202307083/1/R2.
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. B.V. Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo, gevestigd in Venlo,
2. het college van gedeputeerde staten van Limburg,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 oktober 2023 in zaak nr. 21/2202 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend in Smakt, gemeente Venray
en
het college.
Procesverloop
Bij het besluit van 21 juli 2020 heeft het college aan de gemeente Venray ten behoeve van de realisatie van een bedrijventerrein aan de Spurkt in Venray (hierna ook: projectgebied) een ontheffing verleend van de verboden als bedoeld in artikelen 3.1, tweede lid, 3.5, tweede en vierde lid en 3.10, eerste lid van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor diverse handelingen, te weten:
- het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren
van de huismus, boerenzwaluw en de steenuil;
- het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en de watervleermuis;
- het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen
van de gewone dwergvleermuis;
- het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de das.
Bij het besluit van 29 juni 2021 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 6 oktober 2023 heeft de rechtbank het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 juni 2021 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op zijn bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben Greenport Venlo en het college hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij het besluit van 19 december 2023 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 21 juli 2020 alsnog ontvankelijk en ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten.
[wederpartij] heeft een zienswijze op het besluit van 19 december 2023 naar voren gebracht.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 januari 2026, waar Greenport Venlo, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en het college, via een videoverbinding, vertegenwoordigd door J. Jansen en J. Demollin, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een ontheffing op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een Wnb-ontheffing is ingediend op 13 december 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het college heeft op 13 december 2019 een aanvraag om ontheffing van de verbodsbepalingen als bedoeld in de artikelen 3.1, tweede lid, 3.5, tweede en vierde lid en 3.10, eerste lid van de Wnb ontvangen van de gemeente Venray voor het realiseren van een bedrijventerrein aan de Spurkt in Venray.
3. Bij het besluit van 21 juli 2020 heeft het college de gevraagde ontheffing verleend. Het heeft zich daarbij onder meer gebaseerd op het bij de aanvraag gevoegde rapport "Activiteitenplan Klaver 15 gemeente Venray" van 28 november 2019, opgesteld door Econsultancy (hierna: Activiteitenplan). Het college heeft zich in het besluit van 21 juli 2020 op het standpunt gesteld dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populatie van de in het projectgebied aangetroffen soorten, te weten de huismus, boerenzwaluw, steenuil, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis en de das in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, mits een aantal maatregelen wordt genomen, waaronder de realisatie van voldoende nieuw leefgebied in de vorm van een natuurzone en een centrale groenzone.
4. [wederpartij] woont ten zuidoosten van het projectgebied aan de [locatie] in Smakt. Hij kan zich niet verenigen met de verleende ontheffing en heeft daarom bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 juli 2020.
5. Bij het besluit van 29 juni 2021 heeft het college zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat [wederpartij] geen belanghebbende is, omdat de handelingen waarvoor de ontheffing is verleend geen ruimtelijke uitstraling hebben op zijn directe woon- en leefomgeving. De afstand van zijn woning tot de dichtstbijzijnde locatie waarop die handelingen kunnen plaatsvinden bedraagt volgens het college namelijk ongeveer 80 m. Ook heeft [wederpartij] volgens het college geen zicht op die handelingen, omdat zich tussen zijn woning en die locatie bomen en een gebouw bevinden.
6. Bij uitspraak van 6 oktober 2023 heeft de rechtbank het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 29 juni 2021 gegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat [wederpartij] belanghebbende is bij het besluit tot verlening van de ontheffing, zodat het college zijn bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2020 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft [wederpartij] als belanghebbende aangemerkt, omdat de handelingen waarop de ontheffing ziet invloed kunnen hebben op zijn directe leefomgeving.
7. Greenport Venlo en het college kunnen zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, is [wederpartij] volgens hen geen belanghebbende bij het besluit tot verlening van de ontheffing.
Is het college ontvankelijk in hoger beroep?
8. Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt:
"De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken".
Artikel 6:8, eerste lid, luidt:
"De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt".
Artikel 6:9 luidt:
"1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen".
Artikel 6:11 luidt:
"Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest".
8.1. De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift is op grond van artikel 6:8, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van de Awb begonnen op 7 oktober 2023. De termijn om hoger beroep in te stellen liep, gelet op artikel 6:7 van de Awb, tot dus tot en met 17 november 2023. De Afdeling stelt vast dat het op 20 november 2023 gedateerde, en op 21 november 2023 ontvangen, hogerberoepschrift van het college na het verstrijken van de daarvoor geldende wettelijke termijn is ingediend. Het hogerberoepschrift is dus niet tijdig ingediend.
