202400378/1/A2.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. EDS Rotterdam CV (hierna: EDS Rotterdam), gevestigd in Rotterdam,
2. [appellant] (hierna: [appellant]), wonend in Rotterdam,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 december 2023 in zaak nr. 21/5725 in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het college)
en
EDS Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 20 mei 2021 heeft het college een aanvraag van EDS Rotterdam voor uitbreiding van de vergunning voor kamerbewoning van acht naar tien studenten voor de woning aan de [locatie] in Rotterdam, ingewilligd.
Bij besluit van 2 november 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 december 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 november 2021 vernietigd, het besluit van 20 mei 2021 herroepen, de vergunningaanvraag van 25 maart 2021 afgewezen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft EDS Rotterdam hoger beroep ingesteld.
[appellant] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
EDS Rotterdam heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2025, waar EDS Rotterdam, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. A.M. Roepel, advocaat in Rotterdam, het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. Avedissian, mr. A.J.J. van der Vlist en mr. V.C.M. Feber-van den Berg, en [appellant] zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Het college heeft aan EDS Rotterdam een vergunning verleend voor uitbreiding van kamerbewoning van acht naar tien studenten. Hier is [appellant] het niet mee eens. Zij heeft bij het college bezwaar gemaakt tegen de verleende vergunning. Hoewel het college heeft onderkend dat de aanvraag niet voldeed aan de geldende criteria, heeft het de verleende vergunning toch in stand gelaten. De reden hiervoor is dat EDS Rotterdam volgens het college een geslaagd beroep heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat het college vindt dat aan EDS Rotterdam een in rechte te honoreren toezegging is gedaan dat de vergunning verleend zal worden. Dat standpunt is gebaseerd op informatie die enige tijd op de website van de gemeente stond en op een e-mail van een medewerker van de afdeling Vergunningverlening van de gemeente. Er zijn volgens het college geen zwaarwegende belangen die in de weg staan aan honorering van het gerechtvaardigd vertrouwen. EDS Rotterdam beschikt al over een onherroepelijke vergunning voor kamerbewoning voor acht studenten. Uit het dossier blijkt, volgens het college, niet dat sprake is van overlast door de kamerbewoners op dit adres en het college verwacht niet dat door de toename met twee bewoners alsnog overlast zal ontstaan. Het college heeft het bezwaar van [appellant] daarom ongegrond verklaard. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat EDS Rotterdam geen geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel, omdat niet gebleken is van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in dit geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. Daarom heeft de rechtbank het besluit vernietigd en vervolgens zelf in de zaak voorzien door de aanvraag af te wijzen. Hier is het hoger beroep van EDS Rotterdam tegen gericht. Het hoger beroep van EDS Rotterdam richt zich ook tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] belanghebbende is bij het besluit van het college. Het incidenteel hoger beroep van [appellant] heeft betrekking op twee beroepsgronden die door de rechtbank niet zijn besproken.
1.1. De Afdeling bespreekt eerst het hoger beroep van EDS Rotterdam en vervolgens het incidenteel hoger beroep van [appellant].
Hoger beroep van EDS Rotterdam
2. EDS Rotterdam betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat [appellant] als belanghebbende kan worden aangemerkt. EDS voert aan dat het in dit geval gaat om een uitbreiding met twee studenten, in een niet overlast gevend studentenhuis, waar al sinds jaar en dag acht studenten wonen. [appellant] woont op een afstand van tenminste 100 meter van het pand en een toename met twee bewoners zorgt volgens EDS Rotterdam niet voor een merkbare verandering voor [appellant]. Volgens EDS Rotterdam heeft het op grond van de Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad 2019 (hierna: de Huisvestingsverordening) ingestelde "nul-quotum" geen betrekking op het niet verlenen van vergunningen voor studentenhuizen dan wel kamerbewoning en niet op extra studenten voor al bestaande studentenhuizen. Het is niet zo dat elke extra student drukt op het woonklimaat, zo stelt EDS Rotterdam.
