202404975/1/R3.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in Nieuwe Wetering, gemeente Kaag en Braassem,
appellante,
en
de raad van de gemeente Kaag en Braassem,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 17 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Regenboogweg Nieuwe Wetering" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld van 21 januari 2026, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en de raad, vertegenwoordigd door mr. V. Platteeuw, advocaat te Doetinchem, en drs. R.F. van der Helm, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Stichting MeerWonen, vertegenwoordigd door ing. J.E.V. Stollenwerk en [gemachtigde C], als partij gehoord.
Overwegingen
OVERGANGSRECHT INWERKINGTREDING OMGEVINGSWET
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 7 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
INLEIDING
2. Het plan voorziet in de bouw van twaalf woningen op een perceel aan de Regenboogweg in Nieuwe Wetering. De woningen worden gerealiseerd op een groenstrook die nu onderdeel is van de heuvelachtige natuurbelevingstuin "De Bult". [appellante] vindt de aantasting van de natuurbelevingstuin in haar straat onaanvaardbaar.
TOETSINGSKADER
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
DE PROCEDURE
4. [appellante] betoogt dat de inspraak- en informatiebijeenkomsten waarnaar wordt verwezen niet zijn gehouden in het kader van dit plan, maar in het kader van toepassing van de wijzigingsbevoegdheid die op grond van het bestemmingsplan "Nieuwe Wetering" geldt voor deze gronden.
4.1. Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt niet.
OMGEVINGSVISIE KAAG EN BRAASSEM 2025
5. [appellante] betoogt dat het plan in strijd is met acht paragrafen van de Omgevingsvisie Kaag en Braassem 2025.
5.1. Dit betoog slaagt niet omdat deze omgevingsvisie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan nog niet was vastgesteld.
LOCATIEKEUZE
6. [appellante] voert aan dat het project Braassemerland op 2 km afstand van het plangebied ligt en dat daar 1.550 nieuwe woningen worden gerealiseerd. De 12 in het plan voorziene woningen kunnen in Braassemerland gerealiseerd worden, zodat de groenstrook behouden kan blijven. Ook kunnen de 12 voorziene woningen op een locatie ten noorden van De Bult (locatie 1) of op een locatie ten zuiden van De Bult gerealiseerd (locatie 2) worden.
6.1. De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.
In paragraaf 3.3.2 van de plantoelichting staat dat er een zwaar tekort aan huurwoningen is in de regio. Verder heeft de raad toegelicht dat in Kaag en Braassem het aantal woningbouwlocaties beperkt en ontoereikend is voor de woningbouwbehoefte. In het project Braassemerland was aanvankelijk gekozen voor de realisatie van 1.108 woningen. Gelet op het grote tekort aan woningen heeft de raad op 14 april 2025 reeds gekozen voor verdichting in die zin dat het aantal te realiseren woningen is verhoogd naar 1.550. De raad heeft toegelicht dat daarnaast behoefte bestaat aan de woningen die in het plan zijn voorzien. Het plangebied is hier bovendien zeer geschikt voor omdat het binnen bestaand stads- en dorpsgebied ligt. De raad heeft tevens onderzocht of de door [appellante] genoemde locatie 1 geschikt is voor woningbouw, maar dat is niet het geval omdat de geluidbelasting vanwege de HSL en de A4 daar te hoog is, deze locatie in de beschermingszone van de dijk ligt en deze locatie te klein is voor 12 woningen. De door [appellante] genoemde locatie 2 ten zuiden van De Bult heeft de raad niet geschikt geacht, omdat deze gronden in particulier bezit zijn.
De Afdeling is van oordeel dat de raad toereikend heeft gemotiveerd waarom zij ervoor heeft gekozen om niet op de drie door [appellante] genoemde alternatieve locaties maar in het plangebied de realisering van 12 woningen mogelijk te maken.
Het betoog slaagt niet.
NATUURWAARDEN
7. [appellante] betoogt verder dat de natuur behouden moet blijven, mede gelet op de koelte onder de bomen in warme zomers en de sociale cohesie die het onderhoud van De Bult met zich brengt. In dit kader stelt zij dat aan het plan geen gedegen onderzoek ten grondslag ligt. In de "Quickscan Wet natuurbescherming Regenboogweg ong. te Nieuwe Wetering" van Blom Ecologie van 24 maart 2022, bijlage 3 bij de plantoelichting, is niet ingegaan op de actuele natuurwaarden, de potentiële natuurwaarden en de waarden als compensatiegebied van verloren gegane natuur. Voorts betoogt [appellante] dat de ADC-toets doorlopen had moeten worden omdat de natuurbelevingstuin is aangelegd ter compensatie van natuur die moest verdwijnen uit een Natura 2000-gebied en de Ecologische hoofdstructuur (nu: Natuurnetwerk Nederland) in verband met de aanleg van de HSL en de verbreding van de A4.
