt wat [appellante] heeft aangevoerd niet tot de conclusie dat het opleggen van de last onder dwangsom onevenredig is. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot hetzelfde oordeel gekomen.

Het betoog slaagt niet.

Vooringenomenheid

11. Verder betoogt [appellante] dat de inspecteur vooringenomen is, omdat

de inspecteur volgens [appellante] in het inspectierapport van 24 september 2021 heeft opgenomen dat het "schip toen werd bevracht door [appellante], die zo de dans wist te ontspringen". Dit citaat getuigt volgens de Afdeling niet van vooringenomenheid. De staatssecretaris heeft dit rapport daarom mede aan de last onder dwangsom ten grondslag kunnen leggen.

Het betoog slaagt niet.

Invorderingsbesluit van 25 mei 2023

12. Volgens de staatssecretaris heeft [appellante] zich niet aan de last van

26 januari 2022 gehouden, door als afzender van gevaarlijke stoffen niet het vervoersdocument op de juiste wijze in te vullen. Daarom heeft hij bij het besluit van 25 mei 2023 besloten tot invordering van de verbeurde dwangsom ter hoogte van € 2.000,00.

13. Op 10 maart 2023 heeft een toezichthouder van de Inspectie een controle uitgevoerd op de [binnenschip]. De staatssecretaris heeft naar aanleiding hiervan een overtreding van subsectie 1.4.2.1.1, onder b, van de ADN (het leveren van een vervoerdocument niet overeenkomstig de voorschriften van hoofdstuk 5.4 van de ADN) vastgesteld. Op het door de schipper van de [binnenschip] overhandigde vervoersdocument ontbrak de naam van [appellante] als afzender, zoals bedoeld in subsectie 5.4.1.1.1, onder g, van de ADN. Ook in subsectie 5.4.1.1.6.2.2. van de ADN genoemde gegevens over de lege en niet gereinigde tankcontainer ontbraken.

14. Uit artikel 5:39, eerste lid, van de Awb volgt dat het hoger beroep van [appellante] ook betrekking heeft op het invorderingsbesluit. De Afdeling bespreekt hieronder alleen de door [appellante] in dit verband naar voren gebrachte gronden waarover na de overwegingen, die op het hoger beroep betrekking hebben, nog moet worden geoordeeld.

15. [appellante] betoogt dat de controle van 10 maart 2023 onrechtmatig was. Volgens [appellante] bestond er geen grond voor een hercontrole in het kader van de last van 26 januari 2022.

16. In haar uitspraak van 27 januari 2023 heeft de rechtbank de door de staatssecretaris opgelegde last als rechtmatig beoordeeld. Deze last is ook niet opgeheven als bedoeld in artikel 5:34, tweede lid, van de Awb. De Afdeling volgt [appellante] niet in haar betoog dat op 10 maart 2023 geen controle meer zou mogen worden uitgevoerd.

17. Verder betoogt [appellante] dat de staatssecretaris ten onrechte tot invordering is overgegaan. Hiertoe voert zij in de eerste plaats aan dat de staatssecretaris haar ten onrechte heeft aangemerkt als afzender. Ook verwijst zij naar de bevrachtingsovereenkomst. In de tweede plaats voert [appellante] aan dat zij de juiste informatie aan de schipper heeft verschaft, omdat zij het vervoersdocument heeft ingevuld op basis van de opgave van PSA Antwerp.

18. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 5 is de bevrachtingsovereenkomst geen vervoersovereenkomst in de zin van de ADN. Over het invorderingsbesluit ziet de Afdeling geen aanleiding anders te oordelen. Daar komt bij dat de door [appellante] overgelegde e-mail van

10 maart 2023 niet maakt dat het vervoersdocument zelf aan de voorschriften van de ADN voldoet.

De staatssecretaris heeft op basis van de verklaring van de schipper dat hij in opdracht van [appellante] is gaan laden, nadat hij van [appellante] de Bics-lijst had ontvangen, deugdelijk gemotiveerd dat [appellante] afzender is. Hierbij is van belang dat door de schipper is bevestigd dat de [binnenschip] wordt bevracht door [appellante] en dat de per e-mail ontvangen Bics-lijst, afkomstig van [appellante], door hem wordt beschouwd als laadopdracht. [appellante] is terecht als afzender aangemerkt.

