202305135/1/A3.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juni 2023 in zaak nr. 21/5896 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 20 april 2021 heeft het college aan [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd.
Bij besluit van 21 oktober 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 juni 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 januari 2026, waar [appellant], vergezeld door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. E.G. Blees, mr. R. Peeters en A. Alilaj, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft een vaartuig afgemeerd bij de Rieteilanden in IJburg in Amsterdam. Bij besluit van 20 april 2021 heeft het college een last onder bestuursdwang opgelegd aan [appellant] voor dat vaartuig, omdat daarmee in strijd met artikel 2.3.4 (lees: artikel 2.1.4) van de Verordening op het binnenwater 2010 (Vob) ligplaats is ingenomen zonder dat daarop een juist en geldig binnenhavengeldvignet was aangebracht. [appellant] werd gelast om de overtreding binnen veertien dagen te beëindigen. Bij besluit van 21 oktober 2021 heeft het college het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] vignetplichtig is voor de locatie Rieteilanden bij IJburg, omdat die locatie is aan te merken als binnenwater als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Vob. De locatie ligt namelijk binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het water rondom de steiger van [appellant] ook openbaar water is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder i, van de Binnenhavengeldverordening Pleziervaart 2020 (Binnenhavengeldverordening). De omstandigheid dat hij als enige gebruik mag maken van de steiger brengt daarin volgens de rechtbank geen verandering.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de gemeente binnenhavengeld op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet mag heffen omdat de wateren rondom de Rieteilanden in beheer en onderhoud zijn van de gemeente Amsterdam. De rechtbank heeft overwogen dat de omstandigheid dat de Vob de diensten die worden verleend niet definieert, daaraan niet afdoet.
Bevoegdheid Afdeling
3. De Afdeling ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of zij bevoegd is om van het hoger beroep kennis te nemen. Artikel 2 van de Binnenhavengeldverordening, op grond waarvan een recht wordt geheven voor het gebruik van voor openbare dienst bestemde gemeentewateren, vindt namelijk zijn grondslag in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet. Op grond van artikel 229, derde lid, van de Gemeentewet worden de in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet bedoelde rechten voor onder meer de toepassing van paragraaf 3 en paragraaf 4 van titel IV van de Gemeentewet aangemerkt als gemeentelijke belastingen. Het besluit tot het heffen van rechten moet daarom als een ingevolge de belastingwet genomen besluit als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Awr worden aangemerkt. Ingevolge artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet, vindt de heffing van die belastingen plaats met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), als ware die belasting een rijksbelasting. Daaruit vloeit voort dat tegen een besluit tot het heffen van rechten (zie artikel 8 en 10 van de Binnenhavengeldverordening in samenhang gelezen met artikel 26, tweede lid, van de Awr) bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld op grond van hoofdstuk V van de Awr. Het in dit hoofdstuk neergelegde systeem van rechtsbescherming brengt mee dat belanghebbenden tegen een uitspraak van de rechtbank over die rechten hoger beroep kunnen instellen bij het gerechtshof en niet bij de Afdeling. Vergelijk de uitspraak van 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2914, onder 4.1.
3.1. Deze procedure heeft zijn ingang gevonden met een last onder bestuursdwang op grond van artikel 2.1.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vob. Op de zitting heeft het college toegelicht dat dit artikel niet alleen ertoe dient om de heffing van het binnenhavengeld te handhaven, maar ook om door middel van de vignetten de verkeersstromen op het Amsterdamse binnenwater in kaart te brengen. Verder kan bestuursdwang worden ingezet om handhavend op te treden tegen pleziervaartuigen waarvan de eigenaar niet bekend is, in welke gevallen de middelen die het college voor het heffen van belastingen heeft, zoals het opleggen van naheffingsaanslagen, geen toepassing kunnen vinden.
3.2. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Binnenhavengeldverordening wordt voor elk pleziervaartuig waarvoor op aangifte het binnenhavengeld is voldaan, een vignet uitgereikt. Als de eigenaar van een pleziervaartuig van mening is dat hij geen binnenhavengeld is verschuldigd, en daarom evenmin gehouden is een vignet aan te brengen op dat pleziervaartuig, kan hij op grond van artikel 26, tweede lid, van de Awr in samenhang gelezen met artikel 8 en 10 van de Binnenhavengeldverordening bezwaar maken en beroep instellen tegen het binnenhavengeld dat op aangifte is voldaan.
3.3. Het besluit tot het opleggen van een last onder bestuursdwang hangt in dit geval weliswaar samen met het besluit tot het heffen van het binnenhavengeld, omdat uit de aanwezigheid van een vignet kan worden afgeleid dat de eigenaar van het pleziervaartuig het binnenhavengeld heeft betaald (zie artikel 11 van de Binnenhavengeldverordening), maar die samenhang is niet zodanig dat daardoor sprake is van een ingevolge de belastingwet genomen besluit (zie artikel 26, eerste lid, van de Awr), met als gevolg dat de belastingrechter bevoegd zou zijn. Daarbij neemt de Afdeling in overweging dat de overtreding als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vob bestaat uit het feitelijk innemen van ligplaats met een vaartuig waarop geen vignet is aangebracht, en dat het besluit tot het opleggen van de last onder bestuursdwang erop gericht is deze overtreding ongedaan te maken. In de last onder bestuursdwang is verder niet inhoudelijk ingegaan op de juistheid van het besluit tot het heffen van binnenhavengeld.
