202504086/1/R1.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, allen wonend in Delft,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Delft,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 20 mei 2025 heeft het college onder meer de locatie ter hoogte van [locatie] in Delft aangewezen voor het plaatsen van één ondergrondse afvalcontainer voor restafval, één voor papier, één voor groente-, fruit- en tuinafval (gft) en één voor glas (hierna: de verzamelcontainers).
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 februari 2026, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. J.M.G. Hulsman, advocaat in Delft, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.A. Verduijn en P. Lasterie, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij het besluit is de locatie ter hoogte van [locatie] in Delft aangewezen voor de plaatsing van de verzamelcontainers. De beoogde locatie ligt tegenover de woningen van [appellant] en anderen aan de overkant van de straat. Het gaat hierbij om een nieuwe locatie ter vervanging van de oude locatie aan de Annageer. De oude locatie is opgeheven vanwege herinrichting van de straat Annageer, waarbij een fietspad wordt aangelegd. De nieuwe locatie ligt ongeveer 10 m ten zuiden van de oude locatie.
[appellant] en anderen zijn het niet eens met het besluit. Zij vrezen voor bijplaatsingen, geluidoverlast, verkeersonveiligheid en aantasting van het groen.
Toetsingskader
2. Bij de keuze van een locatie voor de verzamelcontainers moet het bestuursorgaan een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het bestuursorgaan de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de verzamelcontainers.
3. In deze procedure gaat het om de aanwijzing van een locatie voor vier verzamelcontainers. De keuze van het gemeentebestuur om voor de inzameling van het betreffende afval gebruik te maken van verzamelcontainers, ligt niet ter beoordeling voor. Wanneer de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, beoordeelt de Afdeling in een procedure als deze of het betrokken bestuursorgaan de gevolgen van de aanwijzing voor de omgeving aanvaardbaar heeft kunnen achten. Die beoordeling kan ook betrekking hebben op nadelen die inherent zijn aan het gekozen inzamelsysteem, zoals geluid- en geuremissie van het gebruik van verzamelcontainers, toename van verkeer van en naar verzamelcontainers en (verkeers)hinder die gepaard gaat met het legen van verzamelcontainers. Maar uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat die gevolgen onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg hoeven staan. Daarbij is van belang dat geluid- en geurhinder door de constructie van verzamelcontainers en door het regelmatig legen en schoonmaken zoveel mogelijk worden voorkomen, dat de verkeersaantrekkende werking in het algemeen beperkt is en dat het legen van verzamelcontainers maar van korte duur is. Als voorbeeld wijst de Afdeling op haar uitspraak van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2320. De Afdeling zal daarom alleen maar beoordelen of locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden maken dat het college in die gevolgen reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen.
4. Bij het bepalen van de locatie heeft het college de randvoorwaarden gehanteerd, die zijn uitgewerkt in de plaatsingscriteria zoals omschreven in bijlage 2 bij het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Delft 2020. In de randvoorwaarden staan eisen en richtlijnen.
Procedure
5. [appellant] betoogt dat er geen werkelijke participatie heeft plaatsgevonden omdat er geen overleg heeft plaatsgevonden bij de totstandkoming van het besluit.
5.1. Het besluit is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). In overeenstemming met deze procedure is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de kennisgeving van de terinzagelegging en konden belanghebbenden een zienswijze naar voren brengen over het ontwerp. Deze procedure kent niet de verplichting om, voorafgaand aan het nemen van het definitieve besluit, nog met omwonenden in overleg te treden.
Het betoog slaagt niet.
Geluidoverlast
6. [appellant] en anderen vrezen voor geluidhinder bij het legen van de verzamelcontainers. Op de zitting heeft [appellant] toegelicht dat ze om 7:30 uur wakker zal schrikken van het geluid. Ter plaatse zijn de straten namelijk smal waardoor het geluid weerkaatst.
6.1. Criterium c, nummer 16 van de plaatsingscriteria (eis) luidt: "De hoeveelheid geluid dat bij het gebruik van inzamelvoorzieningen ontstaat moet passen binnen de kaders van de Wet geluidshinder."
Criterium c , nummer 13 van de plaatsingscriteria (richtlijn) luidt: "De afstand van het hart van de inzamelvoorziening tot de gevel van een woning is zo groot mogelijk maar minimaal 2 meter."
