202407034/1/A3.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Almere,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 oktober 2024 in zaak nr. 23/4119 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Almere.
Procesverloop
Bij besluit van 30 maart 2023 heeft de burgemeester de woning van [appellant] voor drie maanden gesloten.
Bij besluit van 29 juni 2023 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 januari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. I. Elazzaty, advocaat in Almere, en de burgemeester, vertegenwoordigd door A. van Rossum en M.N. Bos, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] huurde de woning aan de [locatie]. Op 3 februari 2023 heeft de politie naar aanleiding van een melding een onderzoek in de woning ingesteld. De bevindingen zijn door de politie vastgelegd in een bestuurlijke rapportage van 20 februari 2023. In de bestuurlijke rapportage staat dat meerdere buurtbewoners bij de wijkagent hebben gemeld dat er vanuit de woning door de bewoners en anderen wordt gehandeld in verdovende middelen. Verder staat in de bestuurlijke rapportage dat de politie de volgende goederen in de woonkamer, de slaapkamers, de keuken, de zolder en de berging heeft aangetroffen:
- 13,62 gram cocaïne
- 95,5 milliliter GHB
- 548,2 gram amfetamine (pasta)
- 78,64 gram amfetamine (72 wikkel poeder)
- 1,24 gram MDMA (2 pillen)
- 0,75 gram MDMA (1 wikkel poeder)
- 9,24 gram 2CB (27 pillen)
- 165 gram hasjblokjes
- 2,3 gram henneptoppen
- 43,13 gram antidepressiva (117 hele pillen)
- 899 pillen Viagra
- 33,8 gram (61 groene pillen) van onbekende stof
- 33,29 gram (55 gele pillen) van onbekende stof
- 68,33 gram (118 gele/groene/blauwe pillen) van onbekende stof.
1.1. De politie heeft ook een aanvullende bestuurlijke rapportage opgesteld op 19 april 2023. Daarin zijn ook meldingen van buurtbewoners opgenomen. De burgemeester heeft naar aanleiding van al het voorgaande bij besluit van 30 maart 2023 besloten om de woning van [appellant] voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet en overeenkomstig de Beleidsregel artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid gemeente Almere 2021). Gelet op de aangetroffen grote handelshoeveelheid soft- en harddrugs is het volgens de burgemeester noodzakelijk om de woning te sluiten ter bescherming van het woon- en leefklimaat en herstel van de openbare orde. De burgemeester vindt dit een ernstige situatie. Ook is volgens de burgemeester van belang dat de woning midden in een voor drugscriminaliteit kwetsbare buurt ligt. De burgemeester heeft zijn besluit in bezwaar gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester voldoende aanwijzingen voor drugshandel in of vanuit de woning heeft mogen aannemen. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake was van een ernstige overtreding en de sluiting geschikt en noodzakelijk was om de rust in de directe omgeving van de woning te herstellen, verdere verstoringen van de openbare orde en aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen en de woning aan het drugscircuit te onttrekken. De burgemeester heeft daarbij mogen betrekken dat in de wijk van de woning van [appellant] de ervaren overlast van drugshandel en drugsgebruik 3,5 maal hoger is dan in andere wijken van Almere. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de sluiting evenwichtig was. De burgemeester heeft [appellant] als huurder verantwoordelijk mogen houden voor de in de woning aangetroffen drugs. Dat de omgangsregeling met haar dochter door de sluiting vervalt, is niet aannemelijk gemaakt en maakt niet dat de sluiting voor [appellant] onevenwichtig is. Daarbij heeft de dochter onderdak omdat zij merendeels bij haar vader verblijft. De burgemeester heeft gelet hierop gebruik mogen maken van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning van [appellant] voor drie maanden, aldus de rechtbank.
Belang bij inhoudelijke behandeling van het beroep
3. De burgemeester heeft in zijn nader stuk te kennen gegeven dat [appellant] inmiddels naar een andere stad is verhuisd. Hij stelt zich op het standpunt dat [appellant] daardoor geen procesbelang meer heeft.
3.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
3.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] procesbelang. [appellant] heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij eventueel zou willen terugkeren naar Almere. Deze sluiting kan gevolgen hebben voor een eventuele volgende toepassing van het Damoclesbeleid door de burgemeester. Daarnaast heeft [appellant] in de periode dat de woning gesloten was bij bekenden verbleven. Het is niet onaannemelijk dat zij naar aanleiding daarvan kosten heeft moeten maken. Daarnaast heeft zij gedurende de sluiting niet in de woning kunnen verblijven en is daarmee sprake van een inbreuk op haar woonrecht. De Afdeling wijst in dit verband op haar eerdere uitspraak van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6184, onder 5.2.
Beoordeling van het hoger beroep
4. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de sluiting noodzakelijk was. Hiertoe voert zij aan dat de burgemeester onvoldoende aanwijzingen had voor drugshandel in of vanuit de woning. De hoeveelheid gevonden drugs, gripzakjes en weegschaal konden namelijk, gelet op de meerdere drugsgebruikers in de woning, voor eigen gebruik zijn. Ook had de burgemeester niet mogen afgaan op de meldingen. De meldingen zijn summier en niet duidelijk door wie die meldingen zijn gedaan. Van de zes meldingen zien maar twee meldingen op drugs. Verder is de verklaring van de zoon geen aanwijzing dat sprake was van handel in drugs in de woning. De rechtbank heeft ook ten onrechte overwogen dat de burgemeester bij zijn besluitvorming heeft mogen betrekken dat haar woning volgens de Veiligheidsmonitor 2021 in een kwetsbare buurt ligt, omdat deze niet meer actueel is. Volgens [appellant] had de burgemeester nader onderzoek moeten doen of in de wijk nog wel sprake is van een voor drugscriminaliteit kwetsbare buurt. [appellant] vindt dat de burgemeester in strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld.
[appellant] betoogt ook dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de sluiting evenwichtig was. De burgemeester heeft volgens haar onvoldoende rekening gehouden met de voor haar nadelige gevolgen. Zij liep het risico dat zij de omgangsregeling van haar jongste dochter niet kon nakomen. Ook heeft de sluiting er voor gezorgd dat de verhuurder van haar woning, Stichting Alliantie, de huurovereenkomst heeft ontbonden. De burgemeester heeft haar geen zekerheid geboden wat betreft noodopvang, aldus [appellant].
5. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
6. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Wat [appellant] heeft aangevoerd geeft de Afdeling, in het licht van de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, geen aanleiding tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en in de onder 21 tot en met 29 opgenomen overwegingen, zoals hiervoor weergegeven.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Singh, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
voorzitter
w.g. Singh
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
990