202401876/1/R3.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend in Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 februari 2024 in zaak nr. 21/7071 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard.
Procesverloop
Bij besluit van 12 maart 2021 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een bedrijfsterrein aan de [locatie 1] in Bergambacht.
Bij besluit van 21 april 2021 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant A] en [appellant B] en [partij] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 december 2025, waar [appellant A] en [appellant B] en het college, vertegenwoordigd door mr. A.D. Bouwman-van Blarkom, zijn verschenen. Voorts is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. A. Knottnerus, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 19 januari 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Op 12 maart 2021 heeft het college een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo voor het uitbreiden van een bedrijfsterrein aan de [locatie 1] in Bergambacht door verharding aan te brengen in de vorm van een onderheide betonvloer.
3. [appellant A] en [appellant B] wonen op het perceel [locatie 2] in Bergambacht, ten zuiden van de percelen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Zij kunnen zich niet met de verleende omgevingsvergunning verenigen.
Hogerberoepsgronden
4. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het college ten onrechte een omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen" heeft verleend. Daarover voeren zij aan dat er uit het dossier niet blijkt dat een omgevingsvergunning is aangevraagd voor de activiteit "bouwen". Daarnaast is onderheien volgens hen vergunningvrij en heeft [partij] op de zitting bij de rechtbank verklaard dat er geen bouwwerk op de betonvloer gebouwd zou worden. Gelet daarop had volgens [appellant A] en [appellant B] geen omgevingsvergunning kunnen worden verleend.
4.1. Op grond van het geldende bestemmingsplan "[locatie 1], Bergambacht" hebben de gronden waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd onder meer de bestemming
"Waarde - Archeologie 7".
Artikel 7.4.1 van de planregels luidt:
"Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 7' aangewezen gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag:
[…]
c. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;
[…]."
Artikel 7.4.2, aanhef en onder d, luidt:
"Het in lid 7.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
[…]
d. een gezamenlijke oppervlakte hebben van niet meer dan 10.000 m2."
4.2. De Afdeling overweegt dat voor de werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, gelet op artikel 7.4.1, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 7.4.2, aanhef en onder d, van de planregels, geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo (een zogenaamde aanlegvergunning) is vereist, aangezien de werkzaamheden minder dan 10.000 m2 bedragen. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Dat betekent echter niet dat er ook geen omgevingsvergunning nodig is voor een bouwactiviteit. Voor de bouw van een bouwwerk is op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo een omgevingsvergunning nodig. De hier aangevraagde onderheide betonvloer kwalificeert als een bouwwerk. Gelet op artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is daarvoor een bouwvergunning vereist. Dat de gemachtigde van [partij] op de zitting bij de rechtbank heeft toegelicht dat er geen bouwwerk zal worden gebouwd op de betonvloer, maakt dat niet anders. Zoals hiervoor is overwogen is de onderheide betonvloer zelf al een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Op de zitting heeft de Afdeling verder vastgesteld dat er een aanvraag is ingediend voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, namelijk de bouw van een onderheide betonvloer. Gelet op het voorgaande heeft het college dan ook terecht een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, verleend.
Het betoog slaagt niet.
5. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of het college een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt en de rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de vraag of het college onpartijdig heeft gehandeld. Volgens hen heeft de rechtbank niet kunnen volstaan met een verwijzing naar artikel 2.10 van de Wabo.
5.1. De Afdeling overweegt dat wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd over de afwezigheid van een zorgvuldige belangenafweging en de vermeende partijdigheid van het college, zo goed als een herhaling is van wat zij daarover in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant A] en [appellant B] hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 3.1 tot en met 3.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
6. Voor zover [appellant A] en [appellant B] verder nog betogen dat er bij de rechtbank procedurele fouten hebben plaatsgevonden, en daarbij wijzen op verklaringen die het college op de zitting bij de rechtbank zou hebben gegeven, hebben zij dat niet geconcretiseerd.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Buskermolen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
896-1157