9. Het college betoogt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding nu het slechts gaat om een overschrijding van drie dagen, het hogerberoepschrift ruimschoots binnen twee weken na afloop van de beroepstermijn door de Afdeling is ontvangen en [wederpartij] niet onevenredig in zijn belangen wordt geschaad, nu ook Greenport Venlo hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Het college voert voorts aan dat hij aanvankelijk op tijd een beroepschrift heeft verzonden, dat echter als gevolg van een onjuiste adressering de Afdeling niet heeft bereikt. Herstel daarvan heeft plaatsgevonden zo spoedig als mogelijk was, maar heeft wel geleid tot de termijnoverschrijding.
9.1. Een termijnoverschrijding is op grond van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.
9.2. In hetgeen het college heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de termijnoverschrijding niet aan het college kan worden toegerekend. Er wordt dus niet voldaan aan het eerste vereiste om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
9.3. Het hoger beroep van het college is niet-ontvankelijk.
Het hoger beroep van Greenport Venlo
10. Greenport Venlo betoogt dat de rechtbank [wederpartij] ten onrechte als belanghebbende heeft aangemerkt. Greenport Venlo voert hierover aan dat de rechtbank ten onrechte de ruimtelijke uitstraling van het bedrijventerrein van belang heeft geacht bij de beoordeling of [wederpartij] belanghebbende is bij het besluit tot verlening van de ontheffing. Bepalend is volgens Greenport Venlo of de handelingen waarvoor de ontheffing is verleend ruimtelijke uitstraling hebben op de woon- en leefomgeving van [wederpartij], en dat is volgens haar niet het geval. Greenport Venlo stelt dat de dichtstbijzijnde handeling waarvoor de ontheffing is verleend op 250 m afstand van zijn woning zal plaatsvinden. Omdat [wederpartij] geen zicht heeft op die handeling, is ook geen sprake van ruimtelijke uitstraling met gevolgen van enige betekenis op zijn woon- en leefomgeving, aldus Greenport Venlo.
10.1. De Afdeling overweegt onder verwijzing naar haar uitspraken van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:168, en van 16 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2226, dat bij de beoordeling of een natuurlijke persoon belanghebbende is bij de verleende Wnb-ontheffing, de ruimtelijke uitstraling van het project dat mede door de ontheffing mogelijk wordt gemaakt, in dit geval de realisatie van een bedrijventerrein, niet van belang is. Bepalend is of de handelingen waarvoor de Wnb-ontheffing is verleend ruimtelijke uitstraling hebben op de woon- en leefomgeving van de appellant. Deze maatstaf heeft de rechtbank blijkens haar uitspraak ook tot uitgangspunt genomen. Greenport Venlo betoogt daarom tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte de ruimtelijke uitstraling van het bedrijventerrein van belang heeft geacht bij de beoordeling of [wederpartij] belanghebbende is bij het besluit tot verlening van de ontheffing.
10.2. De Afdeling ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [wederpartij] belanghebbende is. De Afdeling stelt vast dat [wederpartij] op een afstand van ongeveer 65 m tot de zuidelijke grens van het projectgebied woont. Op en parallel aan die grens bevindt zich blijkens het Activiteitenplan een essentiële vliegroute van de in de ontheffing betrokken vleermuizen die door een toename van verkeer en verlichting vanwege het project kunnen worden verstoord. De Afdeling is gelet op de afstand van de woning van [wederpartij] tot deze vliegroute van oordeel dat aannemelijk is dat de verstoring van vleermuizen op die essentiële vliegroute invloed zal hebben op de ruimtelijke uitstraling van de woon- en leefomgeving van [wederpartij]. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat [wederpartij] als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt, en dat het college zijn bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2020 daarom ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie hoger beroep
11. Het hoger beroep van het college is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van Greenport Venlo is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Het nadere besluit
12. Bij het besluit van 19 december 2023 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 21 juli 2020 alsnog ontvankelijk en ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten.
13. Het besluit van 19 december 2023 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. [wederpartij] heeft gronden aangevoerd tegen dit besluit.
14. De Afdeling constateert evenwel dat de termijn waarvoor de ontheffing is verleend inmiddels is verstreken en dat van de verleende ontheffing geen gebruik is gemaakt. De Afdeling is niet gebleken dat [wederpartij] nog een belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit tot verlening van de ontheffing. [wederpartij] heeft daarom geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
Conclusie beroep
15. Het beroep van [wederpartij] is vanwege het ontbreken van belang niet-ontvankelijk.
Proceskosten
16. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Griffierecht
17. Gelet op artikel 8:109, tweede lid van de Awb wordt van het college griffierecht geheven.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van het college van gedeputeerde staten van Limburg niet-ontvankelijk;
II. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 oktober 2023 in zaak nr. 21/2202;
III. verklaart het beroep van [wederpartij] niet-ontvankelijk;
IV. bepaalt dat van het college van gedeputeerde staten van Limburg een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.T. Schipper, griffier.
w.g. Besselink
voorzitter
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026
1075