ECLI:NL:RVS:2026:1239

ECLI:NL:RVS:2026:1239

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer 202304316/3/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 8 juni 2023 heeft de raad van de gemeente Ridderkerk het bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" gewijzigd vastgesteld. Deze zaak gaat over de besluiten tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk". Tot het plangebied van het bestemmingsplan behoort het perceel aan de [locatie]. [appellant] is eigenaar van dit perceel. Op het perceel staan een voormalige bedrijfswoning en een schuur met carport. [appellant] is het niet eens met de planregeling die voor zijn perceel is vastgesteld in het bestemmingsplan. Hij wil graag zijn perceel splitsen in twee kavels en de bestaande schuur verbouwen tot een woning, maar dit is in het bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. [appellant] is het niet eens met de redenen waarom de raad hieraan niet wil meewerken. Ook is hij het er niet mee eens dat het bouwvlak ter plaatse van zijn bestaande schuur is komen te vervallen. In het bij besluit van 20 november 2025 vastgestelde bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" is volgens [appellant] zijn initiatief ook ten onrechte niet mogelijk gemaakt.

Uitspraak

202304316/3/R3.

Datum uitspraak: 4 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Ridderkerk,

appellant,

en

de raad van de gemeente Ridderkerk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" gewijzigd vastgesteld.

Bij tussenuitspraak van 7 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3217, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 13 weken na de verzending van deze tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 8 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" te herstellen.

Bij besluit van 21 oktober 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" opnieuw en gewijzigd vastgesteld.

Bij tussenuitspraak van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4224, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 12 weken na de verzending van deze tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 21 oktober 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" te herstellen.

Bij besluit van 20 november 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" opnieuw en gewijzigd vastgesteld.

[appellant] is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop het gebrek is hersteld. [appellant] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Zoals in de hiervoor genoemde tussenuitspraken is overwogen, blijft op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.

Inleiding

2. Deze zaak gaat over de besluiten tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk". Tot het plangebied van het bestemmingsplan behoort het perceel aan de [locatie]. [appellant] is eigenaar van dit perceel. Op het perceel staan een voormalige bedrijfswoning en een schuur met carport.

[appellant] is het niet eens met de planregeling die voor zijn perceel is vastgesteld in het bestemmingsplan. Hij wil graag zijn perceel splitsen in twee kavels en de bestaande schuur verbouwen tot een woning, maar dit is in het bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. [appellant] is het niet eens met de redenen waarom de raad hieraan niet wil meewerken. Ook is hij het er niet mee eens dat het bouwvlak ter plaatse van zijn bestaande schuur is komen te vervallen. In het bij besluit van 20 november 2025 vastgestelde bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" is volgens [appellant] zijn initiatief ook ten onrechte niet mogelijk gemaakt.

Het oordeel van de Afdeling

3. Het beroep gericht tegen het besluit van 8 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" is gegrond. Gelet op de tussenuitspraak van 7 augustus 2024 moet dit besluit worden vernietigd voor zover dat gaat over het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie] in Ridderkerk.

3.1. Het van rechtswege ontstane beroep gericht tegen het besluit van 21 oktober 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" is ook gegrond.

Gelet op de tussenuitspraak van 3 september 2025 moet dit besluit worden vernietigd voor zover dat gaat over het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie] in Ridderkerk.

3.2. Het van rechtswege ontstane beroep gericht tegen het besluit van 20 november 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" is ongegrond. In de zienswijze van [appellant] over het besluit van 20 november 2025 ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet aan de opdracht in de tussenuitspraak van 3 september 2025 heeft voldaan.

3.3. De Afdeling licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel komt.

De tussenuitspraak van 7 augustus 2024 en conclusie over het besluit van 8 juni 2023

4. In de tussenuitspraak van 7 augustus 2024 heeft de Afdeling onder 7.4 geoordeeld dat met de reactie in de Nota zienswijzen de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen medewerking wenst te verlenen aan het concrete initiatief van [appellant] en waarom dit initiatief ruimtelijk niet aanvaardbaar is. De raad heeft het bestemmingsplan als het gaat om het concrete initiatief van [appellant] daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De Afdeling heeft de raad in deze tussenuitspraak opgedragen dit gebrek te herstellen.

4.1. Gelet op wat in de tussenuitspraak van 7 augustus 2024 is overwogen, is het beroep van [appellant] gericht tegen het besluit van 8 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" gegrond. Dit besluit moet vanwege strijd met de artikelen 3:46 en 3:2 van de Awb worden vernietigd voor zover dat gaat over het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie] in Ridderkerk.

