202501772/1/A3.
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Buitenlandse Zaken,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 maart 2025 in zaak nr. 23/3262 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend in [woonplaats] (Groot-Brittannië)
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 7 december 2022 heeft de minister een aanvraag van [wederpartij] om afgifte van een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 30 maart 2023 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 maart 2025 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 maart 2023 vernietigd, het besluit van 7 december 2022 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 februari 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. I.S. IJserinkhuijsen en L.H.T. Geuzendam, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. F. Jansen, advocaat in Utrecht, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [wederpartij] is op [geboortedatum] 2007 in Nederland geboren en heeft tegelijkertijd met zijn ouders in 2012 de Nederlandse nationaliteit verkregen. Op 29 maart 2013 is [wederpartij] met zijn ouders naar het Verenigd Koninkrijk verhuisd, waar hij nu woont. Op 23 juni 2022 heeft [wederpartij] de Britse nationaliteit verkregen. Omdat zijn oude paspoort is verlopen, heeft [wederpartij] een nieuw Nederlands paspoort aangevraagd. De minister heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat volgens hem [wederpartij] niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de minister ongegrond verklaard.
Wettelijk kader
2. De relevante wetgeving is opgenomen in de bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister [wederpartij] een Nederlands paspoort moet verstrekken. Volgens de rechtbank staat vast dat de ouders van [wederpartij] op 8 september 2022 de Nederlandse nationaliteit hebben verloren, omdat zij op die datum de Britse nationaliteit verkregen. Gelet op artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Rwn), heeft [wederpartij] daarom in beginsel ook op die datum het Nederlanderschap verloren. Maar de rechtbank oordeelt dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f, van de Rwn. Volgens de rechtbank valt [wederpartij] onder die uitzondering, omdat hij op het moment dat het Nederlanderschap normaliter zou zijn verloren gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaar zijn hoofdverblijf heeft gehad in het land waarvan hij de andere (vreemde) nationaliteit heeft verkregen en uit de tekst van de wet geen aanvullend vereiste blijkt dat dit op hetzelfde moment moet zijn dat de ouders deze andere nationaliteit hebben verkregen.
Hoger beroep
4. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de uitzonderingssituatie van toepassing is op [wederpartij]. Volgens de minister vloeit uit de samenhang van het tweede lid van artikel 16 van de Rwn met het eerste lid van dat artikel voort dat de datum van het potentiële verlies van het Nederlanderschap door de minderjarige bepalend is voor de vraag of de uitzonderingen van artikel 16, tweede lid, van de Rwn van toepassing zijn. De uitzondering van artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f, van de Rwn is volgens de minister alleen van toepassing als de minderjarige op het potentiële verliesmoment een andere nationaliteit verkreeg. De uitzonderingsbepaling is daarom alleen van toepassing op de situatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rwn, waarbij de vader of moeder vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt en de minderjarige in de verkrijging deelt. Volgens de minister ziet de uitzonderingsbepaling niet op de situatie dat de minderjarige de andere nationaliteit reeds bezit.
4.1. Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat op [wederpartij] de uitzonderingssituatie van artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f, van de Rwn van toepassing is. De Afdeling verwijst voor de onderbouwing hiervoor naar punt 5.1-5.6 van de uitspraak van de rechtbank en voegt daar het volgende aan toe. In het betoog van de minister ziet de Afdeling geen grond voor het standpunt dat de uitzondering van artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f, van de Rwn alleen van toepassing is als de minderjarige op het potentiële verliesmoment een andere nationaliteit verkrijgt. Door deze uitzondering behoudt een minderjarige het Nederlanderschap wanneer hij ten minste vijf jaar in de staat van de door zijn ouder verkregen nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad. Zoals in dit geval, waarin [wederpartij] met zijn ouders is verhuisd naar een land waarvan zijn ouders later de nationaliteit hebben verkregen. Het onderscheid dat de minister maakt tussen de minderjarige die deelt in de verkrijging van de andere nationaliteit door zijn ouders en de minderjarige die de andere nationaliteit al bezit omdat hij die op een eerder moment heeft verkregen, komt niet in de tekst van de wet voor en kan daarom geen grondslag zijn om de aanvraag niet in behandeling te nemen. Omdat de wet voldoende duidelijk is, komt de Afdeling niet toe aan het betoog van de minister op de zitting dat [wederpartij] niet valt onder de doelgroep van het Verdrag van Straatsburg.
4.2. Het betoog slaagt niet.
Proceskosten bezwaar
5. De minister betoogt terecht dat de rechtbank een onjuiste proceskostenvergoeding heeft uitgesproken. [wederpartij] werd in de bezwaarfase niet bijgestaan door een rechtsbijstandverlener. Daarom heeft de rechtbank ten onrechte een vergoeding toegekend voor de proceskosten in bezwaar.
Conclusie
6. Het hoger beroep is gegrond, omdat de rechtbank de proceskosten te hoog heeft vastgesteld. De uitspraak van de rechtbank moet daarom worden vernietigd, voor zover het de proceskosten betreft. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling de proceskostenvergoeding in verband met de behandeling van het beroep vaststellen op € 2.721,00. De uitspraak van de rechtbank zal voor het overige worden bevestigd.
7. De minister moet de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 maart 2025 in zaak nr. 23/3262, voor zover de rechtbank de minister van Buitenlandse Zaken heeft veroordeeld tot vergoeding van de bij [wederpartij] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.015,00;
III. veroordeelt de minister van Buitenlandse Zaken tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
V. veroordeelt de minister van Buitenlandse Zaken tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. bepaalt dat van de minister van Buitenlandse Zaken een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Deventer-Lustberg
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026
1105
BIJLAGE
Paspoortwet
Artikel 9
1. Iedere Nederlander heeft binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen.
2. In afwijking van het eerste lid heeft een Nederlander die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, recht op een nationaal paspoort geldig voor vijf jaren en voor alle landen.
Rijkswet op het Nederlanderschap
Artikel 15
1. Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:
[…]
a. door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit.
Artikel 16
1. Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren:
[…]
c. indien zijn vader of moeder vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt en hij in deze verkrijging deelt of deze nationaliteit reeds bezit;
[…]
2. Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in:
[…]
f. indien de minderjarige gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van de door hem verkregen nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft of gehad heeft, behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b.