2.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] belanghebbende is. Zij woont namelijk op een afstand van ongeveer 100 meter van de woning van EDS Rotterdam en daarmee in de buurt van de woning waarop de vergunning ziet. Aannemelijk is dat zij daarom feitelijke gevolgen kan ondervinden van de uitbreiding van het aantal studenten van acht naar tien. Voor zover daar twijfel over zou zijn, moet [appellant] het voordeel van de twijfel krijgen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:499). Zij is daarom belanghebbende bij het besluit van 2 november 2021. Het betoog slaagt niet.
2.2. EDS Rotterdam betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij een geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel. Er heeft communicatie plaatsgevonden met een jurist van de gemeente, die werkzaam is bij de afdeling Vergunningverlening bij de Gemeente Rotterdam. Toen is volgens EDS Rotterdam gezegd dat uitbreiding van het aantal studenten waarvoor de vergunning is verleend binnen de bestaande woning mogelijk is als de ruimte dit toelaat. EDS Rotterdam betoogt dat dit niet anders kan worden gezien dan een toezegging dat een vergunning zal worden verleend. Hierbij speelt ook nog de informatie op de website van de gemeente waaruit kon worden opgemaakt dat niet aan de criteria d en f van artikel 3.2.5. van de Huisvestingsverordening zou worden getoetst. Verder heeft EDS Rotterdam gewezen op een e-mail van de betreffende medewerker van de afdeling Vergunningverlening van 19 mei 2021 waarin zij schrijft dat EDS Rotterdam de vergunning binnenkort kan verwachten.
2.3. Bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel moeten drie stappen worden gezet. Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van het bestuursorgaan toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en hoe het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. Dit is de eerste stap (overweging 11.2 van de uitspraak van 29 mei 2019). Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging afkomstig is van het bevoegde bestuursorgaan of aan het bevoegde bestuursorgaan moet worden toegerekend. Van toerekening van een onbevoegde uitlating is sprake als de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Dit is de tweede stap (overweging 11.3 van voormelde uitspraak van 29 mei 2019). Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Andere belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen zwaarder wegen. Dit is het eerste deel van de derde stap uit de hiervoor genoemde uitspraak van 29 mei 2019 (overweging 11.4). Wanneer er andere belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen kan voor het bestuursorgaan de verplichting ontstaan om de geleden schade te vergoeden als onderdeel van de besluitvorming. Dit laatste is het tweede deel van de derde stap uit de uitspraak van 29 mei 2019.
2.4. De Afdeling is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat wordt voldaan aan de vereisten van de eerste twee stappen. Zij neemt in dit verband het volgende in aanmerking. Omdat de rechtbank niet toekwam aan de derde stap, zal de Afdeling vanaf overweging 2.7 ook ingaan op die stap.
2.5. EDS Rotterdam beroept zich op de inhoud van een e-mail van een medewerker van de gemeente, [persoon], gegeven als antwoord op de door EDS gestelde vraag. EDS Rotterdam heeft in een e-mail van 16 februari 2021 de volgende vraag gesteld:
"(…) Afgelopen jaar hebben we een kamervergunning verkregen (Lusthofstraat, Kralingen). Wij hebben een bestaand studentenhuis gekocht en zijn bezig om deze zowel qua vergunningen als bouwkundige staat te updaten naar de huidige standaarden van deze tijd. In de aanstaande verbouwing zien wij kans (en de huidige bewoners zouden dit ook zeer toejuichen) om door optimalisatie van de indeling van het pand 2 kamers toe te voegen. Nu zouden wij dus de vorig jaar afgegeven kamervergunning graag ‘uitbreiden’ van 8 bewoners naar 10 bewoners. Is dit mogelijk op deze bestaande vergunning? (…)"
Mevrouw Feber-van den Berg is als jurist werkzaam bij de afdeling Vergunningverlening van de gemeente Rotterdam en was verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag van EDS.
