ECLI:NL:RVS:2026:1518

ECLI:NL:RVS:2026:1518

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 18-03-2026
Zaaknummer 202305578/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 19 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop de aanvraag van [appellant] voor een omgevingsvergunning afgewezen. [appellant] is eigenaar van twee - in elkaars verlengde liggende - percelen gelegen aan [locatie] in Nieuwkoop, kadastraal bekend gemeente Nieuwkoop, [perceel 1] respectievelijk [perceel 2]. Het perceel [perceel 1] is gelegen aan de straatkant. Op dit perceel rust op grond van het bestemmingsplan "Kern Nieuwkoop" de bestemming ‘Wonen’. Het perceel [perceel 2] grenst, vanaf de straat gezien, aan de achterzijde van perceel [perceel 1]. Op een klein deel van perceel [perceel 2] rust op grond van het bestemmingsplan "Kern Nieuwkoop" de bestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - baggerbedrijf'. Op het andere, grotere deel van dit perceel rust op grond van het bestemmingsplan "Reparatieplan Kern Nieuwkoop 2015" (het reparatieplan) de bestemming ‘Wonen’.Op het bedrijfsgedeelte van perceel [perceel 2] exploiteert [appellant] een baggerbedrijf. Daar is ook het baggerschip van [appellant] afgemeerd als het niet elders in bedrijf is.

Uitspraak

202305578/1/R3.

Datum uitspraak: 18 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Nieuwkoop,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 juli 2023 in zaak nr. 21/5230 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop.

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2021 heeft het college de aanvraag van [appellant] voor een omgevingsvergunning afgewezen.

Bij besluit op bezwaar van 15 juli 2021 heeft het college het besluit van 19 maart 2021 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 6 juli 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 februari 2026, waar [appellant], bijgestaan door J. van der Velden, rechtsbijstandverlener in Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van Eck, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 15 december 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. [appellant] is eigenaar van twee - in elkaars verlengde liggende - percelen gelegen aan [locatie] in Nieuwkoop, kadastraal bekend gemeente Nieuwkoop, [perceel 1] respectievelijk [perceel 2].

Het perceel [perceel 1] is gelegen aan de straatkant. Op dit perceel rust op grond van het bestemmingsplan "Kern Nieuwkoop" de bestemming ‘Wonen’.

Het perceel [perceel 2] grenst, vanaf de straat gezien, aan de achterzijde van perceel [perceel 1]. Op een klein deel van perceel [perceel 2] rust op grond van het bestemmingsplan "Kern Nieuwkoop" de bestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - baggerbedrijf'. Op het andere, grotere deel van dit perceel rust op grond van het bestemmingsplan "Reparatieplan Kern Nieuwkoop 2015" (het reparatieplan) de bestemming ‘Wonen’.

Op het bedrijfsgedeelte van perceel [perceel 2] exploiteert [appellant] een baggerbedrijf. Daar is ook het baggerschip van [appellant] afgemeerd als het niet elders in bedrijf is.

3. Bij besluit van 5 april 2019 heeft het college [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een schuur op het woongedeelte van het perceel [perceel 2]. [appellant] heeft die schuur ook gerealiseerd.

Waar gaat dit geschil over?

4. [appellant] heeft op 15 december 2020 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het gebruiken van bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ ten behoeve van het gebruik van de bestaande schuur als woning.

Het college heeft de aanvraag afgewezen. Volgens het college voldoet de aanvraag niet aan het reparatieplan, omdat bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken, met uitzondering van mantelzorg, niet is toegestaan op grond van artikel 6.5, onder d, van de planregels. Daarnaast zijn hoofdgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan en is ter plaatse geen bouwvlak aanwezig, aldus het college. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vergunning niet kan worden verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (het Bor), omdat het beoogde gebruik van de schuur als woning in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. In dit kader heeft het college gesteld dat de afstand van 3,5 meter tussen het milieugevoelige object (de beoogde woning) en de nabijgelegen milieubelastende functie (het bedrijf) te kort is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen.

5. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard.

6. [appellant] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft daartegen hoger beroep ingesteld.

