202502419/1/A3
Datum uitspraak: 2 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 maart 2025 in zaak nr. 23/1469 in het geding tussen:
[appellante]
en
de korpschef van politie.
Openbare zitting gehouden op 2 maart 2026 om 15:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. M. Soffers, voorzitter
griffiers: mr. S. Langeveld en mr. C.E.J. van der Linden
Verschenen:
[appellante], wonend te Enschede, bijgestaan door [gemachtigde] en M.V. Hazekamp, juridisch medewerker te Delden;
Korpschef van politie, vertegenwoordigd door P. Pasteuning en mr. M. van Ham.
====================================
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 12 maart 2025, zaaknr. 23/1469, van de rechtbank Overijssel.
De Afdeling
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden:
De rechtbank heeft uitgebreid gemotiveerd of het inzageverzoek deels mocht worden afgewezen en heeft, net als de Afdeling, met toestemming van [appellante] kennisgenomen van de door de korpschef onder geheimhouding overgelegde motivering. De Afdeling neemt over wat de rechtbank daarover heeft overwogen in overwegingen 8 en 8.1. van de uitspraak.
Daarnaast is in hoger beroep betoogd dat meer stukken over [appellante] aanwezig moeten zijn bij de politie. Daarbij is verwezen naar een verklaring van advocaat Weski en tegenstijdigheid in data. Volgens vaste jurisprudentie geldt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat bepaalde stukken niet of niet meer bij hem berusten en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, die stukken toch onder het bestuursorgaan berusten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2941, onder 5.3). Met wat [appellante] heeft aangevoerd is dat niet aannemelijk gemaakt.
mr. M. Soffers mr. S. Langeveld
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Langeveld
griffier
317-1146