ECLI:NL:RVS:2026:1244

ECLI:NL:RVS:2026:1244

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer 202407142/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 23 oktober 2024 heeft de raad van de gemeente Barneveld het bestemmingsplan "Smidsplein I" vastgesteld. Het plan voorziet in twee nieuwe appartementsgebouwen met in totaal tien appartementen op het achterterrein van het perceel Smidsplein 9-11 in het centrum van Voorthuizen. Ook legaliseert het plan één bestaand appartement op de verdieping van het gebouw aan Smidsplein 9. [appellant] woont op het aangrenzende perceel aan de [locatie] en vreest voor nadelige gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat. [appellant] betoogt dat het plan in strijd met de Omgevingsverordening Gelderland is vastgesteld. [appellant] wijst daarbij op de artikelen 2.1 en 2.2 van de Omgevingsverordening. Uit die artikelen blijkt dat over deze ruimtelijke ontwikkeling regionale afstemming had moeten plaatsvinden en dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland had moeten instemmen met de ontwikkeling. [appellant] wijst ook op de Woondeal 2023-2030 Regio Foodvalley. In deze woonagenda is geen expliciete woningbouwopgave voor Voorthuizen opgenomen. [appellant] betoogt dat de raad had moeten motiveren dat de door het plan mogelijk gemaakte ruimtelijke ontwikkeling past in de voor de regio Foodvalley vastgestelde woonagenda.

Uitspraak

202407142/1/R4.

Datum uitspraak: 4 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Voorthuizen, gemeente Barneveld,

appellant,

en

de raad van de gemeente Barneveld,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Smidsplein I" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 3 februari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.H. de Kamper, rechtsbijstandverlener in Leusden, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. de Goeij, zijn verschenen. Verder zijn op zitting Diepenbosch B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde A], en Eickenrode B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde B], gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 29 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het plan voorziet in twee nieuwe appartementsgebouwen met in totaal tien appartementen op het achterterrein van het perceel Smidsplein 9-11 in het centrum van Voorthuizen. Ook legaliseert het plan één bestaand appartement op de verdieping van het gebouw aan Smidsplein 9. [appellant] woont op het aangrenzende perceel aan de [locatie] en vreest voor nadelige gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat.

2.1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

De beroepsgronden

Ingetrokken beroepsgronden

4. Op de zitting heeft [appellant] zijn beroepsgrond over het ontbreken van een verslag van buurtparticipatie bij de plantoelichting ingetrokken. Verder heeft [appellant] op zitting bevestigd dat zijn bezwaren over uitzicht, privacy en schaduwwerking geen beroepsgronden zijn tegen het plan. De Afdeling bespreekt deze bezwaren daarom verder niet.

Regionale afstemming provincie

5. [appellant] betoogt dat het plan in strijd met de Omgevingsverordening Gelderland is vastgesteld. [appellant] wijst daarbij op de artikelen 2.1 en 2.2 van de Omgevingsverordening. Uit die artikelen blijkt dat over deze ruimtelijke ontwikkeling regionale afstemming had moeten plaatsvinden en dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland had moeten instemmen met de ontwikkeling. [appellant] wijst ook op de Woondeal 2023-2030 Regio Foodvalley. In deze woonagenda is geen expliciete woningbouwopgave voor Voorthuizen opgenomen. [appellant] betoogt dat de raad had moeten motiveren dat de door het plan mogelijk gemaakte ruimtelijke ontwikkeling past in de voor de regio Foodvalley vastgestelde woonagenda.

5.1. Gelet op paragraaf 4.6.7 van de plantoelichting, waarin de woonvisie van de gemeente Barneveld en de regionale bouwafspraken worden benoemd, ziet de Afdeling in wat [appellant] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het plan in strijd met de Omgevingsverordening is vastgesteld. Dat woningbouw in het dorp Voorthuizen zelf niet is genoemd in de regionale woonagenda, betekent niet dat deze daarom niet past in deze woonagenda. De raad heeft daarover in het verweerschrift toegelicht dat in de woonagenda niet alle concrete plannen binnen de regio zijn opgenomen, maar dat de woonagenda meer een algemeen kader geeft van de behoefte aan het aantal woningen binnen de regio. De bouwafspraken worden per gemeente gemaakt en niet per dorp of gebied. De Afdeling ziet geen aanleiding om dit standpunt niet te volgen. Anders dan [appellant] betoogt, is in de uitspraak van 26 oktober 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3093) ook overwogen dat als een ruimtelijke ontwikkeling niet is genoemd in de regionale woonagenda, dit niet betekent dat deze niet past in de betreffende woonagenda, waardoor er dus geen strijd met de Omgevingsverordening is. De verwijzing van [appellant] naar die uitspraak ter onderbouwing van zijn betoog berust op een onjuiste lezing van die uitspraak.

Het voorgaande betekent dat geen regionale afstemming, als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingsverordening, over de ruimtelijke ontwikkeling heeft hoeven plaatsvinden en ook dat geen instemming van gedeputeerde staten, als bedoeld in artikel 2.2 van de Omgevingsverordening, benodigd was.

Het betoog slaagt niet.

Overleg provincie

6. [appellant] betoogt dat de raad gehouden was om overleg te voeren met de provincie. [appellant] wijst daarbij op artikel 3.1.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Uit het artikel blijkt dat alleen gedeputeerde staten en de minister kunnen besluiten dat het verplichte overleg over de ruimtelijke ordening in specifieke situaties mag worden overgeslagen. Uit paragraaf 8.2 van de plantoelichting blijkt dat die situatie zich niet voordoet. De raad heeft dan ook ten onrechte geen overleg met gedeputeerde staten gevoerd, waardoor het plan in strijd met artikel 3.1.1, tweede lid, van het Bro is vastgesteld.

