ECLI:NL:RVS:2026:1387

ECLI:NL:RVS:2026:1387

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 11-03-2026
Zaaknummer 202305564/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 28 december 2021 heeft de minister van Buitenlandse Zaken geweigerd om de aanvraag van [appellant] voor een Nederlands paspoort in behandeling te nemen. [appellant] is geboren op [geboortedatum] 1967 in Turkije en verkreeg door geboorte de Turkse nationaliteit. Op 20 januari 1995 verkreeg [appellant] tevens het Nederlanderschap. Op 20 oktober 2005 is [appellant] uitgeschreven uit Nederland wegens emigratie naar een onbekende bestemming. Uit het historisch residentieel overzicht van het Turkse ministerie van Binnenlandse Zaken is gebleken dat [appellant] op 14 februari 2007 is ingeschreven in Turkije. Aan [appellant] is voor het laatst op 23 oktober 2006 een Nederlands paspoort verstrekt. Vervolgens heeft hij op 8 juli 2021 een Nederlands paspoort aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in Turkije. De minister heeft geweigerd om de aanvraag in behandeling te nemen.

Uitspraak

202305564/1/A3.

Datum uitspraak: 11 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats] (Turkije),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 juli 2023 in zaak nr. 22/7270 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2021 heeft de minister geweigerd om de aanvraag van [appellant] voor een Nederlands paspoort in behandeling te nemen.

Bij besluit van 27 oktober 2022 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juli 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 januari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S. Raissi, advocaat in Arnhem, en de minister, vertegenwoordigd door I.S. IJserinkhuijsen en L.H.T. Geuzendam, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] is geboren op [geboortedatum] 1967 in Turkije en verkreeg door geboorte de Turkse nationaliteit. Op 20 januari 1995 verkreeg [appellant] tevens het Nederlanderschap. Op 20 oktober 2005 is [appellant] uitgeschreven uit Nederland wegens emigratie naar een onbekende bestemming. Uit het historisch residentieel overzicht van het Turkse ministerie van Binnenlandse Zaken is gebleken dat [appellant] op 14 februari 2007 is ingeschreven in Turkije. Aan [appellant] is voor het laatst op 23 oktober 2006 een Nederlands paspoort verstrekt. Vervolgens heeft hij op 8 juli 2021 een Nederlands paspoort aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in Turkije. De minister heeft geweigerd om de aanvraag in behandeling te nemen. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat [appellant] het Nederlanderschap op 14 februari 2017 ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) heeft verloren omdat hij zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit had, hij op dat moment gedurende een onafgebroken periode van tien jaar hoofdverblijf heeft gehad in Turkije en van stuiting van deze termijn op grond van artikel 15, vierde lid, van de RWN geen sprake is geweest. De minister wijst er op dat de wijziging van de termijn van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN van tien jaar naar dertien jaar die op 1 april 2022 in werking is getreden niet met terugwerkende kracht is ingevoerd en dus niet geldt voor personen die voordien het Nederlanderschap al hebben verloren.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de tienjaarstermijn op 14 februari 2007 is aangevangen en dat [appellant] op 14 februari 2017 het Nederlanderschap heeft verloren. Uit de bij de paspoortaanvraag overgelegde stukken blijkt namelijk dat [appellant] op 14 februari 2007 in Turkije is ingeschreven. De wijziging van de termijn van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN van tien jaar naar dertien jaar die op 1 april 2022 in werking is getreden is niet met terugwerkende kracht ingevoerd en geldt niet voor [appellant] die daarvóór al het Nederlanderschap heeft verloren. Volgens de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat van Nederlanders die in het buitenland wonen mag worden verlangd dat zij zich adequaat laten voorlichten over de geldende regels met betrekking tot het behouden van het Nederlanderschap. Bovendien is in de RWN limitatief bepaald in welke gevallen het Nederlanderschap wordt verkregen en verloren. De omstandigheid dat mogelijk onvoldoende voorlichting is gegeven over de risico’s van verlies van rechtswege van de Nederlandse nationaliteit kan deze limitatieve bepalingen niet opzij zetten. Dat [appellant] vanwege de covid-pandemie geen afspraak kon maken voor verlenging van zijn paspoort is niet relevant. Hij verloor immers zijn Nederlanderschap voordat de covid-pandemie uitbrak en een paspoortaanvraag kon op dat moment niet meer leiden tot stuiting van de termijn van tien jaar.

Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] het Nederlanderschap niet pas heeft verloren op het moment dat is getoetst aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Het peilmoment voor die toets is het moment van het verlies van het Nederlanderschap. De rechtbank is ook van oordeel dat de minister een deugdelijke Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling heeft gemaakt. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van het verlies van zijn Nederlanderschap gebruik maakte van zijn rechten als Unieburger. Gelet hierop heeft de minister op goede gronden geweigerd om de aanvraag van [appellant] voor een Nederlands paspoort in behandeling te nemen omdat [appellant] ten tijde van de paspoortaanvraag niet de Nederlandse nationaliteit bezat, aldus de rechtbank.

Wettelijk kader

3. Artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, derde en vierde lid, van de RWN luidde ten tijde van belang:

"1. Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:

c. indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband; […]

3. De periode bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt geacht niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten heeft, dan wel in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.

4. De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument, Nederlandse identiteitskaart of vervangende Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van tien jaren te lopen […]".