De tussenuitspraak van 3 september 2025 en conclusie over het besluit van 21 oktober 2024

5. In de tussenuitspraak van 3 september 2025 heeft de Afdeling onder 8.3 overwogen dat de bestaande schuur op het perceel aan de [locatie] niet langer als zodanig is bestemd. Omdat de raad dit niet heeft bedoeld, is het besluit van 21 oktober 2024 in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Over het initiatief van [appellant] om het perceel op te splitsen en deze schuur tot woning te verbouwen heeft de Afdeling in de tussenuitspraak van 3 september 2025 geconcludeerd dat de raad de weigering om dit initiatief mogelijk te maken in het bestemmingsplan vanwege de te behouden cultuurhistorische waarden, deugdelijk heeft gemotiveerd. De Afdeling heeft daarom afgezien van een inhoudelijke bespreking van de andere redenen die de raad ook aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd waarom de raad niet wil meewerken aan het planologisch mogelijk maken van het initiatief van [appellant]. Over de betogen van [appellant] over de belangenafweging en het gelijkheidsbeginsel heeft de Afdeling in de tussenuitspraak overwogen dat die niet slagen.

De Afdeling heeft de raad in deze tussenuitspraak opgedragen het gebrek als het gaat om het niet als zodanig bestemmen van de bestaande schuur op het perceel [locatie] te herstellen.

5.1. Gelet op wat in de tussenuitspraak van 3 september 2025 is overwogen, is het beroep van rechtswege van [appellant] gericht tegen het besluit van 21 oktober 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" gegrond. Dit besluit moet vanwege strijd met artikel 3:2 van de Awb worden vernietigd voor zover dat gaat over het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie] in Ridderkerk.

Het besluit van 20 november 2025 en het beroep van rechtswege

6. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 3 september 2025 heeft de raad bij zijn besluit van 20 november 2025 de planregeling voor het perceel [locatie] aangepast en in de Nota zienswijzen, in de reactie op zienswijze 4, die aanpassing gemotiveerd. In de Nota zienswijzen staat onder andere dat de verleende vergunning, die is doorvertaald in het bestemmingsplan, is gehandhaafd. Dat betekent dat aan de [locatie] een woonbestemming is opgenomen met hetzelfde bouwvlak als de in het ontwerpbestemmingsplan nog opgenomen bedrijfswoning. Het bouwvlak voor de schuur is komen te vervallen waarvoor in de plaats een bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding-2’ is opgenomen, die inhoudt dat de schuur wordt aangemerkt als bijgebouw. Volgens de Nota zienswijzen is ter plaatse geen hoofdgebouw toegestaan, maar wel een bestaand bouwwerk ten behoeve van de woning. Aangezien de schuur vanwege zijn omvang niet als ondergeschikt bijgebouw is aan te merken, verduidelijkt de bouwaanduiding dat op deze plek een bijgebouw mag staan dat in bouwvolume niet ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, zo staat in de Nota zienswijzen.

7. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb tegen het besluit van 20 november 2025 een beroep van rechtswege is ontstaan voor [appellant].

Zienswijze over het besluit van 20 november 2025

8. [appellant] wijst erop dat de raad het bouwvlak ter plaatse van zijn schuur heeft omgezet naar een bouwaanduiding. [appellant] voert aan niet te kunnen overzien wat de voor hem nadelige gevolgen hiervan zijn, maar dat het hierdoor in ieder geval niet mogelijk is om zijn concrete initiatief te realiseren. Hij wil graag zijn perceel splitsen en de schuur verbouwen tot een woning. Hij voert aan dat zijn initiatief is afgewezen op basis van een motivering die niet overtuigt en voor hem onbegrijpelijk blijft. Ter onderbouwing verwijst hij naar het woordelijk verslag van de vergadering van de raad van 20 november 2025. Hij verzoekt de Afdeling om de raad op te dragen het bouwvlak van de schuur niet te laten vervallen, medewerking te verlenen aan zijn verzoek tot opsplitsing van het perceel en om medewerking te verlenen aan het verstrekken van een bouwvergunning voor het aanpassen van de huidige tuindersschuur tot een woonverblijf/woning.

8.1. De Afdeling kan niet voldoen aan dit verzoek van [appellant]. Zoals hiervoor onder 5 vermeld, heeft de Afdeling in de tussenuitspraak van 3 september 2025 immers overwogen dat de raad de weigering om het initiatief van [appellant] mogelijk te maken in het bestemmingsplan vanwege de te behouden cultuurhistorische waarden deugdelijk heeft gemotiveerd. Uit het door [appellant] overgelegde verslag van de raadsvergadering over het besluit van 20 november 2025 blijkt dat er weliswaar raadsleden zijn die positief staan tegenover het concrete initiatief van [appellant], maar de raad heeft uiteindelijk met meerderheid van stemmen het besluit van 20 november 2025, dat in de weg staat aan realisatie van het initiatief, vastgesteld.