6.1. De raad wijst erop dat de provincie Gelderland heeft aangegeven in de nota provinciale betrokkenheid bij ruimtelijke initiatieven van februari 2023 dat een woningbouwplan binnen bestaand stedelijk gebied, zoals deze inbreidingslocatie, dat past binnen de regionale woonagenda en niet getoetst hoeft te worden aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, niet aan haar hoeft te worden voorgelegd in het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Bro.

6.2. De Afdeling stelt vast dat in de hiervoor genoemde nota is aangegeven dat een woningbouwplan dat voldoet aan de onder 6.1 genoemde voorwaarden, niet aan gedeputeerde staten hoeft te worden voorgelegd in het kader van het hiervoor bedoelde vooroverleg. Hiervoor is onder 5.1 overwogen dat de afspraken binnen de regionale woningbouwafspraken passen. Daarnaast voorziet het plan niet in de bouw van meer dan 11 woningen. Er is daarom geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als is bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724), onder 6.2. Er hoeft dan ook niet te worden getoetst aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

Dit betekent dat geen overleg met gedeputeerde staten, als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro, over de ruimtelijke ontwikkeling hoefde plaats te vinden, waardoor het plan niet in strijd met dit artikel is vastgesteld.

Het betoog slaagt niet.

Functieveranderingsbeleid

7. [appellant] betoogt dat de raad voor de vaststelling van het plan advies had moeten inwinnen bij de regionale werkgroep voor functieverandering. [appellant] wijst erop dat in paragraaf 8.2 van de plantoelichting is vermeld dat het plan is gebaseerd op de Regionale beleidsinvulling functieverandering en de Regionale werkgroep Coördinatie verzoeken om functieverandering op 5 oktober 2011 heeft ingestemd met het plan. [appellant] acht de keuze van de raad om geen nieuw advies in te winnen onnavolgbaar en getuigen van een onzorgvuldige voorbereiding. Daarnaast voert [appellant] aan dat een advies dat steunt op een achterhaald beleidsdocument ontoereikend gemotiveerd is wanneer er inmiddels een nieuw beleidsdocument is vastgesteld.

Partijen zijn het erover eens dat het Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 van de Regio Foodvalley hier niet van toepassing is. De raad licht toe dat de passage uit paragraaf 8.2 van de plantoelichting waarin dit afwegingskader is genoemd en waar [appellant] naar verwijst, abusievelijk is overgenomen uit de modeltoelichting voor bestemmingsplannen en geschrapt had moeten worden. De Afdeling overweegt dat het abusievelijk opnemen van een onjuiste passage in de plantoelichting op zichzelf geen reden is voor de vernietiging van het plan.

De Afdeling komt tot de conclusie dat de raad voor de vaststelling van het plan niet gehouden was advies in te winnen bij de regionale werkgroep voor functieverandering.

Het betoog slaagt niet.

Geluidsoverlast tijdens bouwen

8. [appellant] voert aan dat de bouw van de appartementsgebouwen leidt tot geluidsoverlast, omdat hij naast het plangebied woont. Dit gaat niet over het bestemmingsplan zelf maar over de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. De Afdeling bespreekt deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk.

Waardevermindering woning

9. Voor zover [appellant] vreest voor een waardedaling van zijn woning, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond.

11. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.

w.g. Gundelach

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Vreugdenhil

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026

571-1194

BIJLAGE

Besluit ruimtelijke ordening

Artikel 1.1.1 luidt:

"1 In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[..]

i. stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen;

[…]."

Artikel 3.1.1 luidt:

"1 Het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan pleegt daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

2 Gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister kunnen bepalen dat onder bepaalde omstandigheden of in bepaalde gevallen geen overleg is vereist met de diensten van provincie onderscheidenlijk Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening."

Artikel 3.1.6 luidt:

"[…]

2 De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

[…]."

Omgevingsverordening van Gelderland

Artikel 2.1 (regionale woonagenda) luidt:

"1. Per regio stellen de gemeentebesturen een regionale woonagenda op.

2. Gedeputeerde Staten stellen de regionale woonagenda vast, als de agenda in overeenstemming is met de regionale opgave en het meest recente provinciale beleid.

3. Als nog geen regionale woonagenda is vastgesteld of een noodzakelijke actualisatie van de vigerende regionale woonagenda nog niet heeft plaatsgevonden, beoordelen Gedeputeerde Staten, totdat die regionale woonagenda is vastgesteld of na actualisering opnieuw is vastgesteld een bestemmingsplan dat nieuwe woningen mogelijk maakt aan de volgende criteria:

a. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking;

b. de ontwikkeling past binnen het meest recente provinciale beleid;

c. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling."

Artikel 2.2 (instructieregel bestemmingsplan doorwerking regionale woonagenda) luidt:

"1. Een bestemmingsplan maakt nieuwe woningen alleen mogelijk als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten

vastgestelde regionale woonagenda.

2. Als een ontwikkeling niet past binnen de vigerende regionale woonagenda, kan een bestemmingsplan vooruitlopend op de

eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda nieuwe woningen toch mogelijk maken onder de volgende voorwaarden:

a. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking;

b. de ontwikkeling past binnen het meest recente provinciale beleid;

c. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling, en

d. Gedeputeerde Staten stemmen in met deze ontwikkeling."

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?