ECLI:NL:RVS:2026:1237

ECLI:NL:RVS:2026:1237

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer 202406398/3/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 16 mei 2024 heeft de burgemeester van Berg en Dal en aanvraag van MFE voor een vergunning op grond van de Alcoholwet geweigerd. MFE exploiteert het horecabedrijf ‘Bistro Le Steak’ aan de Zevenheuvelenweg 81 in Berg en Dal. MFE heeft een aanvraag voor een vergunning op grond van artikel 3 van de Alcoholwet ingediend. De burgemeester heeft deze vergunning op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de Alcoholwet geweigerd, omdat de leidinggevende [leidinggevende], enig aandeelhouder en bestuurder van MFE, volgens de burgemeester niet voldoet aan de eis dat leidinggevenden van een horecabedrijf niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Alcoholwet. Daarbij heeft de burgemeester MFE gelast het horecabedrijf te sluiten en gesloten te houden. MFE betoogt dat op 24 januari 2023 per e-mail een formulier is verzonden naar de gemeente. Daarin staat volgens MFE vermeld dat [persoon] leidinggevende is van het horecabedrijf Bistro Le Steak. Uit de bijgevoegde arbeidsovereenkomst blijkt dat hij daar 34 uur per week werkzaam is. Dat betekent volgens MFE dat hij altijd tijdens de openingstijden van het horecabedrijf aanwezig is.

Uitspraak

202406398/3/A3.

Datum uitspraak: 4 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

MFE B.V., gevestigd in Mill, gemeente Land en Cuijk,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 16 oktober 2024 in zaak nrs. 24/6816 en 24/6791 in het geding tussen:

MFE

en

de burgemeester van Berg en Dal.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2024 heeft de burgemeester een aanvraag van MFE voor een vergunning op grond van de Alcoholwet geweigerd.

Bij besluit van 25 september 2024 heeft de burgemeester het door MFE daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 oktober 2024 heeft de rechtbank het door MFE daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft MFE hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 oktober 2025, waar MFE, vertegenwoordigd door [leidinggevende], en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. H.C. Bos, D.G. van Dreumel en mr. A.G.M. van Swam, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. MFE exploiteert het horecabedrijf ‘Bistro Le Steak’ aan de Zevenheuvelenweg 81 in Berg en Dal. MFE heeft een aanvraag voor een vergunning op grond van artikel 3 van de Alcoholwet ingediend. De burgemeester heeft deze vergunning op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de Alcoholwet geweigerd, omdat de leidinggevende [leidinggevende], enig aandeelhouder en bestuurder van MFE, volgens de burgemeester niet voldoet aan de eis dat leidinggevenden van een horecabedrijf niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Alcoholwet. Daarbij heeft de burgemeester MFE gelast het horecabedrijf te sluiten en gesloten te houden. De burgemeester heeft aan dit besluit de volgende feiten ten grondslag gelegd:

- [leidinggevende] is in oktober 2022 gestart met het exploiteren van een horecabedrijf zonder een daartoe strekkende vergunning op grond van artikel 3 van de Alcoholwet.

- De gemeente Berg en Dal heeft op 29 februari 2024 aangifte van valsheid in geschrifte door [leidinggevende] gedaan. In het Bibob-vragenformulier is gevraagd of hij in de afgelopen vijf jaar is veroordeeld, een schikking is aangegaan met het OM, als verdachte is aangemerkt of een bestuurlijke/fiscale boete heeft gekregen. Volgens de gemeente heeft [leidinggevende], door deze vraag ontkennend te beantwoorden, valsheid in geschrifte gepleegd.

- Op 1 februari 2023 is sprake geweest van een ruzie/twist zonder gevolg op het adres van het horecabedrijf. De politierapportage vermeldt dat [leidinggevende] beschonken was.

