ECLI:NL:RVS:2026:1377

ECLI:NL:RVS:2026:1377

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 11-03-2026
Zaaknummer 202307313/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 10 juli 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop aan Liander N.V. een vergunning verleend voor het plaatsen van een transformatorstation nabij de [locatie] in Zevenhoven. Deze zaak gaat over een transformatorstation dat door Liander N.V. is aangelegd in Zevenhoven, in de gemeente Nieuwkoop. Liander N.V. heeft voor het plaatsen van het transformatorstation op 29 juni 2020 "onder protest" een aanvraag om een vergunning ingediend. Zij is namelijk van mening dat deze activiteit vergunningvrij is. Hoewel deze aanvraag bij besluit van 10 juli 2020 door het college werd ingewilligd, is Liander N.V. daarom toch tegen dit besluit in bezwaar gegaan. Nadat dit bezwaar bij besluit van 9 december 2020 ongegrond is verklaard, is Liander N.V. daartegen in beroep gegaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vergunningplicht die door artikel 5, eerste lid, van de Algemene Verordening Kabels en Leidingen gemeente Nieuwkoop 2020 in het leven is geroepen, geen onaanvaardbare doorkruising van het systeem van vergunningsvrij bouwen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht oplevert.

Uitspraak

202307313/1/R3.

Datum uitspraak: 11 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Liander N.V., gevestigd in Duiven,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 oktober 2023 in zaak nr. 21/375 in het geding tussen:

Liander N.V.

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2020 heeft het college aan Liander N.V. een vergunning verleend voor het plaatsen van een transformatorstation nabij de [locatie] in Zevenhoven.

Bij besluit van 9 december 2020 heeft het college het door Liander N.V. daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 oktober 2023 heeft de rechtbank het door Liander N.V. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft Liander N.V. hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 september 2025, waar Liander N.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B] en bijgestaan door mr. J.W.M. Hagelaars, advocaat in Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door ing. A.C.M. van der Vlugt en M. van Graas en bijgestaan door mr. C.J.R. van Binsbergen en mr. E.J.H. Plambeck, beiden advocaat in Bodegraven, zijn verschenen. Verder is de raad van de gemeente Nieuwkoop, eveneens vertegenwoordigd door ing. A.C.M. van der Vlugt en M. van Graas en bijgestaan door mr. C.J.R. van Binsbergen en mr. E.J.H. Plambeck, beiden advocaat in Bodegraven, op de zitting gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing.

Inleiding

2. Deze zaak gaat over een transformatorstation dat door Liander N.V. is aangelegd in Zevenhoven, in de gemeente Nieuwkoop. Liander N.V. heeft voor het plaatsen van het transformatorstation op 29 juni 2020 "onder protest" een aanvraag om een vergunning ingediend. Zij is namelijk van mening dat deze activiteit vergunningvrij is. Hoewel deze aanvraag bij besluit van 10 juli 2020 door het college werd ingewilligd, is Liander N.V. daarom toch tegen dit besluit in bezwaar gegaan. Nadat dit bezwaar bij besluit van 9 december 2020 ongegrond is verklaard, is Liander N.V. daartegen in beroep gegaan.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vergunningplicht die door artikel 5, eerste lid, van de Algemene Verordening Kabels en Leidingen gemeente Nieuwkoop 2020 (hierna: de AVKL) in het leven is geroepen, geen onaanvaardbare doorkruising van het systeem van vergunningsvrij bouwen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) oplevert. De rechtbank heeft die bepaling van de AVKL daarom niet onverbindend verklaard of buiten toepassing gelaten. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat beide regelingen zien op een ander object en zijn vastgesteld met een ander motief, waardoor er geen sprake is van strijd met artikel 121 van de Gemeentewet. Ook anderszins is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onaanvaardbare doorkruising of van détournement de pouvoir.

