ECLI:NL:RVS:2026:1374

ECLI:NL:RVS:2026:1374

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 11-03-2026
Zaaknummer 202403875/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 24 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet een tijdelijke omgevingsvergunning voor de duur van drie jaar verleend aan Landgoed De Grote Bunte B.V. voor het huisvesten van vijftig arbeidsmigranten in de bestaande gebouwen op het perceel aan de Grote-Bunteweg 11 in Nunspeet. Landgoed De Grote Bunte B.V. is eigenaar van het perceel aan de Grote-Bunteweg 11 in Nunspeet. Het gaat om een landgoed met daarop een landhuis en andere gebouwen. Landgoed De Grote Bunte B.V. wil op het landgoed een woonzorgvoorziening en woonhuizen realiseren. In afwachting van de daarvoor benodigde vergunningen gebruikt zij de bestaande gebouwen op het landgoed voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Op 17 november 2021 heeft zij daarvoor een tijdelijke omgevingsvergunning aangevraagd. [appellant A] woont naast het perceel, aan de [locatie] in Nunspeet. Hij verwacht, mede door zijn ervaring met de arbeidsmigranten die eerder illegaal op het perceel gehuisvest werden, dat de huisvesting van arbeidsmigranten zijn woon- en leefklimaat onevenredig zal aantasten.

Uitspraak

202403875/1/R4.

Datum uitspraak: 11 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] ([appellant A]), wonend in Nunspeet,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 mei 2024 in zaak nr. 22/4189 in het geding tussen:

[appellant A]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet.

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2022 heeft het college een tijdelijke omgevingsvergunning voor de duur van drie jaar verleend aan Landgoed De Grote Bunte B.V. voor het huisvesten van vijftig arbeidsmigranten in de bestaande gebouwen op het perceel aan de Grote-Bunteweg 11 in Nunspeet.

Bij besluit van 11 juli 2022 heeft het college het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 juli 2022 vernietigd voor zover dat ziet op het voorschrift over de huisvesting van gezinnen/huishoudens met kinderen, het besluit van 24 januari 2022 herroepen voor zover daarbij dat voorschrift is gesteld en bepaald dat de uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 11 juli 2022.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant A] hoger beroep ingesteld.

Landgoed De Grote Bunte B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college, [appellant A] en Landgoed De Grote Bunte B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met de zaken nrs. 202204580/1/R4 en 202403599/1/R4 op een zitting behandeld op 31 oktober 2025, waar [appellant A], bijgestaan door mr. L.M.A. Schrieder, rechtsbijstandsverlener in Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.M.C. van Leeuwen, advocaat in Arnhem, en mr. E. Bouma, zijn verschenen. Verder is op zitting Landgoed De Grote Bunte B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], als partij gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 17 november 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. Landgoed De Grote Bunte B.V. is eigenaar van het perceel aan de Grote-Bunteweg 11 in Nunspeet. Het gaat om een landgoed met daarop een landhuis en andere gebouwen. Landgoed De Grote Bunte B.V. wil op het landgoed een woonzorgvoorziening en woonhuizen realiseren. In afwachting van de daarvoor benodigde vergunningen gebruikt zij de bestaande gebouwen op het landgoed voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Op 17 november 2021 heeft zij daarvoor een tijdelijke omgevingsvergunning aangevraagd.

Bij het besluit van 24 januari 2022 heeft het college deze vergunning verleend voor het gebruiken van bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, en het wijzigen van een monument, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Molenbeek". De aanvraag heeft betrekking op het gedeelte van het perceel met de bestemming "Maatschappelijk". Het aangevraagde gebruik is in strijd met de planregels, omdat het gebruik niet past binnen die bestemming.

Het college heeft de afwijking van het bestemmingsplan vergund voor de duur van drie jaar, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.