- [leidinggevende] heeft in 2021 in Duitsland een voertuig bestuurd onder invloed van alcohol of verdovende middelen. Hij is veroordeeld tot een geldboete van € 450,- en zijn rijbewijs is ingetrokken.

- [leidinggevende] werd verdacht van bedreiging van een tweetal ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) op 6 februari 2020. Er is sprake van een sepot. De sepotgrond is omschreven als ‘ander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert’.

- In 2016 is [leidinggevende] veroordeeld voor het besturen van een voertuig in Duitsland zonder rijbewijs of zonder bevoegdheid dat te doen. Hij is veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 1.200,-.

- [leidinggevende] wordt verdacht van het rijden onder invloed met een personenauto/motor op 6 oktober 2010 in Dordrecht. Hij is voor dit misdrijf gedagvaard.

Wettelijk kader

2. De relevante wettelijke bepalingen staan in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Uitspraak rechtbank

3. De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat de burgemeester de veroordeling van [leidinggevende] in 2016 voor het besturen van een voertuig in Duitsland zonder rijbewijs of zonder bevoegdheid dat te doen, niet ten grondslag aan het besluit heeft kunnen leggen, omdat dit feit geen direct verband houdt met de exploitatie van een horecabedrijf en daarom niet relevant is. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat, gelet op de overige gedragingen van [leidinggevende] en in onderlinge samenhang bezien, de burgemeester desondanks redelijkerwijs tot de conclusie heeft kunnen komen dat [leidinggevende] niet voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat sprake is van een bepaald gedragspatroon van het niet naleven van regels waardoor de vrees gerechtvaardigd is dat het verlenen van een vergunning op grond van de Alcoholwet een bedreiging vormt voor de openbare orde, de veiligheid en het woon- en leefklimaat in de omgeving. Het gaat daarbij onder andere om het exploiteren van een horecabedrijf zonder vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet, alcohol gerelateerde incidenten, het onjuist invullen van het Bibob-vragenformulier en bedreiging.

3.1. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de burgemeester de bedreiging van [leidinggevende] bij de beoordeling van het levensgedrag heeft kunnen betrekken, omdat het bedreigen van ambtenaren een gedraging is die relevant is voor de exploitatie van een horecabedrijf. MFE zou volgens de rechtbank namelijk in de hoedanigheid als vergunninghouder met enige regelmaat te maken krijgen met ambtenaren. De rechtbank kan MFE niet volgen in haar betoog dat de bedreiging nooit heeft plaatsgevonden. Uit het door de burgemeester overgelegde informatierapport blijkt volgens de rechtbank duidelijk wat de gang van zaken is geweest en de reden waarom de ambtenaren zelf geen aangifte hebben gedaan. Gelet op de aard en ernst van het feit, had het voor MFE kenbaar kunnen zijn dat de burgemeester veel belang aan dit feit hecht. De burgemeester heeft dit feit aan het besluit ten grondslag kunnen leggen, omdat sprake is van een voorwaardelijk sepot en geen bewijssepot, aldus de rechtbank.

3.2. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het aannemelijk is dat [leidinggevende] valsheid in geschrifte heeft gepleegd en de burgemeester dit aan het besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. MFE heeft namelijk op het Bibob-vragenformulier ingevuld dat [leidinggevende] geen bestuurlijke of fiscale boetes heeft gekregen de afgelopen vijf jaar. Maar aan [leidinggevende] zijn de afgelopen vijf jaar verschillende boetes opgelegd. Hierdoor is het vermoeden gerezen dat de aanvraag valselijk is opgemaakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat MFE had kunnen weten dat het van belang is om het Bibob-vragenformulier volledig en naar waarheid in te vullen voor het verkrijgen van de vergunning op grond van de Alcoholwet, omdat de burgemeester op de juiste gronden moet kunnen beslissen of de aangevraagde vergunning kan worden verleend. De burgemeester heeft dit feit daarom bij de beoordeling van het levensgedrag kunnen betrekken.