Voor zover het betoog van [appellant] zo moet worden opgevat dat hij zich keert tegen overwegingen van de tussenuitspraak van 3 september 2025, overweegt de Afdeling dat zij behalve in uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde.

De vraag die nu voorligt is of de raad met zijn besluit van 20 november 2025 heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak van 3 september 2025 over het niet als zodanig bestemmen van de bestaande schuur. De Afdeling beoordeelt dit aan de hand van wat [appellant] in zijn zienswijze over dit besluit op dat punt naar voren heeft gebracht.

8.2. De Afdeling overweegt dat blijkens de verbeelding van het bij besluit van 20 november 2025 vastgestelde bestemmingsplan aan het perceel [locatie] ter plaatse van de bestaande schuur een bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding-2’ is toegekend. Aan artikel 20.1 van de planregels is onderdeel p toegevoegd. Artikel 20.1 van de planregels, voor zover relevant, luidt daarmee als volgt:

"De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het wonen al dan niet met aan-huis-gebonden beroepen en aan-huis-gebonden bedrijven;

[…]

p. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2': tevens een bestaand bouwwerk ten behoeve van de woning."

Verder is aan artikel 20.2.2. van de planregels onderdeel j toegevoegd. Dit artikel luidt daarmee, voor zover relevant, als volgt:

"[…]

j. in afwijking van het bepaalde in artikel 1.19, geldt dat het bestaande bouwwerk ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' wordt aangemerkt als bijgebouw, ondanks dat het bouwvolume niet ondergeschikt is."

8.3. Uit de Nota zienswijzen maakt de Afdeling op dat de raad met die aanpassingen in de planregels de bestaande schuur als zodanig heeft bestemd door de schuur als bijgebouw aan te merken, waarvoor de afmetingen van de bestaande schuur als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden. In de Nota zienswijzen staat dat de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - 2’ wenselijk is, omdat het gebouw in bouwvolume niet als ondergeschikt bijgebouw is aan te merken ten opzichte van de woning. Volgens de Nota zienswijzen wordt daarmee afgeweken van de definitie van bijgebouw in artikel 1.19 van de planregels. In overeenstemming met artikel 31 van de planregels is volgens de Nota zienswijzen ter plaatse van deze aanduiding een bouwwerk ter grootte van het bestaande bouwwerk toegestaan.

In wat [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad daarmee niet heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie over het besluit van 20 november 2025

9. Gelet op het voorgaande is het beroep van rechtswege tegen het besluit van 20 november 2025 ongegrond. Dit betekent dat het bij besluit van 20 november 2025 vastgestelde bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" in stand blijft.

Proceskosten

10. De raad moet de proceskosten vergoeden. [appellant] heeft op de zitting van 22 juli 2024 een proceskostenformulier overgelegd. Daarop heeft hij aangegeven kosten te hebben gemaakt voor rechtsbijstand die een derde beroepsmatig heeft verleend. Maar niet is gebleken van dergelijke kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. De Afdeling stelt vast dat het beroepschrift en de zienswijzen door [appellant] persoonlijk zijn ingediend. Ook op de zitting werd [appellant] niet vertegenwoordigd of bijgestaan door een beroepsmatige rechtsbijstandverlener. Deze gevraagde kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. [appellant] heeft ook gevraagd om de reiskosten voor het bijwonen van de zitting te vergoeden. Deze kosten komen wel voor vergoeding in aanmerking, zowel voor het bijwonen van de zitting van 22 juli 2024 als voor het bijwonen van de zitting op 29 april 2025.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Ridderkerk van 8 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Ridderkerk van 8 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" voor zover dat gaat over het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie] in Ridderkerk;

III. verklaart het beroep gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Ridderkerk van 21 oktober 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Ridderkerk van 21 oktober 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" voor zover dat gaat over het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie] in Ridderkerk;

V. verklaart het beroep gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Ridderkerk van 20 november 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebied Ridderkerk" ongegrond;

VI. draagt de raad van de gemeente Ridderkerk op om binnen 4 weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen II. en IV. worden verwerkt op de landelijke voorziening;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Ridderkerk tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 48,20;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Ridderkerk aan [appellant] het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, griffier.

w.g. Van Breda

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Alderlieste

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026

590

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.G. Alderlieste

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?