202407203/1/A3.
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], [appellant B] en [appellant C] (hierna ook: [appellant] en anderen), allen wonend in Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
appelanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 22 november 2024 in zaken nrs. 24/4291 en 24/4290 in het geding tussen:
[appellant] en anderen
en
de burgemeester van Sittard-Geleen.
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2024 heeft de burgemeester gelast de woning aan de [locatie] in Sittard te sluiten voor drie maanden.
Bij besluit van 27 augustus 2024 heeft de burgemeester het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 6 februari 2024 herroepen voor zover dat ziet op de bij de woning gelegen mantelzorgwoning.
Bij uitspraak van 22 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 februari 2026, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. J.K.T. Schoffelen, advocaat in Roermond, en de burgemeester van Sittard-Geleen, vertegenwoordigd door mr. P.M. Hellenbrand, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant A] en [appellant B] huren de woning aan de [locatie] in Sittard. Zij wonen in de woning met de moeder van [appellant B], [appellant C], die ten tijde van de besluitvorming van de burgemeester in de achtertuin in een mantelzorgwoning woonde. Naar aanleiding van een Meld Misdaad Anoniem-melding heeft de politie op 16 december 2023 een onderzoek verricht in de woning. In de woning is een hennepkwekerij aangetroffen met 196 hennepplanten en een zak met 1,17 kilo henneptoppen. Ook is geconstateerd dat elektriciteit illegaal is afgetapt. Deze bevindingen zijn neergelegd in een bestuurlijke rapportage van 3 januari 2024. Naar aanleiding hiervan heeft de burgemeester bij besluit van 6 februari 2024 op grond van artikel 13b van de Opiumwet gelast de woning en de mantelzorgwoning te sluiten. [appellant] en anderen hebben daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 augustus 2024 heeft de burgemeester de sluiting voor wat betreft de mantelzorgwoning herroepen en voor het overige in stand gelaten.
Hoger beroep
2. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester de woning mocht sluiten.
Hiertoe voeren [appellant] en anderen in de eerste plaats aan dat het sluiten van de woning, gelet op het tijdsverloop, redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. De situatie was ten tijde van het besluit van 27 augustus 2024 al hersteld, omdat de hennepkwekerij op 16 december 2023 is ontmanteld en er sindsdien geen overlast is gemeld of feitelijke loop is waargenomen.
In de tweede plaats voeren zij aan dat er geen noodzaak bestond om de woning te sluiten, omdat er geen feiten en omstandigheden zijn die wijzen op handel in of vanuit de woning en de woning niet bekend was in het drugscircuit. [appellant] en anderen wijzen erop dat er geen loop naar de woning was, dat er geen meldingen van overlast zijn gedaan en er geen aan drugs gerelateerde attributen zijn gevonden. Bovendien is de Opiumwet niet eerder overtreden. De burgemeester had, ook gelet op het tijdsverloop, moeten volstaan met een waarschuwing of last onder dwangsom.
[appellant] en anderen voeren in de derde plaats aan dat het sluiten van de woning onevenwichtig is, omdat het vanwege hun financiële situatie lastig is om vervangende woonruimte te vinden, het sluiten van de woning tot gevolg kan hebben dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat zij op een zwarte lijst voor sociale huur geplaatst worden. Ook zijn de gevolgen van het sluiten van de woning voor [appellant C] onevenwichtig, omdat zij vanwege haar gezondheidsproblemen niet zelfstandig kan wonen en afhankelijk is van haar dochter die mantelzorg verleent.
Beoordeling hoger beroep
3. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
4. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich immers de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt. In het geval de burgemeester zijn doelen nog wel kan bereiken, dient hij de noodzaak van de sluiting te beoordelen.
4.1. Op 16 december 2023 heeft een politieonderzoek in de woning plaatsgevonden en is een hennepkwekerij aangetroffen. Vervolgens heeft de burgemeester op 3 januari 2024 de bestuurlijke rapportage daarvan ontvangen en naar aanleiding van die rapportage heeft hij bij besluit van 6 februari 2024 gelast de woning voor drie maanden te sluiten. De woning is tot aan het besluit op bezwaar van 27 augustus 2024 niet gesloten geweest, omdat de voorzieningenrechter op 18 april 2024 het besluit van 6 februari 2024 heeft geschorst (ECLI:NL:RBLIM:2024:1907). Bij het besluit op bezwaar heeft de burgemeester wederom gelast de woning te sluiten en laten weten dat over de exacte datum van de sluiting een afzonderlijke brief volgt. In een brief van 29 augustus 2024 heeft de burgemeester aangekondigd de woning op 8 oktober 2024 te zullen sluiten als [appellant] en anderen op dat moment nog geen uitvoering hebben gegeven aan de last. De Afdeling stelt vast dat op 8 oktober 2024 tien maanden zijn verstreken sinds het politieonderzoek waarbij de hennepkwekerij is aangetroffen. De burgemeester heeft desgevraagd op de zitting bij de Afdeling niet kunnen toelichten welke doelen op dat moment met het sluiten van de woning nog konden worden gediend. Het argument van de burgemeester dat het aanwenden van rechtsmiddelen loont als de burgemeester door tijdsverloop niet meer tot sluiting zou mogen overgaan, miskent dat deze last onder bestuursdwang een herstelsanctie is die strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding en dat als die doelen niet (meer) worden gediend, sluiting niet meer aan de orde is, ongeacht de oorzaak van het tijdsverloop. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het tijdsverloop tussen het constateren van de overtreding en het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting had willen overgaan, dermate lang is geweest dat de sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer kon bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend, en sluiting daarom geen geschikt middel is.
Het betoog slaagt.
Definitieve beslechting van het geschil
5. Het hoger beroep van [appellant] en anderen is gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [appellant] en anderen gegrond verklaren. De Afdeling zal het besluit van 27 augustus 2024 vernietigen voor zover de burgemeester daarbij heeft gelast de woning te sluiten en het besluit van 6 februari 2024 herroepen. Dat betekent dat de burgemeester de woning niet had mogen sluiten en dat ook niet meer alsnog mag doen.
6. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 november 2024, in zaken nrs. 24/4291 en 24/4290;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de burgemeester van Sittard-Geleen van 27 augustus 2024, kenmerk BZW. 1.24.0053.001/Z/24/576454, voor zover de burgemeester daarbij heeft gelast de woning te sluiten;
V. herroept het besluit van de burgemeester van Sittard-Geleen van 6 februari 2024, kenmerk Z/24/507529;
VI. veroordeelt de burgemeester van Sittard-Geleen tot vergoeding van bij [appellant A], [appellant B] en [appellant C] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;
VII. gelast dat de burgemeester van Sittard-Geleen aan [appellant A], [appellant B] en [appellant C] het door hun voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 466,00 vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. N.H. van den Biggelaar en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026
735