ECLI:NL:RVS:2026:1385

ECLI:NL:RVS:2026:1385

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 11-03-2026
Zaaknummer 202505746/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 15 maart 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 10 maart 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een platgemaakte kartonnen doos die op 10 maart 2023 door een toezichthouder is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer (ORAC) ter hoogte van de [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de doos staan. [appellant] betwist niet dat de doos van hem afkomstig is, maar hij stelt dat hij niet diegene is geweest die de doos naast de ORAC heeft gelegd, nu hij de doos wel correct heeft aangeboden maar deze niet helemaal de papiercontainer in kreeg en er vermoedelijk door een derde weer uit is gehaald. [appellant] betoogt dat het college dan ook onvoldoende bewijs heeft geleverd om hem als overtreder als bedoeld in artikel 5:25 van de Awb te kunnen aanmerken.

Uitspraak

202505746/1/R4.

Datum uitspraak: 11 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend in Den Haag,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2025 heeft het college zijn beslissing om op 10 maart 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 16 oktober 2025 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een platgemaakte kartonnen doos die op 10 maart 2023 door een toezichthouder is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer (ORAC) ter hoogte van de [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de doos staan.

2. [appellant] betwist niet dat de doos van hem afkomstig is, maar hij stelt dat hij niet diegene is geweest die de doos naast de ORAC heeft gelegd, nu hij de doos wel correct heeft aangeboden maar deze niet helemaal de papiercontainer in kreeg en er vermoedelijk door een derde weer uit is gehaald. [appellant] betoogt dat het college dan ook onvoldoende bewijs heeft geleverd om hem als overtreder als bedoeld in artikel 5:25 van de Awb te kunnen aanmerken. Hij voert daarbij aan dat de papiercontainer redelijk vol was en dat hij de doos niet geheel naar beneden kon duwen, maar dat dit geen beletsel vormde om de doos op de juiste manier en volledig in de papiercontainer te plaatsen.

3. Het college voert aan dat [appellant] op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling als overtreder kan worden aangemerkt, omdat het aangetroffen huisvuil kan worden herleid tot [appellant] en de kosten van de toepassing van de spoedeisende bestuursdwang daarom op hem mochten worden verhaald. Het college betoogt dat het bewijsvermoeden er is dat [appellant] de overtreder in de zin van artikel 5:25 van de Awb is en dat het aan hem is om het bewijsvermoeden te ontkrachten door de juistheid van het vermoeden in twijfel te doen trekken. Het college stelt dat Van [appellant] daarin niet is geslaagd.

4. Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden, bijvoorbeeld door middel van een daarin aangetroffen poststuk, mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij derhalve de overtreder is (het bewijsvermoeden). Voor het mogen hanteren van dit bewijsvermoeden is voldoende dat in het afval één tot de betrokkene te herleiden poststuk is aangetroffen. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, 201702617/1/A1 (ECLI:NL:RVS:2018:2432).

Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel doet trekken. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.

4.1. Door het adreslabel is de doos tot [appellant] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat hij de overtreder is, tenzij wat hij aanvoert reden geeft om daaraan te twijfelen. De enkele stelling van [appellant] dat hij de doos in de papiercontainer heeft geplaatst en niet ernaast, is daarvoor onvoldoende. Het betoog slaagt niet.

5. [appellant] betoogt dat het bedrag dat het college bij hem in rekening heeft gebracht, onredelijk hoog is.

5.1. Het college heeft in zijn verweerschrift een uiteenzetting gegeven van de gemaakte kosten voor het verwijderen van het verkeerd aangeboden huisvuil. Het bedrag van € 199,57 dat het college voor rekening van [appellant] heeft gebracht zijn kosten die het college heeft moeten maken doordat de doos verkeerd is aangeboden. Die kosten behoren op grond van artikel 5:25, eerste lid, van de Awb in beginsel voor rekening van de overtreder te komen en niet voor de gemeenschap. [appellant] heeft niet met concrete argumenten betoogd dat het college deze kosten niet heeft gemaakt. Er is dus geen aanleiding voor het oordeel dat de in rekening gebrachte kosten te hoog zijn. Het betoog slaagt niet.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.

w.g. Van Veldhuizen

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Klingers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026

341-1089

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R. Klingers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?