4. Liander N.V. is het niet eens met deze uitspraak. Zij vindt dat de rechtbank artikel 5 van de AVKL onverbindend had moeten verklaren. Volgens Liander N.V. is er namelijk wel sprake van een onaanvaardbare doorkruising van hogere regelgeving en détournement de pouvoir.

5. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van de uitspraak.

De hoger beroepsgronden

Geen vergunningplicht

6. Liander N.V. betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er geen vergunningplicht is op grond van artikel 5, eerste lid, van de AVKL. Volgens haar is dit artikel namelijk onverbindend. Hiertoe voert zij verschillende gronden aan, die hierna onder 8 en verder worden besproken.

Beoordelingskader exceptieve toetsing algemeen verbindend voorschrift

7. Een rechter kan een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is, in een zaak over een besluit dat op dat voorschrift gebaseerd is, toetsen op rechtmatigheid. In het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of het voorschrift niet in strijd is met hogere regelgeving. De rechter komt ook de bevoegdheid toe te beoordelen of dat algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het besluit waarover de zaak gaat. Bij die indirecte toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer, waarbij de toetsing wordt verricht op de wijze zoals de Afdeling die heeft uiteengezet in haar uitspraak van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452.

Détournement de pouvoir

8. Liander N.V. voert ten eerste aan dat de rechtbank heeft miskend dat de raad met de AVKL misbruik maakt van haar bevoegdheid. Alhoewel de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het enkele weigeren van het verkopen van grond of het vestigen van een opstalrecht onvoldoende is voor strijd met het verbod op détournement de pouvoir, is zij daarmee voorbij gegaan aan de andere omstandigheden die in dit geval spelen. Omdat de gemeente geen opstalrechten wil vestigen ten behoeve van kabels, leidingen, en toebehoren, is er via een publiekrechtelijke weg een vergunningplicht in het leven geroepen. Liander N.V. verwijst in dit kader naar een opmerking van het college in het voorstel om de AVKL vast te stellen, waarin als motivering voor de vaststelling wordt genoemd dat de verkoop van gronden aan netbeheerders of het vestigen van opstalrechten niet meer noodzakelijk zal zijn.

8.1. De Afdeling ziet, net als de rechtbank, geen grond voor het oordeel dat de raad met het vaststellen van de AVKL misbruik heeft gemaakt van zijn algemene verordenende bevoegdheid. De enkele omstandigheid dat het college in zijn voorstel om de AVKL vast te stellen schrijft dat een van de gevolgen daarvan is dat er geen opstalrechten meer hoeven te worden gevestigd en dat geen gronden hoeven te worden verkocht aan netbeheerders, betekent nog niet dat de raad zijn bevoegdheid heeft aangewend voor een ander doel dan waarvoor die is verleend. Nog los van het antwoord op de vraag of het alleen met dit doel gebruiken van de bevoegdheid van artikel 149 van de Gemeentewet misbruik daarvan zou betekenen, stelt de Afdeling namelijk het volgende vast. In het collegevoorstel worden ook nog verschillende andere argumenten voor de vaststelling van de verordening genoemd, zoals het bereiken van uniformiteit in het kader van handhaving en het stellen van striktere regels aan het verwijderen van in onbruik geraakte leidingen. Deze argumenten bieden geen grond voor het oordeel dat de raad met het vaststellen van de AVKL misbruik heeft gemaakt van zijn algemene verordenende bevoegdheid.

Het betoog slaagt niet.