3.4. Wat hiervoor in 3.1 tot en met 3.4 is overwogen, brengt mee dat de Afdeling bevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep over de last onder bestuursdwang.
Hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het gedeelte van het water waarin zijn pleziervaartuig ligt, openbaar water is als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Vob. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de locatie Rieteilanden bij IJburg is aan te merken als openbaar water. [appellant] voert verder aan dat hij een exclusief recht heeft op het gedeelte van het water waar zijn pleziervaartuig ligt, dat hij ontleent aan zijn eigendom van de steiger, en dat hij meerpalen heeft aangebracht om het water af te scheiden van het omliggende water, waardoor het water rondom de steiger niet voor het publiek toegankelijk is om aan te meren. Daarmee is dat water volgens [appellant] dan ook onttrokken aan de openbare dienst als bedoeld in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet. Overigens heeft hij een keurontheffing voor de steiger en de meerpalen. [appellant] vindt steun voor zijn betoog in onder meer het arrest van de Hoge Raad van 5 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI5786, onder 4.4.
5. Gelet op wat [appellant] heeft aangevoerd, is ten aanzien van de bevoegdheid van het college om op grond van artikel 2.1.4 van de Vob een last onder bestuursdwang op te leggen in dit geding alleen de vraag aan de orde of het water rondom de steiger van [appellant] openbaar water is. Ingevolge artikel 1.1.1 van de Vob wordt onder het openbaar water begrepen: alle wateren in de gemeente Amsterdam die al of niet met enige beperking voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.
5.1. Uit de kaart in Bijlage 1, behorende bij artikel 1.1.1 van de Vob, blijkt dat de locatie Rieteilanden bij IJburg, en dus de steiger van [appellant], binnen de grenzen van de gemeente Amsterdam ligt. Verder is het water rondom de steiger van [appellant] voor het publiek bevaarbaar en anderszins toegankelijk. Dat hij als enige gerechtigd is om van zijn steiger gebruik te maken, maakt niet dat hij een exclusief recht heeft op het gebruik van het water rondom de steiger. Dat water is dus ook niet aan de openbare dienst onttrokken. Het arrest van de Hoge Raad waarnaar [appellant] verwijst, leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit ziet op een andere situatie. In het arrest was sprake van een strook water tussen enerzijds een verhuurd oevergedeelte met daaraan verbonden het recht om een woonschip aldaar ligplaats te doen innemen, en anderzijds het woonschip. De verhuring onttrok in die situatie de strook die daarbij noodzakelijk open blijft - bijvoorbeeld wegens ondiepte in de haven - aan de bestemming openbare dienst van de haven. Dit is anders bij het water rondom de steiger, dat niet exclusief wordt gebruikt door [appellant]. De gevallen zijn daarom niet vergelijkbaar. Dat betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het water rondom de steiger van [appellant] openbaar water is.
Het betoog slaagt niet.
6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank is voorbijgegaan aan zijn beroepsgrond dat het opleggen van de last onder bestuursdwang in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel omdat bij de Binnenhavengeldverordening geen kaart aanwezig is waarop is te zien dat de locatie Rieteilanden onder het binnenwater valt. Verder stelt [appellant] dat op een openbaar beschikbare kaart op de website van het havenbedrijf Port of Amsterdam is af te lezen dat de locatie Rieteilanden bij IJburg buiten het gebied valt waarin binnenhavengeld wordt geheven.
6.1. Dat op de website van het havenbedrijf Port of Amsterdam een kaart met andere informatie staat, maakt niet dat het gebruik van de kaart in de bijlage van de Vob in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Voor de toepassing van de Vob is de kaart in de bijlage bij de Vob leidend. De rechtbank heeft in het betoog van [appellant] terecht geen onderbouwing gezien voor de stelling dat de steiger van [appellant] niet in het binnenwater ligt, en heeft terecht de kaart behorende bij de Vob bij haar oordeel betrokken.
Het betoog slaagt niet.
7. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bevoegd is om binnenhavengeld te heffen, omdat in de binnenhavengeldverordening niet de door de gemeente te verstrekken diensten worden genoemd op basis waarvan een genotsrecht wordt geheven in de zin van artikel 229 van de Gemeentewet.
7.1. Deze hoger beroepsgrond van [appellant] is in feite gericht tegen het besluit om rechten te heffen, en niet tegen het besluit tot het opleggen van de last onder bestuursdwang op grond van de Vob. De vraag of het college bevoegd is om binnenhavengeld te heffen, en aan welke eisen dat besluit moet voldoen, kan - gelet op wat hiervoor in onderdeel 3 is overwogen - niet in deze procedure aan de orde komen.
Het betoog slaagt niet.
8. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] verder aangevoerd dat de rechtbank eraan is voorbijgegaan dat het college alleen tegen hem handhavend heeft opgetreden en niet tegen zijn buren, wat in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
8.1. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom de gevallen van zijn buren vergelijkbaar zijn met zijn geval. Er is verder niet gebleken van een vergelijkbaar geval waarin het college een overtreding heeft geconstateerd, maar daartegen niet heeft opgetreden.
Het betoog slaagt niet.
9. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
Overschrijding van de redelijke termijn
10. [appellant] heeft op de zitting bij de Afdeling verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze, die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
10.1. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 28 mei 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met negen maanden overschreden. Deze overschrijding moet voor een zevende deel aan de rechtbank en voor het overige aan de Afdeling worden toegerekend.
10.2. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1000,00.
11. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 857,14;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 142,86.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A.B. Blomberg en mr. J.A.R. van Eijsden, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Langeveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
317-1114