In de e-mail afkomstig van [persoon] van 17 februari 2021 staat het volgende:
"(…) Uitbreiding van het aantal studenten waarvoor de vergunning is verleend binnen de bestaande woning is mogelijk, indien de ruimte dit toelaat. Er moet wel weer opnieuw een vergunning aangevraagd worden. (…)"
EDS Rotterdam beroept zich verder op de volgende informatie die tussen 1 februari 2021 tot 1 juni 2021 op de website van de gemeente stond:
"Vraag: Ik heb een vergunning voor kamerbewoning. Ik wil het aantal bewoners wijzigen. Kan dat? Als u voor een woning een vergunning voor kamerbewoning heeft, dan is daarin aangegeven hoeveel personen op basis van de vergunning in de betreffende woning mogen wonen. Als u minder mensen wil laten wonen in de woning, hoeft u de vergunning niet aan te laten passen. Als u meer mensen in de woning wil laten wonen, moet u daar toestemming voor vragen door de vergunning aan te laten passen op dit aantal personen. Daartoe dient u een vergunning aan te vragen op dezelfde manier als dat u een nieuwe vergunning aan zou vragen voor dit adres. Deze vergunningaanvraag zal ook getoetst worden aan dezelfde criteria (zoals de vereist grootte van de woning en het feit dat de bewoners student zijn), behalve de ligging in een nul quotumgebied of de ligging binnen 50 meter afstand van een woning waarvoor al een vergunning voor kamer bewoning is verstrekt."
Daarnaast heeft EDS Rotterdam een beroep gedaan op een e-mail van 19 mei 2021 afkomstig van [persoon] aan EDS Rotterdam, waarin het volgende staat:
"Ik heb de concept vergunning naar [persoon] gestuurd. Dus binnenkort kunt u de vergunning verwachten".
Volgens EDS Rotterdam kon zij uit de informatie op de website en de e-mails van 17 februari 2021 en 19 mei 2021, in onderlinge samenhang bezien, het vertrouwen ontlenen dat vergunning zou worden verleend.
2.6. In de e-mail van 17 februari 2021 staat dat uitbreiding van het aantal studenten waarvoor de vergunning is verleend mogelijk is, indien de ruimte dit toelaat. Gegeven de context waarin de e-mail is geschreven, namelijk naar aanleiding van een concrete vraag van EDS Rotterdam, is deze e-mail toegesneden op de situatie van EDS Rotterdam. Deze e-mail, gelezen in samenhang met de informatie op de website van de gemeente en de e-mail van 19 mei 2021, bevat daarom een toezegging waaruit EDS Rotterdam redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat, indien gevraagd, aan EDS vergunning zou worden verleend voor uitbreiding van kamerbewoning van acht naar tien studenten en dat het college haar de criteria d en f van artikel 3.2.5 van de Huisvestingsverordening niet zou tegenwerpen. Deze toezegging kan aan het college worden toegerekend. Uit de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 volgt dat een medewerker van de afdeling vergunningverlening of de afdeling handhaving, een toezegging kan doen over een onderwerp dat zijn werkgebied betreft, die aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. De toezegging van [persoon] voldoet hieraan. Zij is als jurist werkzaam bij de afdeling Vergunningverlening en actief betrokken geweest bij de besluitvormingsprocedure. EDS Rotterdam mocht, gelet op het voorgaande, de gerechtvaardigde verwachting hebben dat het college de vergunning zou verlenen. Dit is ook gebeurd bij besluit van 20 mei 2021. Het betoog van EDS Rotterdam is daarom terecht voorgedragen, maar leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
2.7. De Afdeling concludeert dan ook, anders dan de rechtbank en met het college, dat EDS in dit geval de gerechtvaardigde verwachting mocht hebben dat het college een door haar in te dienen aanvraag voor een vergunning voor uitbreiding van kamerbewoning in het pand [locatie] in beginsel zou honoreren.
2.8. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent echter niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Andere belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen zwaarder wegen. De afweging van deze belangen vindt plaats in het eerste onderdeel van de zogenoemde derde stap.