Strijd met artikel 121 Gemeentewet

9. Liander N.V. voert daarnaast aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 5, eerste lid, van de AVKL op een ander object ziet en met een ander motief is vastgesteld dan artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 2, aanhef en onderdeel 18, van bijlage II van het Bor.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, betekent het feit dat de AVKL, naast bouwen, ook op andere activiteiten ziet volgens Liander N.V. niet dat er sprake is van een ander object dan dat van de regeling in de Wabo/het Bor. De rechtbank heeft met dit oordeel namelijk miskend dat het hier gaat om de vraag of het object van beide regelingen hetzelfde is voor de situatie die zich hier in het bijzonder voordoet: het plaatsen van een transformatorstation. Het feit dat de AVKL naast een vergunningplicht voor het bouwen van een transformatorstation ook voor andere activiteiten een vergunningplicht in het leven roept, maakt nog niet dat deze verordening niet op hetzelfde object ziet als de Wabo, voor zover een vergunningplicht in het leven wordt geroepen voor het plaatsen van een transformatorstation.

Daarnaast heeft de rechtbank volgens Liander N.V. ten onrechte geoordeeld dat beide regelingen met een ander motief zijn vastgesteld, omdat de AVKL zou zien op de uitvoering van werkzaamheden in de openbare ruimte, terwijl de Wabo ziet op activiteiten die van invloed kunnen zijn op de inrichting van de openbare ruimte. Liander N.V. stelt voorop dat de rechtbank het motief van de Wabo in dit kader te beperkt heeft uitgelegd. Onder dit motief valt niet alleen de inrichting van de openbare ruimte, maar vallen ook activiteiten in bredere zin die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving. Voor zover het de plaatsing van transformatorstations betreft, heeft de AVKL ditzelfde motief. Liander N.V. wijst in dit kader ook op de weigeringsgronden voor verlening van de vergunning die in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, d, en e, van de AVKL zijn opgenomen. Uit deze weigeringsgronden kan worden opgemaakt dat de in de beoordeling van een vergunningaanvraag mee te wegen belangen onder andere zien op de fysieke leefomgeving: de bescherming van groenvoorzieningen, het doelmatig gebruik van gronden en gebouwen, en het beheer en onderhoud van openbare gronden. De andere weigeringsgronden zijn volgens Liander N.V., anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet relevant bij het plaatsen van een transformatorstation, omdat het verkeer daarbij maar zelden wordt gestoord. De rechtbank heeft het ook ten onrechte relevant geacht dat in de toelichting bij de AVKL staat dat het doel daarvan is om "de regie en coördinatie te regelen met betrekking tot werkzaamheden die nodig zijn voor de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen in openbare grond binnen de gemeentegrenzen". Bij de bouw van een transformatorstation is namelijk geen regie nodig voor ondergrondse infrastructuur, omdat het om een fysiek, bovengronds bouwwerk gaat.

9.1. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel 18 van Bijlage II van het Bor, voor het bouwen van het transformatorstation en het voor dit transformatorstation gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de Wabo is vereist. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de AVKL is voor het plaatsen van een transformatorstation wel een vergunning vereist.

9.2. Voor de beantwoording van de vraag of een gemeentelijke verordening in strijd met artikel 121 van de Gemeentewet is vastgesteld, is het noodzakelijk om vast te stellen of de verordening in hetzelfde onderwerp voorziet als een wet in formele zin, een algemene maatregel van bestuur of een provinciale verordening (samen: hogere regeling). Er is sprake van eenzelfde onderwerp in de zin van dat artikel, als de verordening en de hogere regeling beide met hetzelfde motief zijn vastgesteld en zien op hetzelfde object. Dat laatste wil zeggen, dezelfde genormeerde gedraging. Als de verordening in die zin voorziet in hetzelfde onderwerp als de hogere regeling en daarmee in strijd is, dan is de verordening in strijd met artikel 121 van de Gemeentewet vastgesteld.

9.3. Hoewel de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel is dat beide regelingen wel zien op hetzelfde object, heeft de rechtbank terecht overwogen dat beide regelingen met een ander motief zijn vastgesteld, zodat er geen sprake is van hetzelfde onderwerp in de zin van artikel 121 van de Gemeentewet. Hiertoe overweegt de Afdeling als volgt.