Hoger beroep

Andere leidinggevende werkzaam in horecabedrijf

4. MFE betoogt dat op 24 januari 2023 per e-mail een formulier is verzonden naar de gemeente. Daarin staat volgens MFE vermeld dat [persoon] leidinggevende is van het horecabedrijf Bistro Le Steak. Uit de bijgevoegde arbeidsovereenkomst blijkt dat hij daar 34 uur per week werkzaam is. Dat betekent volgens MFE dat hij altijd tijdens de openingstijden van het horecabedrijf aanwezig is.

4.1. De Afdeling begrijpt het betoog zo dat de burgemeester de aanvraag van MFE van een vergunning op grond van artikel 3 van de Alcoholwet had moeten toewijzen, omdat zij bij haar aanvraag een leidinggevende heeft opgegeven die aan de eisen voldoet. Op de zitting heeft de burgemeester toegelicht dat hij aan de weigering van de aanvraag van MFE alleen ten grondslag heeft gelegd dat [leidinggevende] als enig bestuurder en aandeelhouder van MFE niet voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn. De burgemeester heeft ook toegelicht dat hij het feit dat de door MFE bij de aanvraag opgegeven leidinggevende [persoon] volgens hem niet is ingeschreven in het Register sociale hygiëne, niet bij de beoordeling van de aanvraag van MFE heeft betrokken. MFE betoogt dat [persoon] wel materieel aan de eisen voldoet om als leidinggevende in het horecabedrijf van MFE te mogen optreden. De Afdeling is van oordeel dat dit, wat daar verder ook van zij, niet relevant is voor de beoordeling van het hoger beroep omdat de burgemeester dit niet bij de beoordeling van de aanvraag van MFE van een vergunning op grond van artikel 3 van de Alcoholwet hoefde te betrekken.

Het betoog slaagt niet.

Levensgedrag

5. MFE betoogt dat een rechter bepaalt of iemand schuldig is en een straf of boete kan opleggen. MFE geeft aan niet te begrijpen waarom een burgemeester een straf kan opleggen die financieel veel grotere consequenties voor haar heeft dan een straf die een rechter kan opleggen. Op het strafblad van [leidinggevende] staan volgens MFE bovendien een aantal zaken genoemd waarbij een sepot of geldboete staat. MFE geeft verder aan bij twee punten op het strafblad van [leidinggevende] bedenkingen te hebben.

5.1. MFE betoogt dat de feiten uit de processen-verbaal, die in een advies van het Landelijk Bureau Bibob zijn opgenomen over de bedreiging van de ambtenaren van de NVWA op 6 februari 2020, niet overeenstemmen met de werkelijke gebeurtenis. MFE voert hiervoor aan dat de aangifte niet is gedaan door de ambtenaren zelf, maar door een teamleider van de NVWA. Verder zijn een getuige pas vier maanden en [leidinggevende] pas zeven maanden na de gebeurtenis verhoord. In de stukken staan volgens MFE tegenstrijdigheden over de asbak en de rookgeur. Tot slot betoogt MFE over de bedreiging dat de zaak is geseponeerd en dat er daarom van uit kan worden gegaan dat er onterecht aangifte tegen [leidinggevende] is gedaan.

5.2. MFE betoogt verder dat [leidinggevende] geen valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Volgens haar heeft een horecabedrijf van [leidinggevende] in Nijmegen een boete gekregen van de Omgevingsdienst Regio Nijmegen van € 500,- en heeft [leidinggevende] deze boete over het hoofd gezien. MFE heeft op de zitting nog aangevoerd dat zij de vraag op het Bibob-vragenformulier ontkennend heeft kunnen beantwoorden, omdat de bedreiging is geseponeerd.

5.3. Tot slot verzoekt MFE om vergoeding van de schade voor de periode dat het horecabedrijf onterecht gesloten is geweest.

