202505504/1/A2.
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van de Hogeschool Utrecht (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 17 juli 2025 heeft de examencommissie van het Instituut voor Ecologische Pedagogiek (de examencommissie) het verzoek van [appellante] om een vervangende opdracht voor het onderwijsonderdeel Pedagogische Praktijk 4 (het onderwijsonderdeel) afgewezen.
Bij beslissing van 21 oktober 2025 heeft het CBE het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 februari 2026, waar het CBE, vertegenwoordigd door mr. L. Kooijmans, N.T.E. Westerik (MA) en dr. L.M. Vermeulen, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] volgt de voltijds bacheloropleiding Pedagogiek aan de Hogeschool Utrecht (de bacheloropleiding). In studiejaar 2024-2025 heeft zij deelgenomen aan het onderwijsonderdeel. Daarvoor moet de student onder meer een stage lopen.
2. Voor de eerste kans van het onderwijsonderdeel is een Niet Voldaan (NVD) geregistreerd. [appellante] is vervolgens door de examinator in de gelegenheid gesteld om alsnog te voldoen aan de vereisten van de eerste kans, onder meer door een praktijkverlenging van vier tot zes weken bij een ander stagebedrijf, op basis waarvan een nieuw verslag moet worden geschreven.
3. [appellante] heeft de examencommissie verzocht om een alternatieve opdracht voor het onderwijsonderdeel. Zij is het niet eens met de door de examinator gestelde wijze waarop zij het onderwijsonderdeel moet afronden.
4. De examencommissie heeft zich op het standpunt gesteld dat de eerste kans voor het onderwijsonderdeel nog niet inhoudelijk is beoordeeld. De vermelding ‘NVD’ is een voorwaardelijk criterium en is vastgesteld omdat de stage van [appellante] voortijdig was afgebroken. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarden voor het toewijzen van een alternatieve toetsvorm, als opgenomen in de Studiegids 2024-2025 van de Bachelor Pedagogiek voltijd (de Studiegids).
Beslissing van het CBE
5. Het CBE heeft het standpunt ingenomen dat niet is voldaan aan de voorwaarden, gesteld in artikel 4.6 van de Studiegids. Zo heeft [appellante] niet tweemaal deelgenomen aan de reguliere toets van het onderwijsonderdeel, waarvoor om een alternatieve toetswijze wordt gevraagd. Zij heeft daaraan pas één keer deelgenomen, maar daarvoor heeft nog geen inhoudelijke beoordeling plaatsgevonden. Het enkel indienen van documenten betekent niet dat zij ook een toetskans heeft benut. Verder kan de vermelding ‘NVD’ niet worden gezien als een inhoudelijke beoordeling van de ingeleverde toetsproducten, maar vloeit dit voort uit het voortijdig afbreken van de stage; het is feedback binnen een nog niet afgerond toetsproces.
Het CBE heeft verder geconcludeerd dat [appellante] geen studievertraging van ten minste drie maanden oploopt, omdat haar verzoek is afgewezen. Dat het lastig is om op korte termijn een nieuwe stageplaats te vinden, vormt op zichzelf geen grond om af te wijken van de in de Studiegids opgenomen cumulatieve voorwaarden voor een alternatieve toetsvorm. Verder zijn er verschillende mogelijkheden om alsnog te voldoen aan de vereiste om de resterende stage-uren te volbrengen. Ook heeft [appellante] geen positief advies van de docent of examinator ingebracht over de alternatieve toetsvorm.
6. Het CBE heeft tot slot gesteld dat het niet aannemelijk is dat er bijzondere omstandigheden zijn die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. De door [appellante] aangevoerde argumenten zijn uitvoeringsproblemen. Daarnaast heeft de examencommissie alternatieve mogelijkheden naar voren gebracht om de benodigde competenties te behalen op een andere stageplek.
Beoordeling van het beroep
7. [appellante] betoogt dat het CBE ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor een alternatieve toetsvorm voor het onderwijsonderdeel. Zij heeft zowel in mei 2025 als augustus 2025 aan een toetskans deelgenomen.
7.1. In artikel 4.5.3 van de Studiegids staat:
"Alternatieve toetsvorm
Naast een extra toetskans kun je de examencommissie ook om een alternatieve toetsvorm vragen. Dit houdt in dat je de toets in een andere dan de reguliere toetsvorm aflegt. De examencommissie kan met een dergelijk verzoek instemmen als:
• je recht hebt op een toetskans, én
• je al minimaal twee keer hebt deelgenomen aan de reguliere toets, én
• een vakdocent een positief advies geeft, én
• er een studie- of afstudeervertraging van ten minste drie maanden dreigt te ontstaan.
De examencommissie kan ook een alternatieve toetsvorm toekennen als de student door overmacht of persoonlijke omstandigheden, waaronder financiële, niet kan deelnemen aan een verplichte introductie, excursie of werkweek."
7.2. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6340, heeft geoordeeld, is de registratie van de aantekening ‘NVD’ in het geval van [appellante] een feitelijke handeling die niet is gericht op rechtsgevolg. Het is namelijk geen definitieve beoordeling van het onderwijsonderdeel. [appellante] mag de stage-uren die zij bij SKC heeft gelopen optellen bij stage-uren bij een andere instelling. Daarmee heeft de examinator haar feitelijk in staat gesteld om haar stage-uren bij een andere instelling af te maken om op deze wijze alsnog de eerste kans van het onderwijsonderdeel af te ronden. De zogenoemde herkansing is dus een nadere invulling van de voortzetting van de eerste toetskans. Niet is gebleken dat [appellante] de eerste kans voor het onderwijsonderdeel heeft afgerond. Ook heeft [appellante] niet onderbouwd dat zij in mei 2025 en augustus 2025 heeft deelgenomen aan een toetskans voor het onderwijsonderdeel. Dit volgt niet uit het studievoortgangsoverzicht en [appellante] is niet op de zitting bij de Afdeling verschenen om deze stelling toe te lichten. Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de in artikel 4.5.3. van de Studiegids opgenomen voorwaarde dat aan minimaal twee toetskansen voor het vak moet zijn deelgenomen, alvorens het verzoek tot een alternatieve toetsvorm wordt toegewezen. [appellante] heeft verder geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan kan worden geoordeeld dat zij door overmacht of persoonlijke omstandigheden niet kon deelnemen aan de toetskansen voor het onderwijsonderdeel.
7.3. Omdat [appellante] niet twee keer had deelgenomen aan de reguliere toets, kwam [appellante] alleen al om die reden niet in aanmerking voor een alternatieve toetsvorm. Het CBE heeft dus terecht het standpunt ingenomen de examencommissie het verzoek van [appellante] mocht afwijzen. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond.
9. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026
1062