Onder verwijzing naar wat hiervoor onder 7 is overwogen is [appellante] op grond van de ADN als afzender verplicht om aan de vervoerder een vervoersdocument aan te leveren dat voldoet aan de vereisten van de ADN. Dit is een verplichting van de afzender en niet van de schipper, zoals [appellante] betoogt. De staatssecretaris heeft op goede gronden een overtreding van subsectie 1.4.2.1.1, onder b, van de ADN aangenomen.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

19. Ook wat [appellante] voor het overige heeft aangevoerd, leidt niet tot de conclusie dat de rechtbank ten onrechte het beroep ongegrond heeft verklaard of dat het besluit van 25 mei 2023 niet in stand kan blijven.

20. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet daarom worden bevestigd. Het beroep tegen het invorderingsbesluit van 25 mei 2023 is ongegrond.

21. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Overschrijding redelijke termijn

22. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.

23. De procedure is begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift op 27 januari 2022 en geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van vandaag. De procedure heeft dus in totaal vier jaar en ruim één maand geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim één maand is overschreden. Deze overschrijding moet volledig aan de Afdeling worden toegerekend.

24. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 500,00.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 25 mei 2023 ongegrond;

III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellante] een schadevergoeding van € 500,00 te betalen.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.

w.g. Borman

voorzitter

w.g. Langeveld

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026

85-1146

BIJLAGE

De Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (ADN)

Subsectie 1.2.1 Definities

In dit reglement wordt verstaan onder:

Afzender: de onderneming die zelf of voor derden gevaarlijke goederen verzendt. Indien het vervoer plaats vindt op grond van een vervoersovereenkomst, dan geldt als afzender de afzender volgens deze overeenkomst. Bij tankschepen met lege of geloste ladingtanks wordt met het oog op de vereiste vervoersdocumenten de schipper als afzender beschouwd.

Subsectie 1.4.2.1 Afzender

1.4.2.1.1 De afzender van gevaarlijke goederen is gehouden alleen een zending ten vervoer aan te bieden die voldoet aan de voorschriften van het ADN. In het kader van 1.4.1 moet hij in het bijzonder:

b. aan de vervoerder te leveren in een verifieerbare vorm de vereiste gegevens en informatie met inachtneming van de voorschriften van hoofdstuk 5.4 en van de tabellen van deel 3, en eventueel de vereiste vervoersdocumenten en begeleidende documenten (vergunningen, toelatingen, mededelingen, certificaten, enz.).

Subsectie 1.4.2.1.1, onder b

De afzender van gevaarlijke goederen is gehouden alleen een zending ten vervoer aan te bieden die voldoet aan de voorschriften van het ADN. In het kader van 1.4.1 moet hij in het bijzonder:

b. aan de vervoerder te leveren in een verifieerbare vorm de vereiste gegevens en informatie met inachtneming van de voorschriften van hoofdstuk 5.4 en van de tabellen van deel 3, en eventueel de vereiste vervoersdocumenten en begeleidende documenten (vergunningen, toelatingen, mededelingen, certificaten, enz.)

Subsectie 1.4.2.1.2

Indien de afzender gebruik maakt van diensten van andere betrokkenen (verpakker, belader, vuller, enz.), dan moet hij geschikte maatregelen treffen om te waarborgen dat de zending aan de voorschriften van het ADN voldoet. Hij kan echter in de gevallen van 1.4.2.1.1 a), b), c) en e), vertrouwen op de informatie en gegevens die hem door andere betrokkenen ter beschikking zijn gesteld.

Subsectie 5.4.1.1

Algemene informatie, voorgeschreven in het vervoersdocument bij het vervoer in colli of los gestort.

