ECLI:NL:RVS:2026:1360

ECLI:NL:RVS:2026:1360

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 11-03-2026
Zaaknummer 202504023/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 6 oktober 2023 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] over 2022 definitief berekend, op € 0,00 vastgesteld en het betaalde voorschot van € 2.026,00 teruggevorderd. De Dienst Toeslagen heeft bij besluit van 28 december 2021 aan [appellant] een voorschot huurtoeslag voor 2022 verleend van € 2.005,00. De Dienst is daarbij uitgegaan van een geschat jaarinkomen van [appellant] van € 16.559,00. Op 24 mei 2023 heeft de Dienst Toeslagen een melding gekregen uit de Basisregistratie Inkomen dat het inkomensgegeven van [appellant] over het jaar 2022 € 25.251,00 is. Dit heeft geleid tot het besluit van 6 oktober 2023 met de definitieve berekening van de huurtoeslag over 2022. Het terug te betalen bedrag bestaat uit het voorschot van € 2.005,00 met € 21,00 rente. [appellant] heeft een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

Uitspraak

202504023/1/A2.

Datum uitspraak: 11 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Nederland van 10 juni 2025 in zaak nr. 24/2565 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Dienst Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2023 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] over 2022 definitief berekend, op € 0,00 vastgesteld en het betaalde voorschot van € 2.026,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 30 april 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 februari 2026, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De Dienst Toeslagen heeft bij besluit van 28 december 2021 aan [appellant] een voorschot huurtoeslag voor 2022 verleend van € 2.005,00. De Dienst is daarbij uitgegaan van een geschat jaarinkomen van [appellant] van € 16.559,00. Op 24 mei 2023 heeft de Dienst Toeslagen een melding gekregen uit de Basisregistratie Inkomen dat het inkomensgegeven van [appellant] over het jaar 2022 € 25.251,00 is. Dit heeft geleid tot het besluit van 6 oktober 2023 met de definitieve berekening van de huurtoeslag over 2022. Het terug te betalen bedrag bestaat uit het voorschot van € 2.005,00 met € 21,00 rente.

2. [appellant] heeft een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Dat het belastbaar jaarloon van [appellant] over 2022 hoger is, komt onder meer omdat het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen zijn aanvraag om een verhoging van zijn uitkering bij hulpbehoevendheid, als bedoeld in de artikelen 2:51 of 3:9 van de Wajong, heeft ingewilligd. Die verhoging bedroeg in 2022 € 2.503,08.

3. Ingevolge artikel 2b, eerste lid en onder e, van het Besluit huurtoeslag (Bht) en artikel 6.20, eerste lid en onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), geldend van 1 april 2022 tot en met 31 december 2022, blijft de verhoging van de Wajong-uitkering bij hulpbehoevendheid, bij het toekennen van een huurtoeslag, als bestanddeel van het toetsingsinkomen buiten toepassing, voor zover het bedrag van de verhoging niet hoger is dan - in 2022 - het drempelbedrag van € 141,00.

4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Beoordeling hoger beroep

Vertrouwensbeginsel en hardheidsclausule

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen bij de definitieve berekening van de huurtoeslag terecht slechts het drempelbedrag over 2022 buiten beschouwing heeft gelaten. Hij voert hierover aan dat de Dienst Toeslagen op grond van het vertrouwensbeginsel en de hardheidsclausule de gehele verhoging van € 2.503,08 van zijn Wajong-uitkering buiten beschouwing had moeten laten.

5.1. De Afdeling stelt vast dat [appellant] in beroep het vertrouwensbeginsel en de hardheidsclausule heeft genoemd en dat de rechtbank daarop niet is ingegaan. De Afdeling ziet echter geen aanleiding om de uitspraak van de rechtbank om die reden te vernietigen en licht dit hierna toe.

5.2. Het beroep dat [appellant] doet op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Daarover overweegt de Afdeling als volgt.

5.2.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan - in dit geval de Dienst Toeslagen - een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. [appellant] heeft dit naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. In de door hem overgelegde brief van 23 november 2022 van het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden over de energietoeslag en het Rapport ‘Vestzak, broekzak?’ van 15 december 2016 van de Nationale ombudsman is geen sprake van toezeggingen of uitlatingen die gaan over de verhoging wegens hulpbehoevendheid van Wajong-uitkeringen. Dit geldt ook voor de door [appellant] genoemde compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen en andere daarop betrekking hebbende regelgeving. Daarbij komt nog dat de brief van het college en het rapport van de Nationale ombudsman niet aan de Dienst Toeslagen kunnen worden toegerekend.

5.3. Ook het beroep dat [appellant] doet op de hardheidsclausule slaagt niet. Daarover overweegt de Afdeling als volgt.

5.3.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 10 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1809, onder 4.2, bevat de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) geen algemene hardheidsclausule. Voor de huurtoeslag is in artikel 2b van het Bht wel een uitzondering gemaakt op de in de Awir neergelegde algemene regeling dat bij de bepaling van de draagkracht voor een inkomensafhankelijke regeling gekeken wordt naar het verzamelinkomen zoals door de inspecteur in de aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld. Bij [appellant] heeft dit geleid tot het buiten beschouwing laten van het drempelbedrag. Zie de overwegingen hiervoor onder 3. Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:438, onder 4.4, volgt verder dat voor de Dienst Toeslagen geen wettelijke grondslag bestaat voor afwijking van het Bht buiten de daarin omschreven specifieke gevallen.

5.4. Voor zover [appellant] een beroep doet op artikel 47 van de Awir, volgt daaruit, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4427, onder 8, dat de wetgever een gesloten stelsel van categorieën gevallen heeft beoogd, waarin een afwijkende maatregel kan worden getroffen. Die categorieën zijn opgesomd in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Geen van die categorieën heeft betrekking op de situatie van [appellant]. Aan de Dienst Toeslagen is geen ruimte gelaten om hiervan af te wijken. Die bevoegdheid komt, gelet op artikel 47, tweede lid, van de Awir, toe aan de minister van Financiën in overeenstemming met de ministers die het aangaan.

5.5. De gronden slagen niet.

Terugvordering

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen heeft mogen concluderen dat de nadelige gevolgen van de terugvordering niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Hij wijst op een overzicht met dertien terugvorderingen van zorg- en huurtoeslag van in totaal € 14.597,00 over de jaren 2006, 2011 tot en met 2017 en 2022 en stelt dat hij nog andere schulden heeft. Met zijn inkomen en schuldenpositie stelt hij de kosten van huur, gas, water en elektriciteit niet meer zonder hulp te kunnen voldoen.

6.1. Artikel 26, tweede lid, van de Awir bepaalt dat, voor zover de nadelige gevolgen voor de belanghebbende van een volledige terugvordering onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen, de Dienst Toeslagen een lager bedrag kan terugvorderen. De staatssecretaris van Financiën - Toeslagen en Douane, heeft in het Verzamelbesluit Toeslagen beleid over de terugvordering van toeslagen vastgesteld (geactualiseerd op 17 oktober 2024 met terugwerkende kracht tot 23 oktober 2019; Stcrt. 2024, 34466). Volgens het Verzamelbesluit is in beginsel geen sprake van een onevenredige terugvordering als, onder meer, de terugvordering het gevolg is van een afwijking van het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend of de belanghebbende de terugvordering vanwege ontoereikende financiële middelen niet kan voldoen. Afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval kan er bij de aanwezigheid van aanvullende omstandigheden na een belangenafweging echter toch reden zijn de terugvordering te matigen. Daarbij geldt volgens het Verzamelbesluit dat een combinatie van factoren - die ieder op zichzelf beschouwd geen onevenredige terugvordering opleveren - in samenhang wel kunnen leiden tot het oordeel dat er sprake is van een voor de belanghebbende onevenredige terugvordering die moet worden gematigd. De financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende die terugbetaling van toeslagen verhinderen, zullen in het algemeen niet leiden tot een matiging van de terugvordering. In het Verzamelbesluit staat dat voor deze situatie de mogelijkheid bestaat van een (persoonlijke) betalingsregeling. Met een dergelijke regeling op maat kan in het specifieke geval het noodzakelijke maatwerk worden geboden voor zover de financiële omstandigheden van een belanghebbende ontoereikend zijn om de (gehele) terugvordering te voldoen.

6.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om de terugvordering onevenredig te achten. De terugvordering van de aan [appellant] uitgekeerde voorschotten huurtoeslag is het gevolg van het feit dat hij in 2022 een hoger toetsingsinkomen had dan zijn geschatte inkomen, zodat op grond van het Verzamelbesluit in beginsel geen sprake is van bijzondere omstandigheden. De Afdeling is het eens met de rechtbank dat de financiële situatie van [appellant] geen aanleiding geeft om de terugvordering te matigen en dat een betalingsregeling mogelijk is. De Afdeling voegt daar nog aan toe dat de Dienst Toeslagen in de schriftelijke uiteenzetting over het door [appellant] overgelegde schuldenoverzicht heeft opgemerkt dat er nog een bedrag van € 2.026,00 openstaat van de terugvordering huurtoeslag over 2022 en een restant zorgtoeslag over 2017. Op de zitting heeft de Dienst Toeslagen toegelicht dat de terugvorderingen tot 2016 op oninbaar zijn gezet, dat hij de betalingscapaciteit van [appellant] heeft opgevraagd en dat [appellant] het openstaande bedrag in 24 maanden moet kunnen terugbetalen. Net als bij de rechtbank heeft [appellant] in hoger beroep ook geen aanvullende omstandigheden aangevoerd.

De grond slaagt niet.

Toekomstige toeslagen

7. De Afdeling merkt ten overvloede op dat de Dienst Toeslagen op de zitting heeft gezegd dat het bij [appellant] misschien zo is dat de aftrek van ziektekosten zo hoog is dat dit bij de aangifte inkomstenbelasting tot het resultaat zou kunnen leiden dat hij op een lager toetsingskomen uitkomt en dus weer in aanmerking zou kunnen komen voor toeslagen. De Dienst Toeslagen heeft opgemerkt dat [appellant] nog geen aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan, maar dat de Dienst Toeslagen aan de gemachtigde van [appellant] in overweging heeft gegeven dit te doen.

Conclusie

8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

9. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Daalder

voorzitter

w.g. De Vink

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026

154

BIJLAGE

Wet op de huurtoeslag

Artikel 1a

1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

[…].

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 2. Definities

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder:

[…].

o. inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

[…].

Artikel 7. Draagkracht

1. Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

[…].

Artikel 8. Toetsingsinkomen

1. Toetsingsinkomen is: het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

[…].

Artikel 26. Terugvordering is verschuldigd door belanghebbende

1. Indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

2. Het terug te vorderen bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig door de Belastingdienst/Toeslagen teruggevorderd. Voor zover de nadelige gevolgen voor de belanghebbende van een volledige terugvordering van het bedrag ingevolge het eerste lid onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen, kan de Belastingdienst/Toeslagen bij het vaststellen van de beschikking tot terugvordering een lager bedrag terugvorderen dan het bedrag ingevolge het eerste lid.

3. In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen herziet de Belastingdienst/Toeslagen de onherroepelijk geworden beschikking tot terugvordering in het voordeel van de belanghebbende.

Artikel 47. Hardheidsclausule

1. Onze Minister is bevoegd in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen beleidsregels te geven om tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich bij de toepassing van deze wet, de daarop berustende bepalingen of een inkomensafhankelijke regeling mochten voordoen.

[…].

Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 21

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

e. inkomensgegeven:

1°. indien over een kalenderjaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen;

2°. indien over een kalenderjaar geen aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde belastbare loon;

[…].

Besluit op de huurtoeslag

Artikel 2b

1. Op verzoek blijven bij de toepassing van artikel 7, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor zover het betreft het toekennen van een huurtoeslag, de navolgende bestanddelen van het toetsingsinkomen buiten beschouwing:

[…].

e. verhogingen op grond van […] artikel 2:51 of 3:9 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of artikel 22 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voorzover het bedrag van de verhoging niet hoger is dan het in artikel 6.20, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 genoemde drempelbedrag voor uitgaven voor specifieke zorgkosten.

[…].

Wet inkomstenbelasting 2001, geldend van 01-04-2022 t/m 31-12-2022

Artikel 6.20. Omvang in aanmerking te nemen uitgaven voor specifieke zorgkosten

1. Uitgaven voor specifieke zorgkosten worden in aanmerking genomen voor zover zij samen, na toepassing van de verhoging ingevolge artikel 6.19, meer bedragen dan:

a. Indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 8.093 niet te boven gaat: € 141;

[…].

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?