9.4. De Wabo/het Bor zien op activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving. Daaronder valt ook het plaatsen van een transformatorstation, wat in artikel 5, eerste lid, van de AVKL wordt genormeerd. Het feit dat de AVKL daarnaast ook andere activiteiten van netbeheerders reguleert, maakt dit niet anders. De Afdeling oordeelt daarom, anders dan de rechtbank, dat beide regelingen zien op dezelfde genormeerde gedraging en daarmee op hetzelfde object.

Maar dit betekent naar het oordeel van de Afdeling nog niet dat sprake is van hetzelfde onderwerp in de zin van artikel 121 van de Gemeentewet, omdat beide regelingen, voor zover hier relevant, zijn vastgesteld met ander motief. De rechtbank oordeelde in gelijke zin. Uit de toelichting van de AVKL volgt namelijk dat deze ook het uniform regelen van de regie en coördinatie met betrekking tot werkzaamheden die nodig zijn voor de aanleg, instandhouding en opruiming van alle kabels en/of leidingen in openbare gronden binnen de gemeentegrenzen, en de minimalisatie van overlast en maatschappelijke kosten ten gevolge van werkzaamheden in de publieke ruimte tot doel heeft. De raad heeft daarnaast op de zitting toegelicht dat het motief voor de vaststelling van de vergunningplicht in het AVKL is gelegen in de wens om meer controle over ingrijpende werkzaamheden te krijgen, zodat vanuit de gemeente gecoördineerd kan worden door wie, waar en wanneer deze werkzaamheden worden uitgevoerd, waarmee de overlast en maatschappelijke kosten geminimaliseerd kunnen worden. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, reguleren de Wabo/het Bor activiteiten die van invloed kunnen zijn op de (inrichting van) de fysieke leefomgeving, zodat deze geen onaanvaardbare afbreuk doen aan een goede woon- en leefomgeving. Bij een bouw- of een gebruiksactiviteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, van de Wabo, gaat het ook om regulering uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Het motief van de regeling in de AVKL, te weten, de coördinatie van werkzaamheden in de publieke ruimte ter voorkoming van overlast, is geen motief waarop de Wabo/het Bor zien, zodat deze coördinatie dan ook niet door de Wabo/het Bor gereguleerd wordt.

Het feit dat volgens Liander N.V. voor het plaatsen van een transformatorstation geen ondergrondse werkzaamheden gecoördineerd hoeven te worden, en dat het verkeer daarbij zelden verstoord wordt, maakt dit naar het oordeel van de Afdeling niet anders. Dat in een concreet geval coördinatie mogelijk minder nodig is of het verstoren van het verkeer minder aan de orde is, doet namelijk niet af aan de motieven van de raad voor regulering in de AVKL. Daarnaast volgt uit de bij de AVKL en op de zitting gegeven toelichting dat de reden voor de regulering van het plaatsen van een transformatorstation gelegen is in de wens om de werkzaamheden in de publieke ruimte vanuit de gemeente te kunnen coördineren. De rechtbank heeft in dit kader terecht overwogen dat dit ook volgt uit de weigeringsgronden uit artikel 8 van de AVKL. Anders dan Liander N.V. betoogt, zien deze weigeringsgronden voornamelijk op het voorkomen van overlast en het coördineren van werkzaamheden in verband met andere werkzaamheden en evenementen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank daarom terecht overwogen dat beide regelingen met een ander motief zijn vastgesteld. Artikel 5, eerste lid, van de AVKL is daarom niet in strijd met artikel 121 van de Gemeentewet.

Het betoog slaagt niet.

