ECLI:NL:RVS:2026:1362

ECLI:NL:RVS:2026:1362

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 11-03-2026
Zaaknummer 202501627/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Herziening

Samenvatting

Bij besluit van 2 april 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht een aanvraag van [verzoeker] om tegemoetkoming in planschade afgewezen. [verzoeker] is sinds 21 januari 2002 eigenaar van het perceel aan de [locatie] in Maastricht. Op 5 december 2017 heeft [verzoeker] het college verzocht om tegemoetkoming in planschade. Aan deze aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat de planologische situatie op het perceel door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Maastricht-West van 18 september 2012 is verslechterd. [verzoeker] heeft daartoe gesteld dat het onder het nieuwe planologische regime, anders dan onder het daaraan voorafgaande regime van het bij raadsbesluit van 5 juli 1994 vastgestelde en bij raadsbesluit van 9 juli 1996 gewijzigde bestemmingsplan Maastricht-West, niet meer is toegestaan om het gebouw op het perceel voor zelfstandige kantoordoeleinden te gebruiken. Volgens [verzoeker] heeft dit geleid tot schade in de vorm van een waardevermindering van zijn onroerende zaak van € 370.136,00 en een inkomstenderving van € 1.912.908,00.

Uitspraak

202501627/1/A2.

Datum uitspraak: 11 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna samen en in enkelvoud: [verzoeker]), gevestigd in Maastricht,

verzoekers,

om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht; de Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2025 in zaak nr. 202206685/1/A2.

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht een aanvraag van [verzoeker] om tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 20 februari 2020 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 oktober 2022 heeft de rechtbank Limburg het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

Bij uitspraak van 22 januari 2025 heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, het door het college daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het door [verzoeker] tegen het besluit van 20 februari 2020 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

[verzoeker] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[verzoeker] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft het verzoek op een zitting behandeld op 11 februari 2026, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.G.A. Stassen en mr. T.A.P. Langhout, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [verzoeker] is sinds 21 januari 2002 eigenaar van het perceel aan de [locatie] in Maastricht (het perceel).

Voorgeschiedenis

2. Op 5 december 2017 heeft [verzoeker] het college verzocht om tegemoetkoming in planschade. Aan deze aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat de planologische situatie op het perceel door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Maastricht-West van 18 september 2012 is verslechterd. [verzoeker] heeft daartoe gesteld dat het onder het nieuwe planologische regime, anders dan onder het daaraan voorafgaande regime van het bij raadsbesluit van 5 juli 1994 vastgestelde en bij raadsbesluit van 9 juli 1996 gewijzigde bestemmingsplan Maastricht-West (het oude bestemmingsplan), niet meer is toegestaan om het gebouw op het perceel voor zelfstandige kantoordoeleinden te gebruiken. Volgens [verzoeker] heeft dit geleid tot schade in de vorm van een waardevermindering van zijn onroerende zaak van € 370.136,00 en een inkomstenderving van € 1.912.908,00.

3. Op grond van het oude bestemmingsplan was het niet toegestaan om het perceel voor een zelfstandige kantoorruimte te gebruiken. Tussen partijen was in de planschadeprocedure in geschil of het college met de op 28 november 2007 verleende bouwvergunning impliciet vrijstelling heeft verleend van het oude bestemmingsplan, waardoor deze bouwvergunning, evenals het oude bestemmingsplan, onderdeel was van het oude planologische regime.

4. In de uitspraak van 22 januari 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat het college met de bouwvergunning niet impliciet vrijstelling heeft verleend van het oude bestemmingsplan en dat de bouwvergunning daarom geen onderdeel van het oude planologische regime was. Uit de aanvraag om verlening van de bouwvergunning volgt dat de kantoorfunctie, overeenkomstig de regels van het oude bestemmingsplan, is gekoppeld aan de industriefunctie. Uit de aanvraag valt niet zonder meer af te leiden dat het pand in strijd met deze regels zou worden gebruikt. Evenmin is gebleken dat het college, zich bewust van het voorgenomen gebruik, de vergunning in weerwil van deze regels heeft verleend.

Verzoek om herziening

5. Aan het verzoek om herziening heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat hij na de uitspraak van de Afdeling de toelichting van 30 januari 2001 in een collegenota heeft ontvangen, waaruit blijkt dat het college geen bezwaar heeft tegen verplaatsing van de kantoorruimte van [verzoeker] van een perceel aan de Aylvalaan naar een perceel aan de Weustenraadstraat, beide in Maastricht. [verzoeker] voert aan dat in de toelichting in de nota expliciet wordt bevestigd dat de bedrijfsactiviteiten op het perceel aan de Aylvalaan een zelfstandige kantoorfunctie hadden. Uit het feit dat het college geen bezwaar had tegen de verplaatsing volgt dat de kantoorfunctie ook na de verplaatsing nog zelfstandig zou bestaan en dus niet was gekoppeld aan de industriefunctie, aldus [verzoeker].

Beoordeling van het verzoek

6. In artikel 8:119, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak kan herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

7. Bij de beoordeling van een herzieningsverzoek is uitsluitend van belang of feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb zijn gesteld. Het moet dan gaan om nader gebleken feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht en die de verzoeker in de procedure die heeft geleid tot die uitspraak niet naar voren heeft kunnen brengen. Het bijzondere rechtsmiddel van herziening dient er niet toe om het geschil waarover bij uitspraak is beslist opnieuw aan de rechter voor te leggen en biedt een partij niet de mogelijkheid gronden die in een eerdere procedure naar voren zijn of hadden kunnen worden gebracht, opnieuw dan wel alsnog naar voren te brengen en zo het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten of omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2455), is een vermeend onjuiste rechtsopvatting geen grond voor herziening, evenmin als een veronderstelde rechterlijke misslag ten aanzien van de gevolgde procedure of de vaststelling van de feiten.

Verder geldt dat, wil een verzoek om herziening voor toewijzing in aanmerking komen, aan de in artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Awb genoemde criteria moet worden voldaan. Deze criteria zijn cumulatief.

8. De Afdeling is van oordeel dat niet wordt voldaan aan het onder c genoemde criterium. Daarom laat zij in het midden of is voldaan aan de criteria genoemd onder a en b, van de Awb. De toelichting in de collegenota zou namelijk, was zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, niet tot een andere uitspraak hebben kunnen leiden. De Afdeling overweegt daartoe het volgende.

8.1. Uit de toelichting in de collegenota volgt, anders dan [verzoeker] betoogt, niet zonder meer dat het college de vergunning in weerwil van de regels van het oude bestemmingsplan heeft verleend. De Afdeling weegt daarbij mee dat de toelichting, mede gelet op de verschillende lezingen die [verzoeker] en het college daaraan geven, voor meerderlei uitleg vatbaar is. Daarbij komt dat de toelichting in de collegenota is opgesteld in het kader van de civielrechtelijke verkoop van de grond en zij daarom geen rol kon spelen bij de vergunningverlening.

9. Gelet op het vorenstaande zal de Afdeling het verzoek afwijzen.

10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Jurgens

voorzitter

w.g. Yildiz

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026

452/594-1175

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G.T.J.M. Jurgens
  • mr. B. Meijer
  • mr. V.V. Essenburg

Griffier

  • mr. S. Yildiz

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?