ECLI:NL:RVS:2026:1291

ECLI:NL:RVS:2026:1291

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 09-03-2026
Datum publicatie 05-03-2026
Zaaknummer BRS.25.001149
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 3 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

BRS.25.001149

ECLI:NL:RVS:2026:1291

Datum uitspraak: 9 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

betrokkene],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 juli 2025 in zaak nr. 24/16466 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 20 september 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Jansen, referent, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Appellant heeft de Cubaanse nationaliteit en haar echtgenoot heeft de Tsjechische en Nederlandse nationaliteit. Zij heeft eerder een aanvraag ingediend om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000. De minister heeft die aanvraag bij besluit van 22 mei 2025 ingewilligd en vastgesteld dat appellant rechtmatig verblijf heeft in Nederland met ingang van 2 januari 2023.

2. Appellant voert in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister haar aanvraag om een verblijfsvergunning regulier mocht afwijzen, omdat appellant niet heeft voldaan aan het mvv-vereiste en het inburgeringsvereiste. Appellant betoogt dat zij als echtgenote van een Unieburger is vrijgesteld van deze verplichtingen.

2.1. De Afdeling ziet aanleiding om ambtshalve te beoordelen of appellant een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep. Daarvoor is bepalend of appellant in een gunstiger positie kan komen. Appellant heeft in deze procedure een aanvraag ingediend om verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM. Omdat appellant inmiddels rechtmatig verblijf in Nederland heeft, hoeft zij Nederland niet te verlaten en kan zij ongehinderd het recht op familie- en gezinsleven uitoefenen. De minister maakt daarom geen inbreuk op de uitoefening van het familie- en gezinsleven van appellant door haar aanvraag af te wijzen. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 17 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1060, onder 4.2.

2.2. Appellant heeft ook geen belang bij de vaststelling van een eerdere ingangsdatum van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM. Appellant heeft haar aanvraag namelijk op 10 augustus 2023 ingediend, waardoor zij geen eerdere ingangsdatum van rechtmatig verblijf kan verkrijgen dan zij nu al heeft, namelijk met ingang van 2 januari 2023.

2.3. Ten slotte heeft appellant niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van het besluit van 20 september 2024. De gestelde schade is namelijk geen gevolg van het besluit van 20 september 2024, maar van het aanvankelijk afwijzende besluit van de minister op haar aanvraag om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000. Ook de gestelde schade levert daarom geen grond op om deze zaak inhoudelijk te beoordelen.

2.4. De Afdeling stelt vast dat appellant om deze redenen niet in een gunstigere positie kan terechtkomen binnen deze procedure, waardoor zij geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.

3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van den Oosterkamp

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026

941-1173

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.S. van den Oosterkamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand