202301162/1/R2.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Stichting BETER EINDHOVEN (SBE), gevestigd in Eindhoven,
appellante,
en
1. de raad van de gemeente Eindhoven,
2. het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven,
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling)" gewijzigd vastgesteld.
Bij besluit van 16 januari 2023 heeft het college aan Prorail een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een ondergrondse fietsenstalling onder het station Eindhoven Centraal.
Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Tegen deze besluiten heeft SBE beroep ingesteld.
Het college en de raad hebben een verweerschrift ingediend.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 januari 2026, waar SBE, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], en de raad, vertegenwoordigd door drs. B. van der Padt, I. de Schrijver en drs. R. de Mug, zijn verschenen. Verder is op de zitting Prorail, vertegenwoordigd door [gemachtigde B] en [gemachtigde C], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Het ontwerpplan is op 23 juni 2022 ter inzage gelegd. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 23 december 2022. Dat betekent dat op deze procedure het recht, waaronder de Wro, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan en de omgevingsvergunning maken een ondergrondse stalling voor ongeveer 5.400 fietsen aan de centrumzijde van het station Eindhoven Centraal mogelijk. De fietsenstalling wordt aangesloten op de bestaande fietsenstalling onder de stationshal. Aan de noordzijde kunnen gebruikers vanuit de stationshal de ondergrondse fietsenstalling te voet bereiken. Aan de zuidzijde wordt een nieuwe entree naar de fietsenstalling gerealiseerd in de vorm van een fietshelling/fietstrap met een lengte van ongeveer 28 m, waarvan ongeveer 18 m bovengronds. Voor de herinrichting van het bovengrondse openbaar gebied is een herinrichtingsplan opgesteld. Het herinrichtingsplan maakt geen deel uit van het bestemmingsplan.
3. De beroepsgronden van SBE richten zich alleen tegen het besluit van 20 december 2022.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Ontvankelijkheid SBE
5. De raad stelt zich in zijn verweerschrift op het standpunt dat SBE niet ontvankelijk is in haar beroep. SBE heeft geen zienswijzen ingediend tegen het ontwerpplan en SBE is volgens de raad geen belanghebbende, omdat haar statutaire doelstelling te algemeen is geformuleerd en niet wordt ondersteund door feitelijke werkzaamheden.
5.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In het derde lid is bepaald dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
5.2. In de uitspraken van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, en 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, is de Afdeling ingedaan op de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7, over de toepassing van artikel 6:13 van de Awb. Uit die uitspraken blijkt dat in omgevingsrechtelijke zaken waarin de wetgever de mogelijkheid heeft gegeven om zienswijzen naar voren te brengen, allen die zienswijzen naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit, toegang hebben tot de rechter, ook al zijn zij geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Indien geen gebruik is gemaakt van de gelegenheid om zienswijzen in te dienen, en het indienen daarvan niet verschoonbaar is, bestaat alleen recht op toegang tot de rechter indien betrokkene belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
5.3. Niet in geschil is dat SBE geen zienswijze heeft ingediend. De vraag is dan of zij belanghebbende is bij het besluit. Uit de statuten van de stichting volgt dat SBE zich ten doel stelt om Eindhoven een betere leefomgeving te geven. Zij doet dat door voor alle burgers van Eindhoven en directe omgeving een laagdrempelig platform te zijn waarmee het mogelijk wordt op een effectieve manier invloed uit te oefenen op de besluitvorming van de gemeente Eindhoven inzake de stedelijke ontwikkeling van Eindhoven, zonder zelf een politieke partij te willen zijn. SBE heeft daarbij als visie een stad waarin het besluitvormingsproces over stedenbouwkundige (beleids)ontwikkelingen plaatsvindt op basis van een maatschappelijk breed gedragen consensus die gestoeld is op volledige en tijdig beschikbaar gekomen informatie en het kunnen afwegen van deze informatie in openbare discussie op het juiste moment. Dit doel komt overeen met de in het beleidsplan 2022-2024 van SBE genoemde speerpunten. Op de zitting heeft SBE een toelichting gegeven over haar feitelijke werkzaamheden. Gelet op het statutaire doel en haar feitelijke werkzaamheden, kan SBE naar het oordeel van de Afdeling als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt, zodat zij ontvankelijk is in haar beroep.
Beroepsgronden
Omvang van het plan
6. SBE betoogt dat het plan minder mogelijk maakt dan het oude bestemmingsplan "Eindhoven binnen de Ring". SBE noemt in het bijzonder voorzieningen op maaiveldniveau, waaronder mobiliteits- en taxivoorzieningen.
6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan "Eindhoven binnen de Ring" een globaal plan betreft, waarin, anders dan in dit plan, een hoeveelheid aan functies is toegelaten.
6.2. De enkele omstandigheid dat het plan minder mogelijk maakt dan het bestemmingsplan "Eindhoven binnen de Ring", maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat de raad het plan niet heeft mogen vaststellen. Zoals de raad op de zitting heeft toegelicht, zijn binnen de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" alle gewenste voorzieningen toegelaten.
Het betoog slaagt niet.
Archeologie
7. SBE betoogt dat de raad het "Archeologisch Bureauonderzoek ondergrondse fietsenstalling Stationsplein, gemeente Eindhoven" van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant van 22 april 2021 (hierna: het archeologisch rapport) niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen. SBE voert aan dat dit rapport de status van concept heeft. Verder voert SBE aan dat in het archeologisch rapport een historische chronologie ontbreekt, waardoor er onlogische keuzes zijn gemaakt, met name voor wat betreft de bovengrondse terugkeer van waterstroom de Gender.