[appellant A] woont naast het perceel, aan de [locatie] in Nunspeet. Hij verwacht, mede door zijn ervaring met de arbeidsmigranten die eerder illegaal op het perceel gehuisvest werden, dat de huisvesting van arbeidsmigranten zijn woon- en leefklimaat onevenredig zal aantasten.

Terughoudende toetsing

3. [appellant A] betoogt dat de rechtbank het besluit van 11 juli 2022 te terughoudend heeft getoetst. Hij wijst er daarbij op dat de rechtbank in overweging 5 stelt dat zij niet zelf oordeelt of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar dat zij aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of het besluit in overeenstemming is met het recht en dat daarbij aan de orde kan komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

3.1. In overweging 5 heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen, gevolgd door de door [appellant A] aangehaalde passages. De rechtbank verwijst hierbij terecht naar de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1136. Gelet op die uitspraak heeft de rechtbank het juiste toetsingskader gehanteerd.

Het betoog slaagt niet.

Woon- en leefklimaat

4. [appellant A] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen sprake is van een onevenredige inbreuk op zijn woon- en leefklimaat. Volgens hem is dat wel het geval, omdat het logiesgebouw te dicht bij zijn perceel ligt en het aantal van vijftig arbeidsmigranten te veel is. De vergelijking die het college heeft gemaakt tussen de gebruiksmogelijkheden onder het bestemmingsplan "Molenbeek" en de huisvesting van arbeidsmigranten is volgens hem onjuist. Hij stelt dat de aanvraag bepalend is en dat het college de aangevraagde huisvesting van arbeidsmigranten op zichzelf had moeten beoordelen, omdat die activiteit volgens het bestemmingsplan geheel niet was toegestaan. Daarnaast vreest hij dat de arbeidsmigranten overlast zullen veroorzaken, met name op het buitenterrein. Door zijn ervaring met de eerdere illegale huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel, heeft hij er geen vertrouwen in dat het college de vergunningvoorschriften zal handhaven. Volgens hem heeft rechtbank ten onrechte overwogen dat zijn beroepsgronden over het niet naleven van de vergunningvoorschriften niet aan de orde kunnen komen.

4.1. Naar het oordeel van de Afdeling is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat de verleende omgevingsvergunning geen onevenredige inbreuk maakt op het woon- en leefklimaat van [appellant A]. Het college heeft de ruimtelijke gevolgen van de aangevraagde huisvesting van vijftig arbeidsmigranten terecht vergeleken met de ruimtelijke gevolgen van het gebruik dat is toegestaan op grond van het bestemmingsplan, in het bijzonder het voormalige gebruik als logieslocatie voor grote groepen van maximaal 136 kinderen en jongeren. Daarbij wijst het college er terecht op dat het in beide gevallen gaat om verblijf van grote groepen mensen en dat de ruimtelijke gevolgen in zoverre vergelijkbaar zijn. Verder heeft het college voorschriften aan de vergunning verbonden ter voorkoming en beperking van negatieve gevolgen die specifiek te verwachten zijn bij de aangevraagde huisvesting van arbeidsmigranten. De naleving van deze voorschriften is een kwestie van handhaving. De vraag of het college daadwerkelijk zal optreden tegen eventuele overtredingen van de vergunningvoorschriften, heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de beroepsgronden die zien op het niet naleven van de vergunningsvoorschriften, niet aan de orde kunnen komen in deze procedure over de omgevingsvergunning.

Het betoog slaagt niet.

Ingetrokken betoog

5. Op de zitting heeft [appellant A] zijn betoog over het voorsorteren door het college op het bestemmingsplan "Parapluplan Onzelfstandige Bewoning en Logies Arbeidsmigranten / Seizoenarbeiders e.a." ingetrokken.

Overige gronden

6. De gronden die [appellant A] voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd, over de onderbouwing van de termijn van drie jaar en het begrip "hoofdzakelijk", zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant A] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7.3 en 11.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

w.g. Gundelach

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kors

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026

687-1069

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.S. Kors

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?