202505802/1/A2.
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van Avans Hogeschool (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 12 maart 2025 heeft de examinator de herkansing van [appellante] voor de stage WGVPBP4_22 (de stage) beoordeeld met het cijfer 5,3.
Bij beslissing van 2 oktober 2025 heeft het CBE het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 februari 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. J. Paijmans, advocaat in Utrecht, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. R.H.J. van Stokkom en drs. E.W.M. Schipper, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] volgt in studiejaar 2024-2025 de opleiding Verpleegkunde aan de Academie voor Welzijn en Gezondheid van Avans Hogeschool. Het eerste semester van het vierde studiejaar bevat een stage. Halverwege die stage wordt een formatief Criterium Gericht Interview (CGI), een tussenevaluatie, gehouden. Aan het eind van de stage wordt een summatieve CGI gehouden. Dit laatste is de definitieve beoordeling.
2. [appellante] heeft de stage gelopen bij het Jeroen Bosch ziekenhuis in Den Bosch. Zij heeft op 15 januari 2025 voor de eerste keer deelgenomen aan de summatieve CGI. Die is beoordeeld met een onvoldoende. Vervolgens heeft [appellante] op 11 maart 2025 deelgenomen aan de herkansing. Ook de herkansing is door de examinator beoordeeld met een onvoldoende (een 5,3).
Beroep
3. [appellante] betoogt dat de beoordeling door de examinator in strijd is met het motiveringsbeginsel. Omdat de examinator tijdens de herkansing heeft gezegd dat de beoordeling "net voldoende of net onvoldoende" zal zijn, had hij uitgebreider moeten motiveren waarom de beoordeling toch niet een voldoende is geworden. Vanwege de gebrekkige motivering was ook voor het CBE niet duidelijk waarom [appellante] een onvoldoende heeft gekregen, waardoor het CBE niet heeft kunnen toetsen of de examinator conform ‘voorschriften van procedurele aard die bij of krachtens de Awb of enig andere wet in formele zijn gesteld’ heeft gehandeld.
4. [appellante] betoogt verder dat de beoordeling door de examinator onzorgvuldig tot stand is gekomen. Uit het beoordelingsformulier, behorende bij de summatieve CGI, had zij niet kunnen afleiden dat zij voor een voldoende beoordeling bij ‘persoonlijke reflectie’ ook gedurende het toetsmoment expliciet moest reflecteren op de samenwerking met collega’s. Ook haar werkbegeleiders hebben dit tijdens de stage niet aan [appellante] laten weten. Verder zijn de gevolgen van de gebrekkige begeleiding tijdens de stage ten onrechte voor rekening en risico van [appellante] gekomen.
Beoordeling van het beroep
5. In deze procedure ligt de vraag voor of de examinator de herkansing van [appellante] voor de stage heeft mogen beoordelen met het cijfer 5,3.
6. Met het CBE is de Afdeling van oordeel dat de beoordeling niet in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dat de examinator na afloop van de herkansing mondeling heeft aangegeven dat de beoordeling "net voldoende of net onvoldoende" is, maakt, anders dan [appellante] betoogt, niet dat hij de beoordeling uitgebreider had moeten motiveren. De examinator heeft met inachtneming van het vooraf vastgestelde en bekendgemaakte beoordelingsformulier bepaald dat [appellante] 27 van de 40 punten heeft behaald, waarbij per onderdeel is gemotiveerd waarom de punten wel of niet zijn toegekend. Nu de examinator de beoordeling inzichtelijk heeft gemotiveerd, wordt [appellante] niet gevolgd in haar betoog dat het CBE de beoordeling niet op een juiste wijze heeft kunnen toetsen.
7. Het CBE heeft naar het oordeel van de Afdeling verder terecht het standpunt ingenomen dat de beoordeling door de examinator niet in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Voorop staat dat het beoordelingsformulier, behorende bij de summatieve CGI, van tevoren aan [appellante] bekend is gemaakt via Brightspace. In dit formulier staat als toelichting bij het eerste onderdeel ‘waar werk je naartoe?’: "Vanuit persoonlijk leiderschap kan ik zelfstandig voortdurend en methodisch reflecteren op mijn eigen handelen in de samenwerking met de zorgvrager en anders zorgverleners […]." [appellante] had hieruit kunnen afleiden dat zij tijdens het beoordelingsgesprek moet reflecteren op de samenwerking met haar collega’s. Dat haar werkbegeleiders van de stage haar niet hebben gewezen op dit beoordelingscriterium en de examinator haar niet expliciet op dit punt heeft bevraagd, doet daaraan niet af. Het is de verantwoordelijkheid van de student om te laten zien dat zij in voldoende mate beschikt over de kwaliteiten die worden getoetst, zoals kenbaar gemaakt in het beoordelingsformulier. Verder maakt de omstandigheid dat [appellante] en de examinator tijdens de eerste kans zijn overvallen met de mededeling door de werkbegeleiders dat [appellante] niet functioneert op het benodigde niveau, niet dat de beoordeling van de herkansing onzorgvuldig is. Daargelaten de vraag wat de invloed daarvan was op de (beoordeling van) de herkansing, is de examinator op grond van artikel 6.6 van de Onderwijs- en Examenregeling 2024-2025 zelfstandig en met inachtneming van het vooraf vastgestelde en bekendgemaakte beoordelingsformulier gekomen tot het cijfer 5,3. Voorts heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij onvoldoende door de examinator is begeleid. In dit verband is van belang dat de examinator, nadat [appellante] heeft gemeld dat zij de sfeer op de stage als onprettig ervaart, tijdens de stage op de werkplek langs gekomen om met de werkbegeleiders in gesprek te gaan over de begeleiding van [appellante].
8. Gelet op het voorgaande heeft het CBE terecht geconcludeerd dat de beoordeling van de examinator in stand kan blijven.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond.
10. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026
1062