Doorkruising anderszins

10. Liander N.V. voert als laatste aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er, ook als er geen sprake is van hetzelfde object en motief, anderszins geen sprake is van doorkruising van hogere regelgeving. Het oordeel van de rechtbank dat de AVKL alleen aanlegactiviteiten reguleert is volgens Liander N.V. onjuist. Een transformatorstation is namelijk een bouwwerk in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Er is in dit geval geen sprake van een situatie waarin een aanlegvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, vereist is. De wetgever heeft er in de Wabo en het Bor expliciet voor gekozen om de plaatsing van transformatorstations vergunningvrij te maken. Deze hogere regelgeving wordt gefrustreerd door de AVKL. Het is volgens Liander N.V. evident niet de bedoeling van de wetgever geweest dat gemeentes voor het plaatsen van bouwwerken, naast de Wabo, hun eigen vergunningsstelsels in het leven zouden gaan roepen. De omstandigheid dat de vergunningplicht op grond van de AVKL weinig ingrijpend zou zijn, omdat de eisen voor inwilliging van een aanvraag niet hoog zijn, maakt dit niet anders. Volgens Liander N.V. betekent de vergunningplicht op zichzelf al dat er sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van hogere wetgeving.

10.1. Ook als een lagere regeling niet in strijd is met artikel 121 van de Gemeentewet, omdat er geen sprake is van hetzelfde onderwerp, mag deze lagere regeling niet anderszins in strijd zijn met een hogere regeling. Bij de vraag of er sprake is van strijd met een hogere regeling, is het onder meer van belang of de hogere regeling uitputtend is bedoeld en of de gemeentelijke regeling afbreuk doet aan de materiële bepalingen van de hogere regeling.

10.2. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat er in dit geval sprake is van doorkruising van hogere regelgeving. Hiertoe overweegt de Afdeling als volgt.

De Afdeling leidt uit de geschiedenis van de totstandkoming van het Bor af dat de wetgever er expliciet voor heeft gekozen om het bouwen van nutsvoorzieningen van geringe omvang vergunningvrij te maken en daarbij bedoeld heeft om deze regeling uitputtend te maken. Uit de nota van toelichting bij het Bor blijkt dat de wetgever daarbij heeft "gezocht naar mogelijkheden om het vergunningvrije bouwen verder te verruimen" (Stb. 2010, 143, p. 122). Bij de toelichting van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel 18, in het bijzonder (zie p. 152) wordt gewezen op de doorontwikkeling van de regeling van het vergunningvrij bouwen van bouwwerken ten behoeve van de infrastructuur of openbare voorzieningen, die blijkt uit verschillende wijzigingen van het eerdere Besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken. Uit de nota’s van toelichting (Stb. 2008, 94, p. 3-4 en Stb. 2004, 291, p. 3) bij deze wijzigingen leidt de Afdeling af dat de wetgever er op verschillende momenten expliciet voor heeft gekozen om het bouwen van deze bouwwerken van geringe omvang vergunningvrij te maken of te houden.

Met de regeling in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 2, aanhef en onderdeel 18, van bijlage II van het Bor, heeft de wetgever er bewust voor gekozen om het bouwen van bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen, wanneer deze niet hoger zijn dan 3 m en een oppervlakte hebben van minder dan 15 m², vergunningvrij te maken. Artikel 5, eerste lid, van de AVKL doet hier afbreuk aan door voor de bovengrondse werkzaamheden in de vorm van het plaatsen van een transformatorstation alsnog een vergunningplicht in het leven te roepen. Feitelijk betekent dit namelijk dat er toch nog een vergunning moet worden aangevraagd voor het bouwen van een transformatorstation, ook als deze voldoet aan de eisen vermeld in artikel 2, aanhef en onderdeel 18, van bijlage II van het Bor, zoals het transformatorstation waar Liander N.V. een aanvraag voor heeft ingediend.

Het betoog slaagt.

11. Dit betekent dat artikel 5, eerste lid, van de AVKL in strijd is met hogere regelgeving, namelijk de Wabo en het Bor. De Afdeling ziet geen aanleiding om deze bepaling onverbindend te verklaren, omdat deze ook ziet op werkzaamheden van ingrijpende aard in de zin van de AVKL, zoals het plaatsen van nutsvoorzieningen die hoger dan 3 m zijn of een oppervlakte hebben van meer dan 15 m², terwijl die niet vergunningvrij zijn in de zin van de Wabo en het Bor. Deze bepaling uit de AVKL is daarom niet in alle gevallen in strijd met deze hogere regeling. De Afdeling ziet wel aanleiding om artikel 5, eerste lid, van de AVKL in dit geval buiten toepassing te laten. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet gedaan.

