202305803/1/R1.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Heemstede,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 augustus 2023 in zaak nr. 22/4287 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Heemstede.
Procesverloop
Bij besluit van 25 maart 2022 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een rookkanaal op de woning aan [locatie 1] in Heemstede.
Bij besluit van 12 juli 2022 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 augustus 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de rechtsgevolgen in stand gelaten.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld en heeft het college voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
[appellante], het college en [partij] hebben elk een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak, gelijktijdig met zaak nr. 202305804/1/R1, behandeld op een zitting van 3 februari 2026, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Moraal en mr. M. Jansen, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht invoering Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2. [partij] woont aan [locatie 1] in Heemstede. Aan de achterkant van de woning heeft hij een rookkanaal geplaatst dat is aangesloten op een houtkachel in de woonkamer. Vanaf het platte dak boven dit deel van de woonkamer loopt het rookkanaal als een schoorsteenpijp buitenlangs naast de achtergevel van de tweede verdieping van de woning omhoog, en steekt ongeveer een meter boven het dak van de tweede verdieping uit.
[appellante] woont aan [locatie 2], op enkele meters afstand van het rookkanaal. Zij ervaart hinder van het stoken van hout en heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen het rookkanaal en het gebruik van de houtkachel. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het rookkanaal een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is vereist, die ontbreekt. Het heeft [partij] in de gelegenheid gesteld om alsnog een omgevingsvergunning aan te vragen. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning vervolgens verleend omdat er volgens hem geen weigeringsgronden zijn. In het besluit op bezwaar van 12 juli 2022 is het college daarbij gebleven.
3. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] tegen de verlening van de omgevingsvergunning gegrond verklaard, omdat het college bij het nemen van het besluit op bezwaar nog had nagelaten om te beoordelen of de aanvraag in overeenstemming is met artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Omdat het college die beoordeling daarna in het kader van de handhavingsprocedure alsnog heeft gemaakt, en op basis van een onderzoek heeft geconcludeerd dat er geen strijd is met dit artikel, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen in stand gelaten, zodat de omgevingsvergunning in stand is gebleven.
[appellante] is het niet eens met de uitkomst van deze uitspraak en heeft daartegen hoger beroep ingesteld. Het college is het niet eens met de overweging over artikel 7.22 van het Bouwbesluit en heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Grenzen van het geding
4. In deze hogerberoepsprocedure staat de uitspraak van de rechtbank ter beoordeling waarin de rechtbank de rechtmatigheid de verlening van de omgevingsvergunning voor het rookkanaal heeft beoordeeld. De Afdeling doet heden afzonderlijk uitspraak op het hoger beroep van [appellante] tegen de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 22/2156, waarin het gaat om de afwijzing van haar verzoek om handhavend op te treden tegen het rookkanaal en het gebruiken van de houtkachel (ECLI:NL:RVS:2026:1330).
De aanvraag om omgevingsvergunning
5. [appellante] betoogt dat de aanvraag om omgevingsvergunning onvolledig is. Naam en adres ontbreken op het aanvraagformulier. Ook ontbreken gegevens en bescheiden die nodig zijn om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen, waaronder een vermelding van de gebruiksfunctie. Verder betoogt zij dat de rechtbank heeft miskend dat niet is gebleken dat [partij] de aanvraag zelf heeft ingediend. Verder had de aanvraag volgens [appellante] niet mogen zijn beperkt tot het plaatsen van een rookkanaal, nu dit rookkanaal geen op zichzelf staand bouwwerk is, maar een onlosmakelijk onderdeel van de woning vormt. Zij wijst op artikel 2.7 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
5.1. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat de aanvraag voldoet aan de indieningsvereisten in artikel 1.3 van de Regeling Omgevingsrecht en dat de gestelde omstandigheid dat een ambtenaar heeft geholpen bij het invullen daarvan, dat niet anders maakt. Op het aanvraagformulier zijn - naast andere gegevens - de naam en het adres van de aanvrager en de gebruiksfunctie van het rookkanaal ingevuld. Ook staat op het aanvraagformulier dat het rookkanaal aan of op het hoofdgebouw is gebouwd.
5.2. De Afdeling ziet verder geen reden om eraan te twijfelen dat de aanvraag door [partij] zelf, dan wel namens hem is ingediend. Anders dan [appellante] veronderstelt, is het voor de beoordeling of het college de aanvraag in behandeling mocht nemen niet noodzakelijk dat [partij] bewijs levert dat hij de aanvraag persoonlijk heeft ingediend.