6. De Afdeling stelt voorop dat het vereiste van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Alcoholwet dat een leidinggevende niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is, ertoe strekt het belang van de veiligheid, de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf te waarborgen. Het gaat daarbij om eerder getoond gedrag dat in het licht van deze motieven niet past bij de verantwoordelijkheid die op een leidinggevende van een horecabedrijf rust. De burgemeester komt beoordelingsruimte toe bij de invulling van deze eis (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1493). De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester aannemelijk heeft gemaakt dat er, gelet op de verschillende gedragingen en in onderlinge samenhang bezien, sprake is van een bepaald gedragspatroon bij [leidinggevende] over langere tijd van niet naleven van regels waardoor de vrees gerechtvaardigd is dat het verlenen van een vergunning op grond van de Alcoholwet aan MFE een bedreiging vormt voor deze belangen. Verder kan de Afdeling zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester de bedreiging en de valsheid in geschrifte redelijkerwijs hieraan ten grondslag heeft kunnen leggen.

6.1. Ten aanzien van de bedreiging van de ambtenaren van de NVWA heeft MFE naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de aan haar tegengeworpen gedragingen zoals geschetst in de processen-verbaal afkomstig uit het advies van het Landelijk Bureau Bibob zich niet op de daarin beschreven wijze hebben voorgedaan. De feiten in de processen-verbaal komen bovendien overeen met het informatierapport dat de burgemeester aan het besluit ten grondslag heeft gelegd. De Afdeling volgt de rechtbank in haar oordeel dat in dit informatierapport de gang van zaken is omschreven en de reden waarom de ambtenaren zelf geen aangifte hebben gedaan. De Afdeling kan MFE ook niet volgen in haar betoog dat het feit dat de zaak geseponeerd is, betekent dat de aangifte tegen [leidinggevende] onterecht is gedaan. Anders dan MFE betoogt, doet het feit dat de strafzaak tegen [leidinggevende] is geseponeerd er in dit geval niet aan af dat de burgemeester het aannemelijk heeft kunnen achten dat hij de ambtenaren heeft bedreigd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2826). De Afdeling kan zich ook vinden in het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester dit feit heeft kunnen meewegen bij de beoordeling van het levensgedrag van [leidinggevende], omdat geen sprake is van een bewijssepot. Maar de Afdeling komt wel tot de conclusie dat het geen voorwaardelijk sepot maar een beleidssepot betrof. Dit verandert niets aan het oordeel dat de burgemeester de bedreiging aannemelijk heeft kunnen achten.

6.2. Tot slot is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat [leidinggevende] valsheid in geschrifte heeft gepleegd en de burgemeester dit aan het besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Anders dan MFE betoogt, heeft de burgemeester het niet opgeven van de vermeende boete van de Omgevingsdienst Regio Nijmegen aan een ander horecabedrijf van [leidinggevende] niet betrokken bij het oordeel dat sprake is van een vermoeden van valsheid in geschrifte. Verder heeft de burgemeester op de zitting toegelicht dat de valsheid in geschrifte niet alleen op de bedreiging maar ook op de andere feiten is gebaseerd.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Dat betekent dat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit en er dus geen grond is voor het toekennen van schadevergoeding.

8. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.

w.g. Wissels

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Bossmann

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026

314-1171

BIJLAGE

Wettelijk kader

Alcoholwet

Artikel 3

1. Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

[…].

Artikel 8

1. Leidinggevenden van het horecabedrijf en het slijtersbedrijf voldoen aan de volgende eisen:

[…]

b. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

[…]

3. Leidinggevenden beschikken tevens over voldoende kennis en inzicht met betrekking tot sociale hygiëne en zijn ingeschreven in het Register sociale hygiëne, genoemd in artikel 11c.

[…].

Artikel 27

1. Een vergunning wordt geweigerd indien:

a. niet wordt voldaan aan de ingevolge da artikelen 8 tot en met 10 gestelde eisen;

[…].

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. I.W.M.J. Bossmann

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?