2.9. Het college heeft in zijn besluit van 2 november 2021 als volgt invulling gegeven aan dit onderdeel van de derde stap. Het college stelt voorop dat het belang van EDS Rotterdam zwaar weegt, omdat aan haar een toezegging is gedaan. Het college heeft vervolgens beoordeeld of er andere zwaarwegende belangen zijn die aan de vergunningverlening in de weg staan. Volgens het college weegt het algemeen belang in de zin van naleving van de regels, zoals neergelegd in artikel 3.2.5 van de Huisvestingsverordening, eveneens zwaar en is het invoeren van een nul-quotumgebied een vergaande maatregel. Deze kan volgens het college niet zomaar terzijde worden geschoven. Het algemeen belang hoeft echter niet doorslaggevend te zijn. Volgens het college is van belang of er in deze zaak concrete bedreigde belangen van enige betekenis kunnen worden aangewezen. Overlast kan een dergelijk belang zijn. Niet is gebleken dat sprake is van overlast door de kamerbewoners op dit adres. EDS Rotterdam beschikt al over een onherroepelijke vergunning voor acht bewoners. Volgens het college is niet gebleken van een gerede verwachting dat door de toename met twee bewoners alsnog overlast gaat ontstaan. Op de zitting heeft het college verklaard dat ook meegewogen is dat EDS Rotterdam na vergunningverlening verbouwingskosten heeft gemaakt. De belangenafweging moet volgens het college, gelet op genoemde redenen, in het voordeel van EDS Rotterdam uitvallen. De Afdeling overweegt daarover het volgende.
2.10. Vast staat in dit geval dat het honoreren van het bij EDS opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen in strijd is met artikel 3.2.5 van de Huisvestingsverordening. In dit artikel zijn de criteria neergelegd voor verlening van een vergunning voor kamerbewoning. Voor zover hier van belang is in artikel 3.2.5, aanhef en onder f van de Huisvestingsverordening bepaald dat het college een vergunning verleent, indien wordt voldaan aan het criterium dat de woonruimte niet is gelegen in één van de gebieden die genoemd zijn in bijlage 5. In deze bijlage zijn de gebieden binnen de gemeente Rotterdam aangewezen als "gebieden waar geen vergunning voor kamerbewoning afgegeven wordt". De gebieden waarin de Lusthofstraat is gelegen, te weten Kralingen West en Kralingen Oost, zijn in deze bijlage opgenomen. De gemeenteraad heeft in de Huisvestingverordening geen enkele ruimte aan het college geboden om, in afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.5, toch een vergunning voor kamerbewoning binnen deze gebieden te verlenen. De Huisvestingsverordening biedt dus, met het oog op de bescherming van de belangen zoals in paragraaf 3.2. van de Huisvestingsverordening verwoord, geen enkele ruimte aan het college om een vergunning voor kamerbewoning te verlenen voor het pand aan de [locatie] in Rotterdam.
2.11. De Afdeling heeft in de uitspraak van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:807 (overweging 16.2) overwogen dat het honoreren van opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen waardoor strijd ontstaat met een wettelijk voorschrift alleen dan aanvaardbaar is als het buiten toepassing laten van het wettelijk voorschrift niet leidt tot aantasting van (mede) door dat voorschrift beschermde belangen van derden of van zwaarder wegende algemene belangen.
2.12. Het college heeft miskend dat deze uitzonderlijke situatie zich in deze zaak niet voordoet en dat het daarom, mede gelet op het rechtszekerheidsbeginsel, niet aanvaardbaar is de gevraagde vergunning te verlenen wegens opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen. Hier doet zich namelijk niet de situatie voor dat het buiten toepassing laten van artikel 3.5.2, aanhef en onder f van de Huisvestingsverordening niet leidt tot aantasting van (mede) door dat voorschrift beschermde belangen van derden of van zwaarder wegende algemene belangen. De voorschriften in paragraaf 3.2. van de Huisvestingsverordening ("Vergunning voor kamerbewoning"), waaronder artikel 3.2.5, strekken, mede blijkens de tekst van en de toelichting bij deze verordening, tot bescherming tegen aantasting van het woonmilieu en van de leefbaarheid van de buurt waarin de woning is gelegen. Daarmee heeft de gemeenteraad beoogd het woonmilieu en de leefbaarheid van de buurt waarin (onder meer) de woning [locatie] in Rotterdam is gelegen te beschermen tegen aantasting daarvan door elke vergunningplichtige uitbreiding van kamerbewoning in dit gebied. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college op de zitting heeft erkend dat het buiten toepassing laten van art. 3.2.5 van de Verordening in zijn algemeenheid kan leiden tot aantasting van (mede) door dat voorschrift beschermde belangen. Verder neemt de Afdeling daarbij in aanmerking dat [appellant] zowel in de besluitvormingsfase als in beroep en hoger beroep gemotiveerd uiteen heeft gezet dat uitbreiding van de mogelijkheid tot kamerbewoning in dit gebied negatieve invloed kan hebben op het woon- en leefklimaat in haar buurt.