6.2. De Afdeling overweegt dat uit de onder 3 vermelde vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat geluid van verzamelcontainers onder normale omstandigheden niet aan de aanwijzing van een locatie in de weg hoeft te staan. Alleen bij locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden kan het aspect geluidoverlast ertoe leiden dat het college de locatie niet mocht aanwijzen. Het college heeft toegelicht dat, in tegenstelling tot de oude locatie, perscontainers voor papier en restafval geplaatst worden. Door de grotere capaciteit en aangebrachte vulgraadsensoren van deze containers wordt de ledigingsfrequentie beperkt tot ongeveer één keer per week. Ook heeft het college te kennen gegeven dat het legen op werkdagen tussen 07.30 uur en 16.00 uur plaatsvindt en de duur daarvan ongeveer drie minuten is. Het legen van de glascontainer duurt niet langer dan tien seconden. Tot slot heeft het college toegelicht dat de afstand tot de nabijgelegen gevels meer dan 2 m is. Gelet op het voorgaande heeft het college aannemelijk gemaakt dat het geluid binnen de kaders van de Wet geluidhinder valt. Het enkele feit dat [appellant] en anderen in smalle straten wonen waardoor het geluid volgens hen weerkaatst, maakt dat oordeel niet anders. [appellant] en anderen hebben namelijk niet gemotiveerd waarom het geluid om die reden onaanvaardbaar zou zijn.
Het betoog slaagt niet.
Bijplaatsingen
7. [appellant] en anderen vrezen voor bijplaatsingen van grofvuil bij de verzamelcontainers.
7.1. De Afdeling heeft eerder overwogen dat het onjuist aanbieden van afval een kwestie van handhaving is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2724, onder 6.1). In het licht daarvan heeft het college in de vrees voor hinder als gevolg van bijplaatsingen geen reden hoeven vinden om af te zien van aanwijzing van de locatie. De Afdeling heeft in dat verband kennis genomen van de toelichting van het college, die erop neerkomt dat de locatie aan de straat en in het zicht van de bewoners gepaard gaat met sociale controle. Bovendien heeft het college toegelicht dat bewoners bij het onverhoopt onjuist aanbieden van afval melding kunnen maken bij de afvalinzamelaar. Doorgaans wordt het onjuist geplaatste afval dan binnen 24 uur verwijderd. Ook heeft het college aangegeven gedragsinterventies bij frequente bijplaatsingen toe te passen waaronder het versturen van bewonersbrieven en het plaatsen van informatieborden bij de containerlocatie. De Afdeling overweegt daarom dat eventuele hinder als gevolg van bijplaatsingen bij de verzamelcontainers binnen aanvaardbare grenzen zal blijven.
Het betoog slaagt niet.
Loopafstand bewoners Wilhelminaflat
8. [appellant] en anderen betogen dat de bewoners van de Wilhelminaflat langer moeten lopen naar de nieuwe locatie. Bovendien ondervinden [appellant] en anderen ten onrechte overlast, omdat de locatie voor de bewoners van de Wilhelminaflat bedoeld is en niet voor hen.
8.1. Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."
Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.
De Afdeling overweegt over dat het belang van een aanvaardbare loopafstand tot een verzamelcontainer een belang is van de desbetreffende bewoners van de Wilhelminaflat en daarmee niet het belang waarvoor [appellant] en anderen bescherming kunnen zoeken in deze procedure. Daarom kan dit betoog op grond van artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het besluit.
Over het betoog van [appellant] en anderen dat zij ten onrechte overlast ondervinden terwijl de locatie niet voor hen bedoeld is, heeft het college toegelicht dat de locatie ook voor hen is bedoeld. De Afdeling ziet geen aanleiding daaraan te twijfelen, mede gelet op het feit dat [appellant] op de zitting heeft toegelicht dat zij zelf ook gebruik maakt van de verzamelcontainers aan de Annageer.
Het betoog slaagt niet.
Verkeersveiligheid
9. [appellant] en anderen voeren aan dat de ledigingswagen bij de locatie zorgt voor onveilige verkeerssituaties op de openbare weg, met name voor fietsers. Vanwege de smalle straten is er namelijk niet genoeg ruimte.
9.1. Criterium d, nummer 2 (richtlijn) van de plaatsingscriteria luidt: "De inzamelvoorziening is zodanig gesitueerd dat het inzamelvoertuig daar veilig zonder extra verkeersmaatregelen kan stoppen en werken."
9.2. Het college heeft toegelicht dat de ledigingswagen tijdens het legen zo opgesteld staat dat er voldoende ruimte is voor voetgangers en fietsers vanaf de Annastraat en het Koningsplein om elkaar op de stoep te passeren. De stoep aan de kant van de woning van [appellant] is namelijk, anders dan zij betoogt, breed genoeg voor passendere fietsers en voetgangers. Bovendien staat de chauffeur tijdens het legen naast de ledigingswagen om aanwijzingen aan de weggebruikers te geven voor een alternatieve route, aldus het college. Daarbij heeft het college in aanmerking mogen nemen dat het legen naar verwachting niet meer dan 3 minuten zal duren. Gelet op de toelichting van het college is de Afdeling van oordeel dat de locatie aan de richtlijn voldoet.
Het betoog slaagt niet.
Aantasting groen
10. [appellant] en anderen betogen dat op de aangewezen locatie groen verloren gaat.
10.1. Criterium b, nummer 5 (richtlijn) van de plaatsingscriteria luidt: "De inzamelvoorziening bevindt zich niet in het openbare groen, maar bij voorkeur in een verhard gebied. Indien plaatsing in groen toch onontkoombaar is, dan plaatsing aan de randen ter voorkoming van ‘groensnippers’. Eventueel wordt het groen gecompenseerd."
10.2. Het college heeft toegelicht dat de aan de rand gelegen groenstrook tussen de aangewezen locatie en [locatie] weliswaar smaller wordt, maar dat dit wordt ondervangen door een groenvak tussen het fietspad en het voetpad direct ten noorden van de oude locatie. Gelet op de toelichting van het college overweegt de Afdeling dat de locatie in zoverre in overeenstemming is met criterium b, nummer 5. Daarnaast mogen er geen alternatieve geschikte locaties in verhard gebied bestaan. Volgens het criterium dient plaatsing in het groen namelijk onontkoombaar te zijn. Daarom kan nog geen oordeel gegeven worden over de geschiktheid. De Afdeling zal daar na de beoordeling van de alternatieve locaties onder 12 een conclusie over geven.
Alternatieve locaties
11. [appellant] en anderen noemen verschillende alternatieve locaties. Daarbij wijzen zij allereerst op de oude locatie aan de Annageer met het voorstel voor een opstelplaats voor de ledigingswagen naast het fietspad. Daarnaast voeren zij de locatie op de hoek van Koningsplein en Noordeinde tegenover het Wasmachinehuis aan. Tot slot noemen zij de locatie op de Hoek Noordeinde en Wateringsevest.
11.1. De Afdeling zal beoordelen of het college had moeten afzien van aanwijzing van de aangewezen locatie vanwege de voorgestelde alternatieve locaties. Een alternatieve locatie moet in dit geval gelet op het groencriterium onder 10.1 geschikt zijn zodat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.
11.2. Onder 11.3 tot en met 11.5 beoordeelt de Afdeling of het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat de door [appellant] en anderen aangedragen alternatieve locaties geen geschikte locaties zijn.
- Locatie aan de Annageer
11.3. Het college heeft toegelicht dat de oude locatie aan de Annageer niet geschikt is omdat het fietspad niet bedoeld is voor de ledigingswagen. Een opstelplaats naast het fietspad is volgens het college onwenselijk, omdat de inzamelwagen dan achteruit moet rijden waardoor de verkeersveiligheid in het geding komt. De randvoorwaarde dat de ledigingswagen niet achteruit hoeft te rijden, staat in criterium d, nummer 6 en is een eis. De Afdeling is van oordeel dat het college gelet op het voorgaande deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de locatie aan de Annageer geen geschikte locatie is.
Het betoog slaagt niet.
- Locatie hoek Koningsplein en Noordeinde
11.4. Het college heeft toegelicht dat deze locatie om verschillende redenen niet geschikt is. Ten eerste bevindt de locatie zich dichtbij het kruispunt van de Wateringsevest met daarbij een trambaan, tramhalte en verkeerslichten. In criterium d lid 3 staat als eis dat de inzamelvoorziening zich niet in de directe nabijheid van een kruispunt bevindt dat met verkeerslichten is geregeld. Alleen al daarom is de Afdeling van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de locatie op de hoek Koningsplein en Noordeinde niet geschikt is. Wat [appellant] en anderen verder hebben aangevoerd over deze locatie, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking.
Het betoog slaagt niet.
- Locatie hoek Noordeinde en Wateringsevest
11.5. Het college verwijst voor zijn motivering over de ongeschiktheid van deze locatie naar de locatie op de hoek Koningsplein en Noordeinde zoals besproken onder 11.4. Daarbij is deze locatie vanuit verkeersoogpunt nog minder geschikt, omdat de locatie hoek Noordeinde en Wateringsevest zich nog dichterbij de kruising Wateringsevest bevindt. De Afdeling overweegt dat het college met deze toelichting heeft kunnen volstaan.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie aangewezen locatie
12. Het betoog dat betrekking heeft op het groencriterium en de alternatieve locaties, slaagt niet. Het college heeft de aangewezen locatie geschikt mogen achten. De conclusie is dat het college heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond.
14. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Driel Kluit
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
703-1168