7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de feiten in het archeologisch rapport op juiste wijze zijn weergegeven en dat SBE niet heeft gemotiveerd waarom een historische chronologie had moeten worden toegevoegd. Verder is de historische ligging van de Gender niet relevant voor de ondergrondse fietsenstalling. Binnen de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" zijn water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegelaten en binnen de regels van deze bestemming is het mogelijk om de Gender bovengronds te realiseren, aldus de raad.
7.2. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat het archeologisch rapport het definitieve rapport is, ook al wordt daarin van concept gesproken.
Op de zitting heeft SBE haar beroepsgrond toegelicht en gesteld dat in het archeologisch rapport vanuit historisch perspectief een andere keuze voor wat betreft de bovengrondse terugkeer van de Gender had moeten worden gemaakt. Wat hier verder van zij, dat maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat de raad het archeologisch rapport niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen.
Het betoog slaagt niet.
Stikstofdepositie
8. SBE betoogt dat de raad niet heeft aangetoond dat het bestemmingsplan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Volgens SBE zijn de geactualiseerde modellen van de AERIUS-Calculator ten onrechte niet toegepast.
8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de als bijlage 10 bij de plantoelichting behorende AERIUS-berekening van 15 februari 2021 aan het plan ten grondslag mocht worden gelegd, omdat gebruik is gemaakt van de versie van AERIUS-Calculator die nog geldend was ten tijde van de vaststelling van het plan.
8.2. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.
8.3. Niet is geschil is dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied "De Plaetse en Strabrechtse Heide" zich op een afstand van 4,7 km van het plangebied bevindt. De statutaire doelstelling van SBE is niet gericht op de bescherming van natuurbelangen als zodanig. SBE komt ook niet op voor de collectieve belangen van bewoners van een bepaald gebied bij een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving waarvan het betreffende Natura 2000-gebied deel uitmaakt. Ook kwalificeert SBE niet als een milieuorganisatie, omdat haar doel is gericht op de ontwikkeling van Eindhoven in stedenbouwkundige zin. Dit betekent dat het relativiteitsvereiste aan een vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat. De Afdeling behandelt deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk.
Externe veiligheid
9. SBE betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Volgens SBE heeft de raad zich niet kunnen baseren op het advies van de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost van 26 april 2022. De fietsenstalling heeft een dusdanige grootte dat de maximale lengte van de looplijnen, om naar een (nood)uitgang te komen, wordt overschreden. Ook is het knelpunt van een eventuele elektrabrand niet in kaart gebracht en is niet voorzien in de afvoer van giftige rookgassen, aldus SBE.
9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet voorziet in een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar project. De ondergrondse fietsenstalling is onderdeel van het centraal station, zodat voor het plan geen afzonderlijke verantwoording nodig is.
9.2. Niet in geschil is dat de fietsenstalling geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object is als bedoeld in het Bevi. Uit het advies van de Veiligheidsregio van 26 april 2022 volgt dat een klein deel van de fietsenstalling binnen het invloedsgebied van het spoor ligt. Door de fietsenstalling zal het aantal personen in het stationsgebied niet toenemen. Er is dus geen sprake van een verhoging van het groepsrisico. Verder staat in het advies dat er vanuit kan worden gegaan dat de personen die gebruik maken van de fietsenstalling goed zelfredzaam zijn in geval van een calamiteit. Verder zijn in de omgevingsvergunning veiligheidsvoorschriften opgenomen. In wat SBE heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het advies van de Veiligheidsregio niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen.
Het betoog slaagt niet.
Inrichtingsplan
10. SBE betoogt dat het inrichtingsplan ten onrechte niet in het plan is opgenomen en daarin ten onrechte niet is geborgd.
10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de herinrichting van het openbaar gebied een uitvoeringsaspect is en verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2934.
10.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de herinrichting van het openbaar gebied een uitvoeringsaspect is. De raad heeft toegelicht dat de herinrichting, hoe die er ook precies uit komt te zien, past binnen de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied". Omdat de herinrichting een uitvoeringsaspect is, kan het in deze procedure niet aan de orde komen. De Afdeling bespreekt deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk.
Uitvoeringsaspecten
11. SBE betoogt dat in het plan ten onrechte geen voorziening voor mindervaliden is opgenomen. Verder betoogt SBE dat in het plan ten onrechte niet is geborgd dat het standbeeld van Anton Frederik Philips, dat voor het station staat, terugkeert.
11.1. Naar het oordeel van de Afdeling gaan deze beroepsgronden niet over het plan zelf, maar over de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. De Afdeling bespreekt deze beroepsgronden daarom niet inhoudelijk.
Overige beroepsgronden
12. De Afdeling stelt vast dat de beroepsgronden van SBE over het verdwijnen van groen en bomen en de kapvergunning geen betrekking hebben op de besluiten van 20 december 2022 en 16 januari 2023. De Afdeling komt daarom niet toe aan een inhoudelijke behandeling van deze beroepsgronden.
Conclusie en proceskosten
13. Het beroep is ongegrond.
14. De raad en het college hoeven geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Graaff-Haasnoot
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
531