2.13. Het college had het bezwaar van [appellant] daarom gegrond moeten verklaren en het besluit van 20 mei 2021, dat strekte tot vergunningverlening aan EDS, moeten herroepen. In zoverre is de rechtbank in de aangevallen uitspraak tot het juiste oordeel gekomen. De rechtbank is daarom niet toegekomen aan de beantwoording van de vraag, of en zo ja in hoeverre, in dit geval waarin andere belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen, voor het college de verplichting is ontstaan om eventuele door EDS als gevolg van het gewekte vertrouwen geleden schade te vergoeden als onderdeel van de besluitvorming (het zogenoemde tweede onderdeel van de derde stap). De rechtbank concludeerde namelijk, anders dan de Afdeling in deze uitspraak, dat het college geen gerechtvaardigd vertrouwen bij EDS Rotterdam had gewekt. Het college is ook niet aan beantwoording van deze vraag toegekomen, omdat het college de gerechtvaardigde verwachtingen heeft gehonoreerd door, in strijd met de huisvestingsverordening, de door EDS gevraagde vergunning te verlenen. Nu het college deze vraag niet heeft beantwoord, is het besluit van 2 november 2021 in strijd met artikelen 3:2 en 3:4, eerste lid, van de Awb en komt het ook om die reden voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft de besluiten van 2 november 2021 en 20 mei 2021 daarom terecht, zij het niet op geheel juiste gronden, vernietigd en herroepen. Het college moet, met inachtneming van het oordeel van de Afdeling, een nieuw besluit op het door [appellant] gemaakte bezwaar nemen, waarbij het college alsnog de vraag beantwoordt, of en zo ja in hoeverre voor het college de verplichting is ontstaan om, gegeven de herroeping van het besluit van 20 mei 2021, eventuele door EDS Rotterdam als gevolg van het gewekte vertrouwen geleden schade te vergoeden als onderdeel van de besluitvorming. Het ligt in de rede dat het college ter voorbereiding van dat besluit EDS Rotterdam hoort over het schadeaspect.
Incidenteel hoger beroep van [appellant]
3. [appellant] betoogt dat het college de vergunning ten onrechte heeft verleend. De kamerbewoning heeft volgens [appellant] namelijk geen positieve invloed op het woon- en leefmilieu. Verder hebben de kamers niet een verblijfsgebied van 18 m².
3.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] geen procesbelang meer bij een inhoudelijk oordeel over haar incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft haar bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 20 mei 2021 herroepen. De Afdeling verklaart in deze uitspraak het daartegen door EDS Rotterdam ingestelde hoger beroep ongegrond. Gelet hierop is het door [appellant] beoogde doel al bereikt.
Conclusie
4. Het hoger beroep van EDS Rotterdam is ongegrond. Het door [appellant] ingestelde incidenteel hoger beroep is wegens het ontbreken van procesbelang niet ontvankelijk. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 2 november 2021. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.
5. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van EDS Rotterdam ongegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant] niet ontvankelijk;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 december 2023 in zaak nr. ROT 21/5725, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 2 november 2021;
IV. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
V. draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak, met inachtneming van wat daarin is overwogen, een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
w.g. Yildiz
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
594