Conclusie

12. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van Liander N.V. tegen het besluit van 9 december 2020 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. De Afdeling zal het besluit van 10 juli 2020 herroepen, de aanvraag van Liander N.V. om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van het transformatorstation afwijzen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 9 december 2020.

13. Het college moet de proceskosten van Liander N.V. betalen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van Liander N.V. gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 oktober 2023 in zaak nr. 21/375;

III. verklaart het beroep van Liander N.V. gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop van 9 december 2020, kenmerk 5059242;

V. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop van 10 juli 2020, kenmerk 190518;

VI. wijst de aanvraag van Liander N.V. om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van het transformatorstation af;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop van 9 december 2020, kenmerk 5059242;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop tot vergoeding van bij Liander N.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop aan Liander N.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 908,00 voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, mr. P.H.A. Knol en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Tricoli, griffier.

w.g. Ten Veen

voorzitter

w.g. Tricoli

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026

1103

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:3

"Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend."

Gemeentewet

Artikel 121

"De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn."

Artikel 149

"De raad maakt de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt."

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

"1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk

[…]"

Besluit omgevingsrecht

Artikel 2

"Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:

[…]

18. een bouwwerk ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening, voor zover het betreft:

a. een bouwwerk ten behoeve van een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

1°. niet hoger dan 3 m, en

2°. de oppervlakte niet meer dan 15 m2,

[…]"

Algemene Verordening Kabels en Leidingen gemeente Nieuwkoop 2020

Artikel 1

"In deze verordening wordt verstaan onder:

[…]

n: werkzaamheden van ingrijpende aard:

- werkzaamheden van één netbeheerder, zoals genoemd in onderdeel l. van dit artikel, met een tracélengte vanaf 10 meter; werkzaamheden van één netbeheerder, zijnde het kruisen van wegen en watergangen;

- bovengrondse werkzaamheden van één netbeheerder voor het plaatsen van transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations, distributie- en/of mutatiepunten, ondersteuningswerken en beschermingswerken met een afmeting groter dan 0,60 m x 0,30 m x 0,80 m (lxbxh)

[…]"

Artikel 2

"1. Deze verordening is van toepassing op werkzaamheden die door of namens een netbeheerder plaatsvinden in of op openbare gronden binnen de gemeente Nieuwkoop.

[…]"

Artikel 5

"Aanvragen en melden van werkzaamheden van ingrijpende aard:

1. Het is verboden werkzaamheden te verrichten zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders goedgekeurde (start)melding/vergunning/instemmingsbesluit.

2. Voor het uitvoeren van werkzaamheden van ingrijpende aard, dient een instemmingsbesluit of een vergunning, zoals bedoeld in artikel 1, onderdeel n, via het gehanteerde registratiesysteem, bij burgemeester en wethouders te worden aangevraagd.

[…]"

Artikel 8

"Burgemeester en wethouders kunnen in het instemmingsbesluit of in de vergunning voorschriften opnemen, dan wel de vergunning weigeren, in het belang van:

a. de openbare orde;

b. veiligheid, waaronder mede verstaan wordt verkeersveiligheid;

c. het voorkomen of beperken van overlast, waaronder mede verstaan wordt het afstemmen met andere werkzaamheden, een goede doorstroming van het verkeer en de bescherming van groenvoorzieningen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving;

d. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik, beheer, en onderhoud van openbare gronden en gebouwen en het belang van evenementen;

e. de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het beschermen van reeds in de grond aanwezige werken en eventuele in de grond aanwezige objecten.

[…]"

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?