202207153/4/R1.
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in Uden, gemeente Maashorst,
2. [appellant sub 2], wonend in Uden, gemeente Maashorst,
3. [appellant sub 3], wonend in Uden, gemeente Maashorst,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Maashorst,
verweerder.
Procesverloop
In de tussenuitspraak van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:316, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 20 oktober 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebieden Kom Uden 2022" te herstellen.
[appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 1] en anderen hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Op verzoek van de raad heeft de Afdeling de hiervoor genoemde hersteltermijn van 16 weken verlengd tot en met 31 oktober 2025.
Op 20 oktober 2025 heeft de raad de Afdeling opnieuw verzocht om verlenging van de hersteltermijn. De Afdeling heeft dit verzoek afgewezen.
De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Tussenuitspraak en herstel van het gebrek
1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken het onder 5.1 van die uitspraak geconstateerde gebrek te herstellen door akoestisch onderzoek uit te laten voeren naar de gevolgen voor de geluidbelasting bij de percelen van appellanten van het gebruik van padelbanen binnen het sportcomplex en in het licht van de uitkomsten van dit onderzoek te bezien of een gewijzigde planregeling moet worden vastgesteld.
2. Op grond van artikel 8:51a, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplichtte de tussenuitspraak de raad ertoe het gebrek te herstellen binnen de daartoe gestelde termijn. De termijn is, ook na verlenging, ongebruikt verstreken, zodat de raad niet heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak. Het gebrek in het besluit van 20 oktober 2022 is dus niet hersteld.
Conclusie over de beroepen
3. De beroepen zijn alleen al hierom gegrond. Gelet op wat onder 5.1 in de tussenuitspraak is overwogen heeft de raad het besluit van 20 oktober 2022 genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Recreatie" op de gronden, kadastraal bekend gemeente Uden, UDN00-S-1330. Het besluit van 20 oktober 2022 wordt in zoverre vernietigd. De Afdeling zal de raad opdragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.
4. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, onder 18, zijn op een eventueel nieuw te nemen besluit de Omgevingswet en de daarbij behorende omgevingsrechtelijke regels van toepassing. Dat houdt onder meer in dat niet meer kan worden teruggevallen op het vóór 1 januari 2024 ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan, omdat in het ontwerpbestemmingsplan geen regels zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Overschrijding redelijke termijn
5. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben de Afdeling in afzonderlijke stukken, binnengekomen bij de Afdeling op 18 juni 2025, verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
[appellant sub 1] en anderen hebben de Afdeling in hun stuk, binnengekomen bij de Afdeling op 4 juli 2025, ook verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
5.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.
5.2. De Afdeling heeft de beroepschriften van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 1] en anderen ontvangen op 12 december 2022. Met aftrek van een periode van afgerond 6 maanden, te weten van 1 maart 2024 tot 9 september 2024, waarin overleg tussen partijen heeft plaatsgevonden, is de redelijke termijn in deze procedure dus met 9 maanden overschreden.
5.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Het bedrag van de schadevergoeding zou daarmee € 1.000 per persoon bedragen.
Daarbij wordt opgemerkt dat de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 1] en anderen gezamenlijk zijn behandeld en betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag per persoon te matigen. Het berekende bedrag aan schadevergoeding wordt gedeeld door het aantal belanghebbenden dat aan het geding heeft deelgenomen, met dien verstande dat aan een ieder van hen minimaal 25% van dat bedrag wordt toegekend. Dat betekent dat aan [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 1], [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] afzonderlijk een bedrag van € 250,00 moet worden toegekend. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure. Door de gezamenlijke behandeling hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op een totaalbedrag van € 1.500,00, namelijk 6 x € 250,00. Dit betekent voor [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 1], [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] ieder een bedrag van € 250,00.
6. De verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn worden toegewezen. In zaken waarin een bestuurlijke lus is toegepast, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan. De Afdeling ziet geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken.
Proceskosten
7. De raad moet de proceskosten vergoeden die [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep hebben gemaakt. De Afdeling ziet aanleiding om voor de vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hun beroepen op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van dat besluit te beschouwen als één zaak. De reden hiervoor is dat de door hen ingediende beroepschriften gelijkluidend zijn en zijn opgesteld door dezelfde beroepsmatige rechtsbijstandverlener. De beroepschriften zijn gelijktijdig op zitting behandeld. Ook op de zitting zijn zij door dezelfde beroepsmatige rechtsbijstandverlener bijgestaan. Daarom zal de veroordeling van de proceskosten ten behoeve van hen, ieder voor de helft, worden uitgesproken.
8. De raad moet ook de proceskosten vergoeden die [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 1] en anderen hebben gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling rekent daarvoor per verzoek 1 punt met een wegingsfactor van 0,5. De Afdeling ziet aanleiding om ook voor de vergoeding van de proceskosten voor het verzoek de verzoeken van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] te beschouwen als één zaak. De Afdeling zal de veroordeling van de proceskosten ook in zoverre ieder voor de helft uitspreken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] gegrond;
II. vernietigt het besluit van de raad van Maashorst van 20 oktober 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebieden Kom Uden 2022" wat betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie" op de gronden, kadastraal bekend gemeente Uden, UDN00-S-1330;
III. draagt de raad op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening;
IV. veroordeelt de raad tot vergoeding van bij:
- [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
V. gelast dat de raad het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:
- € 184,00 voor [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 184,00 voor [appellant sub 2];
- € 184,00 voor [appellant sub 3];
VI. wijst de verzoeken om schadevergoeding toe;
VII. veroordeelt de raad tot betaling aan [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 1], [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] ieder afzonderlijk een schadevergoeding van € 250,00;
VIII. veroordeelt de raad tot vergoeding van bij:
- [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. H. Benek, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen
voorzitter
w.g. Zwemstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026
91-1036