5.3. [partij] mocht een afzonderlijke aanvraag om omgevingsvergunning voor het rookkanaal indienen. Dat het gaat om een bouwonderdeel dat wordt toegevoegd aan de woning, maakt dat niet anders. Artikel 2.7 van de Wabo waarop [appellante] zich beroept, gaat over onlosmakelijke activiteiten. In dit geval gaat het echter maar om één activiteit, namelijk de activiteit bouwen. Dat het rookkanaal als bouwonderdeel is toegevoegd aan de woning betekent niet dat er naast de activiteit bouwen nog een andere (onlosmakelijke) activiteit aan de orde is. Overigens is in de aanvraag kenbaar gemaakt dat het rookkanaal als bouwonderdeel is toegevoegd aan de woning. Het college is daar bij de toetsing van de aanvraag ook van uitgegaan.
Het betoog slaagt niet.
Het bestemmingsplan
6. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het rookkanaal in strijd met het bestemmingsplan is. Zij betwist dat het rookkanaal een ondergeschikt bouwonderdeel als bedoeld in de planregels is. Volgens haar gaat het niet om een bouwonderdeel, maar om een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Daar komt bij dat het rookkanaal te groot is om als ondergeschikt bouwonderdeel te beschouwen.
6.1. Op het perceel van [partij] geldt het bestemmingsplan "Woonwijken Zuid en West". Het perceel heeft de bestemming "Wonen".
Artikel 23.2.1, onder e, van de planregels bepaalt dat de (bouw)hoogte van een gebouw in een bouwvlak ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding "maximale bouwhoogte (m)" aangegeven hoogte mag bedragen. Die maximale bouwhoogte is hier 7 m.
Op grond van artikel 2.2, aanhef en onder d, wordt de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
6.2. Zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen, is het rookkanaal als bouwonderdeel toegevoegd aan de woning. Het gaat niet om een zelfstandig bouwwerk, geen gebouw zijnde. Dat betekent dat het college terecht heeft getoetst aan de planregels voor hoofdgebouwen in artikel 23.2.1.
6.3. Voor zover het rookkanaal zich aan de buitenkant van de woning bevindt, vormt het een schoorsteenpijp op de woning. Deze steekt ongeveer een meter boven het dak van de woning uit en is ongeveer 0,25 m hoger dan de woning mag zijn.
De rechtbank heeft het college terecht gevolgd in zijn standpunt dat het rookkanaal een ondergeschikt bouwonderdeel als bedoeld in artikel 2.2 van de planregels is, nu schoorstenen daarin zijn genoemd als voorbeeld van ondergeschikte bouwonderdelen. Uit de tekst van dat artikel kan niet worden afgeleid dat, zoals [appellante] op de zitting heeft betoogd, bij het benoemen van schoorstenen als ondergeschikte bouwonderdelen niet zal zijn gedacht aan schoorstenen die, zoals hier, voor een deel buitenlangs de gevel lopen. Ook verder ziet de Afdeling geen grond om aan te nemen dat het rookkanaal in dit geval te groot is om nog als ondergeschikt bouwonderdeel te kunnen aanmerken.
6.4. Voor zover [appellante] aanvoert dat het rookkanaal in strijd is met artikel 8.2.3 van de planregels, overweegt de Afdeling dat dit artikel niet van toepassing is op de bestemming "Wonen" die voor het perceel geldt.
6.5. De conclusie is dat het rookkanaal als ondergeschikt bouwonderdeel van de woning niet meetelt voor de maximale bouwhoogte van de woning in artikel 23.2.1 van de planregels. De toevoeging van het rookkanaal aan de woning is daarom niet in strijd met de planregels. Het betoog slaagt niet.
Redelijke eisen van welstand
7. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het rookkanaal niet in overeenstemming met redelijke eisen van welstand heeft mogen achten. Het college mocht het positieve advies van de welstandscommissie volgens haar niet overnemen omdat dat advies niet is gemotiveerd en daarin geen rekening is gehouden met de overschrijding van de maximale hoogte volgens het bestemmingsplan. Ook is geen rekening gehouden met de passage in de plantoelichting dat de huidige kwaliteit van de woon- en leefmilieus zoveel mogelijk als uitgangspunt is aangehouden en dat de bestaande ruimtelijke opbouw (situering, hoogtematen) in sterke mate conserverend is behandeld.
7.1. Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.
De welstandscommissie toetst het bouwplan aan de hand van de criteria in de welstandsnota aan redelijke eisen van welstand. Daarbij moet zij in beginsel uitgaan van de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Als het bouwplan van het bestemmingsplan afwijkt, dan moet zij in beginsel uitgaan van de bouwmogelijkheden waaraan het college planologische medewerking wil verlenen.
7.2. In het advies van de welstandscommissie van 17 maart 2022 staat dat de welstandscommissie het rookkanaal heeft beoordeeld op grond van de gebiedsgerichte en objectgerichte criteria van de welstandsnota, dat zij geen bezwaar heeft tegen positie, hoogte en materialisering van het rookkanaal en dat zij het rookkanaal passend vindt bij de architectuur. Zij heeft daarom een positief advies gegeven. Het college heeft dat positieve advies overgenomen.