Beoordeling van het hoger beroep

4. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de tienjaarstermijn op 14 februari 2007 is aangevangen en dat hij op 14 februari 2017 het Nederlanderschap heeft verloren. Hiertoe voert hij aan dat de tienjaarstermijn is onderbroken door zijn verblijf in België. De documenten die hij heeft overgelegd bevatten informatie over zijn feitelijke woonplaats van 2005 tot en met 2009 in België. De minister had hier meer onderzoek naar moeten doen. Ook moet in dit geval het arrest van het Hof van Justitie van 20 januari 2022, Landeshauptmann von Wien, C-432/20, ECLI:EU:C:2022:39, analoog worden toegepast.

Verder had de rechtbank de wijziging van de termijn van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN van tien jaar naar dertien jaar moeten meewegen in haar beoordeling. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat van Nederlanders die in het buitenland wonen mag worden verlangd dat zij zich adequaat laten voorlichten over de geldende regels met betrekking tot het behouden van het Nederlanderschap. Volgens [appellant] heeft de minister zijn voorlichtingsplicht geschonden. Ook heeft de rechtbank miskend dat de minister rekening had moeten houden met de situatie waarin [appellant] verkeerde ten tijde van de paspoortaanvraag, te weten december 2020. Door de covid-pandemie kon hij niet op tijd naar de ambassade in Ankara om zijn paspoortaanvraag in te dienen.

De rechtbank heeft verder miskend dat [appellant] zijn Nederlanderschap niet van rechtswege na het verstrijken van de tienjaarstermijn heeft verloren maar vanaf het moment dat de minister heeft getoetst aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Ook betoogt [appellant] dat nergens uit blijkt dat de minister een deugdelijke Unierechtelijke evenredigheidstoets heeft uitgevoerd. De minister heeft de nadelige gevolgen die hij ondervindt te weinig meegewogen. Hij beroept zich hierbij op het arrest van het Hof van Justitie van 12 maart 2019, Tjebbes, C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189. In het kader van de Unierechtelijke evenredigheidstoets voert hij aan dat hij een gezins- en familieleven in Nederland heeft opgebouwd. Zijn kinderen, familieleden en vrienden wonen immers in Nederland. Hierdoor was redelijkerwijs voorzienbaar dat hij zijn rechten als Unieburger zou uitoefenen, aldus [appellant].

5. De Afdeling oordeelt als volgt. Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:421, volgt dat bij het verlies van het Nederlanderschap en daarmee het Unieburgerschap altijd een Unierechtelijke evenredigheidstoets moet worden uitgevoerd. Bij die toets wordt beoordeeld of het verlies van de nationaliteit van een lidstaat en daarmee het Unieburgerschap van een betrokkene onevenredige gevolgen heeft uit het oogpunt van het Unierecht. De Unierechtelijke evenredigheidstoets moet plaatsvinden naar het moment van het verlies van het Nederlanderschap. In die toets moeten niet alleen de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap worden betrokken die zich op dat moment al hadden gemanifesteerd, maar ook de gevolgen die op dat moment in redelijkheid voorzienbaar waren. Het gaat niet om de gevolgen die hypothetisch zijn of waarvan niet vaststaat dat zij zich zullen voordoen. Het is daarom aan een betrokkene om concreet te onderbouwen dat op het moment van het verlies van het Nederlanderschap in redelijkheid voorzienbaar was dat hij zijn met het Unieburgerschap gepaard gaande rechten of verplichtingen uit zou gaan oefenen.

5.1. Niet in geschil is dat [appellant] in ieder geval sinds 2009 hoofdverblijf in Turkije heeft. Daargelaten of de minister het verblijf van [appellant] van 2005 tot en met 2009 in België nader had moeten onderzoeken, betekent dit dat [appellant] in ieder geval in 2019 niet meer in het bezit was van het Nederlanderschap. Ook als wordt uitgegaan van dit verliesmoment, heeft [appellant] niet concreet onderbouwd dat toen in redelijkheid voorzienbaar was dat hij zijn met het Unieburgerschap gepaard gaande rechten of verplichtingen zou gaan uitoefenen. De enkele pas op de zitting bij de Afdeling ingenomen stelling dat het voorzienbaar was dat hij zijn met het Unieburgerschap gepaard gaande rechten uit zou gaan oefenen, omdat hij lang in Nederland had gewoond, hier een netwerk had opgebouwd en zijn kinderen in Nederland wonen, is daarvoor onvoldoende.

Verder is de Afdeling van oordeel dat [appellant] geen geslaagd beroep kan doen op het arrest van het Hof van 20 januari 2022, ECLI:EU:C:2022:39. In dit arrest heeft het Hof geoordeeld dat niet is vereist dat een persoon die niet de nationaliteit bezit van een land uit de Europese Unie, gedurende ten minste een deel van het jaar zijn gewone verblijfsplaats op het grondgebied van de EU heeft om de status van langdurig ingezetene te kunnen behouden. Een verblijf van enkele dagen per jaar van een langdurig ingezetene op het grondgebied van de Europese Unie volstaat om het verlies van de status van langdurig ingezetene uit te sluiten. Alleen al omdat niet is gebleken dat [appellant] tussen 2009 en 2019 fysiek aanwezig is geweest op het grondgebied van de Europese Unie, kan dit arrest in dit geval geen betekenis hebben.

5.2. De overige gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 10. tot en met 14. opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.

Het betoog slaagt niet.

Slotsom

6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

7. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Singh, griffier.

w.g. De Moor-van Vugt

voorzitter

w.g. Singh

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026

990

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.J.C. de Moor-van Vugt
  • mr. C.C.W. Lange
  • mr. J. Luijendijk

Griffier

  • mr. D. Singh

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?