Subsectie 5.4.1.1.1

Het (de) vervoersdocument(en) moet(en) de volgende informatie bevatten met betrekking tot alle ten vervoer aangeboden gevaarlijke stoffen of voorwerpen:

a) het UN-nummer, voorafgegaan door de letters "UN" of stofidentificatienummer;

b) de juiste vervoersnaam, aangevuld met, voor zover van toepassing (zie 3.1.2.8.1), de technische benaming tussen haakjes ( zie 3.1.2.8.1.1), zoals vastgesteld volgens 3.1.2;

c) - voor stoffen en voorwerpen van klasse 1: de in kolom (3b) van tabel A in hoofdstuk 3.2 aangegeven classificatiecode.

Indien in kolom (5) van tabel A van hoofdstuk 3.2 andere modelnummers van etiketten dan 1, 1.4,1.5 en 1.6 zijn aangegeven, dan moeten deze modelnummers van etiketten na de classificatiecode tussen haakjes worden aangegeven;

- voor radioactieve stoffen van klasse 7: het nummer van de klasse "7";

Opmerking: Zie voor radioactieve stoffen met een bijkomend gevaar ook bijzondere bepaling 172 in hoofdstuk 3.3.

- voor lithiumbatterijen van de UN-nummers 3090, 3091, 3480 en 3481: het nummer van de klasse "9";

- voor overige stoffen en voorwerpen: de modelnummers van etiketten, aangegeven in kolom (5) van tabel A in hoofdstuk 3.2 of van toepassing op grond van een bijzondere bepaling waarnaar in kolom (6) wordt verwezen. Indien meer dan één modelnummer van etiketten wordt gegeven, moeten de nummers volgende op het eerste nummer tussen haakjes worden aangegeven. Bij stoffen en voorwerpen, waarvoor in kolom (5) van Tabel A in hoofdstuk 3.2 geen modelnummer van etiketten is aangegeven, moet in plaats daarvan de klasse conform kolom (3a) worden vermeld;

- […]

g) de naam en het adres van de afzender;

Subsectie 5.4.1.1.6.2.2

Voor lege, ongereinigde middelen van omsluiting, met uitzondering van verpakkingen, die resten van gevaarlijke goederen - met uitzondering van klasse 7 - bevatten, en voor lege, ongereinigde houders voor gassen met een inhoud van meer dan 1000 liter, moeten de gegevens als bedoeld in 5.4.1.1.1 a) t/m d), worden voorafgegaan door "LEGE RESERVOIRWAGEN", "LEGE TANKWAGEN", "LEGE AFNEEMBARE TANK", "LEGE TANKCONTAINER", "LEGE TRANSPORTTANK", "LEGE BATTERIJWAGEN", "LEGE MEGC", "LEGE WAGEN", "LEEG VOERTUIG", "LEGE CONTAINER" respectievelijk LEGE HOUDER", gevolgd door de woorden "LAATSTE LADING".

Daarnaast is 5.4.1.1.1 f) niet van toepassing.

Zie de volgende voorbeelden:

"LEGE TANKCONTAINER, LAATSTE LADING: UN 1098 ALLYLALCOHOL, 6.1 (3), I" of

"LEGE TANKCONTAINER, LAATSTE LADING: UN 1098 ALLYLALCOHOL, 6.1 (3), VG I".

Wet vervoer gevaarlijke stoffen

Artikel 5

Het is verboden de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, te verrichten ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels.

Artikel 46

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.

Besluit vervoer gevaarlijke stoffen

Artikel 2

1. Overeenkomstig het ADR, het ADN, het RID dan wel anderszins ter uitvoering van verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties, worden bij ministeriële regeling gevaarlijke stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen aangewezen ten aanzien waarvan het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet met daarbij aangewezen vervoermiddelen:

a. niet is toegestaan; of

b. is toegestaan mits daarbij gestelde regels in acht zijn genomen.

2. Een regeling als bedoeld in het eerste lid kan aanvullende voorschriften bevatten.

Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen

Artikel 2

1. Bij deze regeling behoren de volgende bijlagen

a. bijlage 1: voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren; zijnde de Nederlandse vertaling van het ADN en de daarvan deel uitmakende bijlagen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?