7.3. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat [appellante] geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming of de motivering van het advies naar voren heeft gebracht. Een verdergaande motivering van het welstandsadvies was niet vereist. Voor zover [appellante] zich op het standpunt stelt dat de welstandscommissie geen rekening heeft gehouden met de maximale bouwhoogte volgens het bestemmingsplan, wijst de Afdeling op wat zij daarover hiervoor onder 6 en verder heeft overwogen. De welstandscommissie hoefde alleen al daarom het in de plantoelichting beschreven uitgangspunt van de planregeling niet te betrekken bij haar beoordeling.
Het betoog slaagt niet.
Het Bouwbesluit
8. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren omdat het rookkanaal niet in overeenstemming met het Bouwbesluit is. Volgens haar mocht de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning niet in stand laten onder verwijzing naar het onderzoeksrapport waarin is getoetst aan artikel 7:22 van het Bouwbesluit. Zij betoogt dat zij in haar belang is geschaad omdat dit onderzoeksrapport er nog niet was toen het college op haar bezwaar heeft beslist. Verder vecht zij de conclusie uit dit onderzoeksrapport dat er geen strijd is met artikel 7:22 van het Bouwbesluit aan.
8.1. Het college heeft uitsluitend getoetst of het rookkanaal in overeenstemming is met artikel 3.51 van het Bouwbesluit. Volgens het college bevat dit artikel als enige in het Bouwbesluit voorschriften over de plaats van de opening waaraan het bouwplan voor het rookkanaal concreet kan worden getoetst.
8.2. Voor zover [appellante] betwist dat het vergunde rookkanaal in overeenstemming is met artikel 3.51, eerste lid, van het Bouwbesluit, heeft de rechtbank terecht onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 5 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2918, onder 3.3) overwogen dat deze norm alleen strekt tot bescherming van de bewoners van de woning waar het rookkanaal is geplaatst, en niet tevens strekt tot bescherming van omwonenden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht daarom in de weg staat aan een eventuele vernietiging van het bestreden besluit op dit punt.
8.3. Voor zover [appellante] het oordeel van de rechtbank dat het rookkanaal in overeenstemming is met artikel 7.22 van het Bouwbesluit betwist en betoogt dat de rechtbank hierin geen aanleiding had mogen vinden om de rechtsgevolgen in stand te laten, komt de Afdeling in deze procedure over de verlening van de omgevingsvergunning niet toe aan een inhoudelijke beoordeling daarvan. De Afdeling overweegt daartoe dat artikel 7.22 van het Bouwbesluit gaat over het gebruik van (onder meer) bouwwerken, en niet over de bouwkundige staat van het bouwwerk als zodanig. Er zijn in dat artikel ook geen concrete eisen gesteld aan afmetingen of aan te houden afstanden waaraan een bouwplan kan worden getoetst. Uit het artikel volgt dat het onder meer verboden is om in een bouwwerk handelingen te verrichten waardoor op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid. In dit geval gaat het dan om de wijze waarop hout wordt gestookt in de houtkachel. Voor zover die wijze tot strijd met artikel 7.22 van het Bouwbesluit leidt, betekent dat nog niet dat het bouwen van het rookkanaal als zodanig niet kan worden toegestaan. De wijze van stoken volgt niet uit het bouwplan. Het gebruik van het rookkanaal kan zo nodig worden aangepast zonder dat daarvoor bouwkundige veranderingen aan het rookkanaal en een ander bouwplan nodig zijn. Artikel 7.22 van het Bouwbesluit kon dan ook geen grond vormen om de omgevingsvergunning te weigeren.
Dit leidt ertoe dat de rechtbank, zij het op andere gronden, terecht tot de conclusie is gekomen dat de gevraagde omgevingsvergunning terecht niet is geweigerd wegens strijd met artikel 7.22 van het Bouwbesluit.
Het betoog slaagt niet.
8.4. De Afdeling voegt hier voor de volledigheid aan toe dat toetsing aan artikel 7.22 van het Bouwbesluit wel aan de orde komt in de uitspraak op het hoger beroep van [appellante] over de afwijzing van haar verzoek om handhavend op te treden tegen het gebruiken van het rookkanaal en de houtkachel.
Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van het college
9. Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellante] gegrond is. Gelet op het voorgaande zal het hoger beroep van [appellante] ongegrond worden verklaard. De voorwaarde voor het incidenteel hoger beroep is dus niet vervuld. Daarmee is het incidenteel hoger beroep van het college vervallen. De Afdeling komt dus niet meer toe aan een inhoudelijke bespreking daarvan.
Conclusie
10. Het hoger beroep van [appellante] is ongegrond. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van het college is daarmee vervallen. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Witsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
727