Relativiteitsvereiste
7.1. Een zogenoemde ADC-toets als bedoeld in artikel 2.8, vierde lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) en artikel 6.31 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt uitgevoerd indien een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland, kort gezegd, mogelijk wordt aangetast door een ontwikkeling. Deze bepaling in de Wnb en de Omgevingsverordening Zuid-Holland, waaronder het vereiste van compenserende maatregelen, strekt ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.51, volgt dat de individuele belangen van een natuurlijke persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Dit oordeel geldt eveneens voor het Natuurnetwerk Nederland. [appellante] woont op afstanden van 12 tot 14 km van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden Nieuwkoopse plassen & De Haeck, De Wilck en Coepelduynen en op een afstand van ongeveer 1 km van het dichtsbijzijnde Natuurnetwerk Nederland (NNN) bij Hanepoel. Gelet op deze afstanden maken deze gebieden naar het oordeel van de Afdeling geen deel uit van de leefomgeving van [appellante] en is het natuurbelang in zoverre niet verweven met het belang van het behoud van een goede kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Dit betekent dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging van het bestemmingsplan wegens de beroepsgrond van [appellante] betreffende de ADC-toets. Dat de compenserende maatregelen zijn uitgevoerd in de natuurbelevingstuin De Bult welk gebied in de straat van [appellante] ligt, maakt dit niet anders, omdat dit gebied niet is aangewezen als Natura 2000-gebied of Natuurnetwerk Nederland.
Soortenbescherming
7.2. Verder overweegt de Afdeling dat de raad het plan niet mag vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
In de quickscan staat dat de planlocatie geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten en dat er geen houtopstanden aanwezig zijn waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt. [appellante] heeft geen concrete gegevens overgelegd waaruit volgt dat de quickscan zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad dit onderzoek niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. De enkele stellingen van [appellante] dat de onderzoeker van Blom Ecologie in de wintermaanden en bovendien slechts een halve dag het gebied heeft bezocht en dat is uitgegaan van de Nationale database Flora en Fauna die gegevens bevat voor blokken van 5 bij 5 km, is in dit kader onvoldoende. Deze omstandigheden betekenen op zichzelf immers niet dat de conclusies uit de quickscan onjuist zouden zijn. [appellante] heeft voorts slechts ter zitting gesteld, maar niet met bewijsstukken onderbouwd, dat, anders dan in de quickscan staat, er wel jaarrond beschermde nesten in het plangebied aanwezig zijn. Gelet op het vorenstaande wordt in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, geen grond gevonden voor het oordeel dat de raad zich redelijkerwijs niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Het betoog slaagt niet.
Overig
7.3. De Afdeling is verder van oordeel dat de raad bij afweging van de betrokken belangen een groter gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van woningbouw ter plaatse dan aan het belang van [appellante] bij het behouden van de huidige natuur ter plaatse. In dit verband is van belang dat, zoals hiervoor onder 6.1 uiteen is gezet, in de plantoelichting staat dat er in de regio Holland Rijnland een zwaar tekort aan huurwoningen is. Bovendien vindt de ontwikkeling plaats binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Verder heeft de raad ter zitting toegelicht dat ongeveer 10% van natuurbelevingstuin De Bult is bestemd voor woningbouw en dat de natuurbelevingstuin voor het overige behouden blijft. Gelet hierop is niet aannemelijk dat de koelte onder de bomen in warme zomers en de sociale cohesie die het onderhoud van De Bult met zich brengt, als gevolg van het plan zullen verdwijnen. Bovendien wordt de 10% natuur die zal verdwijnen, gecompenseerd op gronden ongeveer 170 m ten zuiden van het plangebied.
Het betoog slaagt niet.
Uitvoerbaarheid
8. [appellante] stelt verder dat de woningen zijn voorzien tegen een metershoge beboste heuvel en dat onduidelijk is wat de gevolgen zijn van het grondverzet voor de woningen. In dit kader wijst [appellante] op mogelijke grondverzakkingen. Daarnaast wijst zij op modderstromen na hevige regenval vanuit de hoger gelegen natuurbelevingstuin. Volgens [appellante] moet ofwel een damwand worden gerealiseerd ofwel veel meer grond worden afgegraven om de woningen te kunnen inpassen in de omgeving.
8.1. In een bestemmingsplan hoeft niet te worden geregeld hoe grondverzakkingen en modderstromen worden voorkomen. Deze aspecten betreffen niet het plan zelf maar de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. De raad mag het plan echter niet vaststellen als hij op voorhand had moeten inzien dat de hoger gelegen gronden ten oosten van het plangebied in de weg staan aan de uitvoerbaarheid van het plan. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er geen maatregelen mogelijk zijn die grondverzakkingen en modderstromen voorkomen. Gelet hierop heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat de hoger gelegen gronden ten oosten van het plangebied niet in de weg staan aan de uitvoerbaarheid van het plan.
Het betoog slaagt niet.
Overig
9. Ten slotte ziet de Afdeling in hetgeen [appellante] voor het overige heeft aangevoerd, geen aanleiding voor de conclusie dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan gebreken bevat.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Kooten-Vroegindeweij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
559