Hoger beroep

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat bij nader inzien helemaal geen omgevingsvergunning nodig is voor de aangevraagde activiteit. Het gaat immers alleen om een gebruikswijziging van een al bestaand gebouw, waarbij dat gebruik binnen de bestemming ‘Wonen’ valt. Omdat het gaat om een wijziging van gebruik van een bestaand gebouw, en niet om de bouw van een nieuw gebouw, is niet relevant dat ter plekke geen bouwvlak is getekend op de planverbeelding. Evenmin is relevant dat de schuur aanvankelijk is vergund als bijbehorend bouwwerk. De schuur is niet functioneel verbonden met de woning, wordt ook niet ten behoeve van de woning gebruikt, heeft een eigen ontsluiting en ligt op een ander kadastraal perceel dan de woning. De schuur is hiermee geen bijbehorend bouwwerk, maar een hoofdgebouw, dat zonder vergunning voor wonen gebruikt mag worden, aldus [appellant].

7.1. De rechtbank heeft in overweging 5 en 5.1 van haar uitspraak terecht en op goede gronden geoordeeld dat de schuur als een bijbehorend bouwwerk moet worden aangemerkt. De Afdeling voegt hier aan toe dat het feit dat de schuur op een ander kadastraal perceel staat dan de woning en dat de schuur niet is verbonden met de woning, en daarmee een eigen toegang heeft, dit niet anders maakt. Voor de bouw van de schuur is een omgevingsvergunning aangevraagd en verleend voor de bouw van een bijbehorend bouwwerk, namelijk behorend bij de woning op perceel [perceel 1]. Verder kan perceel [perceel 2] alleen worden bereikt via perceel [perceel 1] en hebben beide percelen de bestemming ‘Wonen’, waarbij op perceel [perceel 1] al een woning is gelegen die als hoofdgebouw in de zin van artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor moet worden aangemerkt, en perceel [perceel 2] geen bouwvlak heeft.

Aangezien het gebruik voor bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken, met uitzondering van mantelzorg, op grond van artikel 6.5, aanhef en onder d, van de planregels als strijdig gebruik is aangemerkt, is de beoogde wijziging van het gebruik van de schuur vergunningplichtig op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

Het betoog slaagt niet.

8. Ook het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van de schuur als woning in strijd is met de goede ruimtelijke ordening, slaagt niet. De Afdeling onderschrijft het oordeel dat de rechtbank in overweging 6.1 van haar uitspraak heeft gegeven. Dat, naar [appellant] heeft gesteld, de rechtbank uit had moeten gaan van de feitelijke bedrijfssituatie, en dus van een afstand van 18 meter tussen het baggerschip en de schuur, volgt de Afdeling niet. Aangezien de afstand tussen de bedrijfsbestemming en de schuur 3,5 meter bedraagt, is de rechtbank, net als het college, terecht van die afstand uitgegaan.

9. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college had moeten meedenken in oplossingen en naar alternatieven had moeten kijken, zoals een tijdelijke vergunning, slaagt evenmin. Het college moet beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project, waarvoor vergunning is aangevraagd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraak van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:497, r.o. 4.1) is in het stelsel van de Wabo geen plaats voor een beslissing over een omgevingsvergunning anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag. Uitgangspunt van de Wabo is dat het, behalve in de situatie als bedoeld in artikel 2.7 van die wet, de aanvrager is die bepaalt voor welke activiteiten hij een aanvraag indient en dus wat de omvang van het project is (Kamerstukken II, 2006-07, 30 844, nr. 3, blz. 37). [appellant] heeft geen tijdelijke vergunning aangevraagd.

10. De gronden die [appellant] voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.2 en 7 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.

Conclusie hoger beroep

11. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

12. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

13. [appellant] heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM).

14. De redelijke termijn die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties, is in dit geval vier jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:155, onder 6.2.

15. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 15 april 2021. De redelijke termijn is daarom op die datum aangevangen. Deze uitspraak is van 18 maart 2026. De redelijke termijn is daarom met ruim elf maanden (afgerond twaalf maanden) overschreden. Deze overschrijding is voor 5/12 deel aan de rechtbank toe te rekenen en voor 7/12 deel toe te rekenen aan de Afdeling.

16. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan [appellant] toe te kennen bedrag € 1.000,00. De Afdeling zal de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van € 1.000,00 aan [appellant] als vergoeding van de door hem geleden immateriële schade (5/12 deel te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en 7/12 deel te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).

17. De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet de proceskosten vergoeden die [appellant] heeft gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

II. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant] een schadevergoeding van € 1.000,00 te betalen (€ 416,67 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 583,33 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties);

III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00 (€ 233,50 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 233,50 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. De Groot

voorzitter

w.g. Ouwehand

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026

752

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.F. de Groot
  • mr. E.A. Minderhoud
  • mr. J.H. van Breda

Griffier

  • mr. I.S. Ouwehand

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?